Obligate eerste-schooldagfoto

Het is hier een traditie om elk jaar op 1 september de eerste-schooldagfoto’s te posten. Het is dan ook een uitgelezen moment: je vergeet het niet én je krijgt een prachtig overzicht van hoe ze gegroeid zijn.

Vorig jaar vreesde ik nog dat het de laatste foto ging zijn met zijn drietjes, omdat Wolf nu richting unief gaat. Maar hij vertrekt pas morgenvroeg naar Portugal met zijn maten en vond het eigenlijk helemaal niet erg om speciaal nog eens op te staan, en ook Kobe was niet aan het grommelen. Ze weten hoe fijn ik deze foto’s vind…

En geef toe, het overzicht van de jaren is toch prachtig? Het is enorm hoe sterk ze veranderen, hoe volwassen Wolf er intussen uit ziet met zijn baardje, hoe ook Merel een stukje vrouwelijker is geworden, en hoe Kobe ook weer veranderd is. Hij had deze keer zelfs zijn schoenen aangetrokken, maar voor Wolf was dat een brug te ver.



366-sep01





Het ga je goed, Chantal!

Chantal is een deel van ons leven geworden. Chantal, dat is de kuisvrouw die op dinsdag en donderdag ons huishouden even overneemt, in de vakantie de kinderen uit bed zet, zorgt dat de vuilbakken buiten staan, de planten water hebben, de katten een extra stokje krijgen en eigenlijk gewoon gans ons huis proper houdt.

Chantal, die komt al sinds ik hoogzwanger was van Merel, dus een kleine twaalf jaar. Elke week twee keer, trouw op post, tenzij een week of twee in augustus en een paar maanden toen de knie het niet meer deed.

Chantal, diezelfde Chantal, is nu 60 geworden en gaat met pensioen. Meer dan oververdiend, het is ook op. De andere knie wil niet meer, de rug doet ook lastig en de koppijnen zijn niet meer te tellen. Niet dat je dat zag aan de kwaliteit van het schoonmaken, daar is ze veel te trots en te koppig voor.

Maar Chantal, onze Chantal, we gaan ze missen. Ja, er komt een andere kuisvrouw, maar dat zal nooit meer hetzelfde zijn. Want gaat die nog willen koffie drinken met mij en een klapke doen bij een koekske? Over de dochter en de twee kleindochters, over Marc, over het nieuwe huis in Laarne, over de hond van de dochter, over de vakanties, over… alles, eigenlijk.

Chantal, geniet er maar van. Ge hebt het verdiend, echt waar. Maar dat neemt niet weg dat wij u liever nog wat zouden houden. Zo nog een klein beetje, zo. Zo een jaar of 12 extra. Ja toch?

Den hof van den deken

Nog half ziek zijnde, zag ik het niet zitten om vandaag te gaan geocachen, ook al was het prachtig weer. Maar toen ik ons pa naar huis voerde, wilde ik toch nog wel even met hem in Rijvers een cache oppikken. We hadden die vlug in handen, parkeerden voor zijn deur, en wandelden samen nog even tot in de tuin van de dekenij. Daar zat namelijk nog de laatste labcache van Zomergem en ons pa was ook al in geen tijden nog in den hof geweest.

We waren allebei aangenaam verrast: het is echt een publiek park geworden, en ik genoot. En ik moest vooral terugdenken aan die keer, ik vermoed 35 jaar geleden, dat de toenmalige deken zijn Engelse hoendertjes ontsnapt waren en hij ze al dagen probeerde te vangen, zonder resultaat. Hij heeft toen aan ons pa gevraagd om ze te komen schieten omdat ze de gansen hof naar de *** hielpen. Ons pa heeft dan een heel licht kaliber cartouche gezocht en die hoendertjes geschoten, we hebben vooral tranen gelachen want die beesten waren gigantisch rap, en als beloning hebben we er eentje gekregen voor in de pot. Dik in orde.

Afscheid van mijn motor…

Deze morgen is er een klein stukje van mijn hart afgebroken, en ik denk niet dat het nog kan geplakt worden…

Bart, een bevriend larper, is namelijk mijn motor komen ophalen. Ik had eerder een motor dan een auto, ik heb er als student een vakantiejob voor gedaan en reed rond op mijn 21ste, altijd met hetzelfde model, een Suzuki Savage. Dat is een kleine, lage chopper, 652 cc, riemaandrijving, luchtkoeling, een heerlijk ding om mee te rijden.

Ik heb met een hoop mannen van toen middelbare leeftijd in Zomergem een motorclub opgericht, MC Arapaho, en reed als eenentwintigjarige met hen mee op zondagse toer. Secretaris was mijn functie en ik heb me er echt mee geamuseerd.

Ik ben met het ding ooit naar Parijs gereden, enfin, naar Jouy-en-Josas bij Versailles, waar een goede vriendin destijds werkte, en we zijn samen gaan cruisen op de Champs Elysées.

De laatste jaren voor mijn rugprobleem reed ik al niet vaak meer: ik moest te vaak kinderen of boodschappen meenemen of andere dommigheden, en om naar school te rijden op een mooie zomerdag nam ik dan liever de fiets. Dat scheelt een pak in kledij, namelijk. De regels zijn ook enorm verstrengd, en terecht: ik heb nog gereden met sandaaltjes, shortje, bustier en jawel, lederen handschoentjes, in mijn magere en leniger studentenjaren.

Sinds mijn rugongeluk in 2017 stond hij stil, die motor. Bart reed ook al niet meer, sinds hij zelf zijn knie om zeep had geholpen door ermee te vallen. Ik kreeg het echter niet over mijn hart om hem weg te doen, dat betekende het definitief afsluiten van een stuk van mijn jeugd, een stuk van mijn vrijheid, een stuk van mijn wilde haren.

Maar het ding stond op den duur in de weg, en die rug gaat toch nooit meer beter worden. Ik mag er niet meer op rijden, het geeft me te veel schokken. En dus heb ik van mijn hart een steen gemaakt en heb hem weggegeven. Kon ik hem verkopen? Goh, wellicht wel, maar dat wilde ik niet.

Bart is hem komen ophalen, omdat hij stelde dat het ding gewoon wat extra liefde nodig had. Dat is ook zo: hij staat vier jaar stil, zit onder het stof en vuil, de leidingen moeten gekuist worden, maar vier jaar geleden reed hij wel nog prima, met nieuwe banden en al.

Ja.

Het deed pijn om mijn motor te zien vertrekken. Maar ik weet dat hij in goede handen is.

Ik ben officieel een ouwe taart nu.

Zucht.

Vette Veemarkt

Zoals altijd ging ik ook vandaag ons pa ophalen in Zomergem. Hij had me gewaarschuwd: het is Vette Veemarkt, ge kunt niet parkeren.
En toen stond ik in zijn straat en zag ik de melkkoeien al lopen op ’t dorp, en zijn we nog even tot ginder gewandeld.
Op het ene plein stonden de melkkoeien met hun overvolle uiers klaar voor keuring, op de markt stonden de prijsbeesten onder de dikbillen. Jeroen stond er, zoals altijd, met een soortement tombola: je moet het gewicht van twee varkens raden en wie er het dichtst bij zit, wint een half varken, of zoiets.

Naar de tractors, de schapen en kleine huisdieren zijn we niet meer gaan kijken, daarvoor was het te koud en te veel wind. Maar het is echt nog een andere wereld: zo is er een wedstrijd “om ter langst aan de pijpen van een boerenoveral blijven hangen” en dergelijke.

Het gaf me een enorm gevoel van nostalgie, maar tegelijk ben ik blij dat ik er weg ben, uit dat dorp. Ik ben duidelijk meer een stadsmens, zoveel is duidelijk.

Schilde

Vandaag was ik in Schilde, maar ik was er liever niet geweest. En toch was er geen plek waar ik deze morgen anders had willen zijn. Er was namelijk de uitvaartdienst voor Bib. Of Tano, zoals zijn recentere vrienden hem kenden. Gaetan, zoals hij officieel heette. Vaenguard, zoals hij voor mij altijd zal blijven.

Er was een massa volk, en ik had niet anders verwacht. Ik stond een serieus paar straten verder geparkeerd, op de parking van een op zaterdag gesloten bedrijf. Daar had ook net René zijn auto gezet. René, de gast die mij heeft leren larpen, mijn grote sjamaan, mijn lichtend voorbeeld. Degene die sjamaan was voor zowel mij als Vaenguard, die geregeld had dat wij tweeën moesten trouwen voor het welzijn van de stam. Het deed vooral heel veel deugd om René daar te zien. En later zag ik ook Raf, en Bruno uit lang vervlogen tijden, en Tom. Ook dat deed  deugd. Dat zelfs meer dan twintig jaar later daar nog steeds mensen waren uit de tribe die de larpwereld toch vormt. Dat we hem niet vergeten waren.

De uitvaart zelf was mooi. En triest. En soms ook grappig. Er waren sprekers van zijn familie, en van zijn wielerclub, en van de skivrienden, en vooral ook van zijn baseballclub. Ellen, Bibs vrouw, is maar in zijn leven gekomen in 2007, na zijn larpcarrière, zij kent dus niemand van ons. Maar blijkbaar had hij er soms wel over verteld, ze wist wie ik was. Toen dan ook “La Tribu de Dana” van Manau speelde, was het eventjes te veel voor me. Dat is een liedje dat alle larpers, maar vooral barbaren, nauw aan het hart ligt. Vaengie speelde dat altijd in de auto op weg naar larp, dat wist ik. Er waren geen larpfoto’s in de lange, prachtige collages, maar dat was begrijpelijk. Ik denk niet dat Ellen die had.

En toch, voor vijf mensen in dat immense eerbetoon was hij de onverschrokken barbarenleider, de ene gast die ik ooit berserk heb zien gaan tot er schuim op zijn lippen stond. En nee, dat was geen schuimpil. Het beeld dat ik voor ogen heb, is van een jonge viriele kerel, gekleed in bont en zwart leer, met kortgeknipte krullen, een zwaard in de ene hand en een knots in de andere, en met een grote grijns en pretlichtjes in zijn ogen.

Ik heb bij het groeten een ‘clubke’ bij de rest van de parafernalia gelegd. Een touwtje met wat kralen en een afgebroken botje. Eentje dat hij al die jaren heeft gedragen en dat ik na de dood van Vaengie altijd droeg als sjamaan. Eentje dat al die jaren in de larpkamer was blijven liggen. Ik hoop maar dat Ellen het niet zomaar in de vuilbak gooit, maar ze heeft daar alle recht toe. Per slot van rekening heeft het zijn doel gediend.

Ik ben na de uitvaart nog even blijven napraten met de rest van de larpers en ben toen in Schilde nog wat caches gaan zoeken. In de bossen, in het groen. Ik moest uitwaaien, ik wilde even alleen zijn. Van het ene spel naar het andere, het leek me niet ongepast. En ook dat kapelletje dat ik tegenkwam, leek op een of andere manier best wel thuis te horen in het moment.

Dit is er eentje voor jou, Vaenguard. Een liedje waar ik altijd al emotioneel van werd, maar dat ik nu wellicht nooit meer zal beluisteren zonder tranen in mijn ogen.
Tranen die niet onwelkom zullen zijn.

Het ga je goed, Vaengie. Ik zie je wel in de hallen van de Voorouders.