Laatste taartdag…

Eigenlijk gewoon de laatste les met mijn zesdes, en dat doet elke keer weer raar. En we deden de taartdag eer aan: ik had kokoscake gemaakt, zoals elk jaar, en Nika had chocoladecupcakes mee (die ze eigenlijk vorige week ging maken).

Maar het zijn twee lesuren na elkaar, met de kleine pauze tussen, en Alessio kwam vragen of hij snel even tot aan zijn huis mocht – hij woont in de straat van de school – want ook hij had cupcakes gemaakt, maar dan wel speciale. Zijn ma heeft namelijk een zaak in cupcakes en taarten en zo, en dus ook een fotoprinter voor eetbare hostie. Het resultaat was zalig!

Maar verder moest ik nog wat dingen afwerken: nog even de lijn van de filosofie herhalen, de herhalingstoetsen verbeteren, de laatste vragen beantwoorden…

En dan volgt nog het mondeling examen, de barbecue en de proclamatie, en dan is het weer een lichting die ik kan en mag uitzwaaien.

En ja, elk jaar weer doet dat vreemd…

Een heerlijke brief uit 1980

Mijn ouders gingen altijd veertien dagen op reis in juni: dat was een pak goedkoper, en wij konden terecht bij mijn grootmoeder, een straat verderop. En later zaten we toch op internaat en gingen we in het weekend bij een favoriete tante. Dik in orde.

Ons pa schreef dan ook brieven. En dat waren niet zomaar brieven, dat waren héérlijke nonsensicale epistels waar we reikhalzend naar uit keken, gelardeerd met de zaligste tekeningetjes. Jeroen heeft er eentje teruggevonden en me bezorgd, en ik wil die ook digitaliseren en vereeuwigen.

De kinderen hebben ze al gelezen en zijn luidop in de lach geschoten, en ik geef ze hier dus ook weer. Het begint allemaal redelijk ernstig, maar dan… Geniet mee…

Beste Jeroen en Gudrun,

Zoals gij al gehoord hebt aan de telefoon zijn wij goed aangekomen in ons hotel, na een uiterst gevaarlijke reis (en dat is niet voor te lachen). Ik heb zelf dikwijls schrik gehad, wanneer ik naast mij keek, terwijl wij haarspeldbochten aan het draaien waren: links een steile bergwand, rechts een steile afgrond zonder afboording of zelfs zonder witte streep. En altijd maar tegenliggers en zelfs autobussen, die de volle breedte van de weg nodig hebben, en die achteruit moeten rijden tot aan een verbreding waar wij elkaar kunnen kruisen.

Het werd altijd zorgwekkend wanneer uw mama begon te zwijgen: dan zat zij met schrik voor de grote diepte en wilde mij niet afleiden in de draaien door te babbelen. En rechte stukken weg komen er in de bergen niet voor: er zijn niets anders dan draaien, gevaarlijke, onoverzichtelijke draaien. Het land is eigenaardig: hoge bergen overal, die bijna recht in de zee eindigen. De bergen zijn ruw en onherbergzaam: veel heide, veel bos op lagere stukken. En heet: de hitte van de blakende zon hangt in de dalen; overal riekt men bloemen en hoort men bijen gonzen. Vogels ziet men niet in het binnenland. Gedurende kilometers ziet men geen levende ziel: geen auto’s, geen mensen, niets. Alleen in een draai belandt men plots midden een bende koeien, die liggen te herkauwen midden op de weg. De stieren die er bij lopen kijken kwaad. Die koeien leven in het wild. Verderop loopt er opeens een kudde varkens te knorren die zijn werkelijk wild, en slaan op de vlucht van zodra ge uitstapt. De mensen hebben hier speciale honden voor de varkens en de geiten te hoeden. Die geiten zijn echte acrobaten: zij lopen in groepjes op kleine muurtjes aan de rand van afgronden. Zij huppelen over rotsblokken en stormen langs steile hellingen omlaag. En ze hebben haar dat tot op de grond hangt. De geitekudden (sic) verstoppen de wegen.
En dan de ezels: overal komt ge loslopende ezels tegen. Op een middag reden we door een slaperig dorpje met drie slaperige ezels (een dorpje dat is 10 huizen en een kerk; er wonen 30 mensen). Het was gloeiend heet en we reden met de ramen open. Mama zat aan het stuur; zij stopt en kijkt naar de kaart, langs waar wij moeten rijden. Ik wacht en kijk rond; opeens, naast haar hoofd, verschijnt er een reusachtige schaduw, een ezelskop! Pardoes steekt die ezel zijn kop in de auto, en mama roepen!

Ik schrok van mama’s geroep. De ezel gaf mama een kus op haar voorhoofd en mama begon in haar broek te p…. van de schrik (Het is altijd hetzelfde!). Wij gaven de ezel een klontje en voor ons plezier likte hij de ruit schoon. Achteraf hebben wij lang en veel gelachen, maar wat waren wij geschrokken. Ik denk dat die ezel verliefd was op mama: bloed trekt. Waarom zou hij haar anders op haar voorhoofd komen kussen zijn?

Ik heb hier een lastig leven. op het ogenblik zit ik in mijn bungalow te schrijven terwijl het buiten 48° warm is: verschrikkelijk. De zon brandt zo hard, dat tegen de avond de zee gedeeltelijk opgedroogd is. De vissen komen uit het water gekropen, om in de schaduw van de palmbomen zichzelf met hun vinnen een beetje koelte toe te wuiven! Af en toe vliegt er een vliegende vis al jodelend voorbij. Ik kan mijn ogen niet geloven.

In de verte spelen de dolfijnen en de walvissen. Wij zijn haast in een andere wereld. Robinson Crusoë heeft hier gewoond, tot hij door de Corsikaanse (sic) bandieten ontvoerd is. Die bandieten zijn gevaarlijk, wordt er verteld! Wij hebben een oude man gezien, die zijn varkens zat te hoeden in de bergen; hij hing vol met messen en pistolen, en liep op zijn blote voeten. “Bandito?” vroeg ik. “Si, si” antwoordde hij, en gaf twee grote pistoolschoten in de lucht, met een achtste pistool dat hij achter zijn rug gehouden had. Mama vond het beter om niet subiet weg te rijden, want ge weet nooit! Ik denk dat het een bandiet was die weggelopen was uit een cirkus (sic) of een stoet, maar hij rolde gevaarlijk met het wit van zijn ogen en wilde ons een klein zwart varken verkopen. Mama (die altijd moeilijkheden zoekt) stapte uit en wil dat varken eens strelen.

Ik zeg al lachend dat ik al drie varkens en een hond thuis heb, en die bandiet begint te vloeken en te schieten, en kwaad dat hij is omdat we met zijn (blote) voeten spelen en met zijn varkens! Gelukkig vernesselde hij in zijn pistolen en struikelde over zijn messen, zodat mama rap in de auto gesprongen is en wij subiet weg! Drie draaien verder heb ik nog eens omgekeken, en hij was bezig zijn pistolen te herladen. Tien minuten later stond hij op de top van een berg, met zijn blote voeten in de sneeuw, te zoeken waar wij naartoe waren, en van pure koleire loste hij om de vijf minuten een schot! Voor alle zekerheid hebben wij ons schuifdak toegedaan, want die bergwegen draaien zo eigenaardig, dat wij gemakkelijk onderaan zijn berg hadden kunnen uitkomen. Ho maar! Hopelijk komen wij hem niet meer tegen in het teruggaan. Wij zullen hem herkennen aan zijn zwarte voeten.
Hier hebben wij tijd om te bekomen van onze schrik voor de afgronden, de ezels en de banditos. Wij spelen tennis ’s morgens en ’s avonds; overdag ga ik zeilen en surfen (dat is met een plank en een zeil over de golven vliegen). Tot nu toe ben ik 128 keer gevallen, maar de leraars zeggen dat ik rap bijleer. Mama moet dat eens filmen.

Het eten is hier buitengewoon: elke middag groot koud (vriespunt!) buffet, daarna nog wat biefstukken en als dessert twee borden fruitsla en vijf taartjes per persoon. Het is zelfbediening, dus als ge u van niets gebaart en nog twee keer teruggaat, kunt ge tot 15 taartjes opeten. Al de mensen lopen hier met dikke buiken te puffen van de warmte (48°) en de taartjes (15). Alleen de kinderen krijgen er maar drie: zij zouden ziek worden. Mama is al 16 kg verdikt zodat al haar bikini’s spannen. Ze wordt al mooi bruin.

Tot binnenkort!

Papa Koen

En toen, als ge goed kijkt bovenaan de vierde bladzijde, krabbelde mijn ma daar droogweg ook nog enkele zinnetjes bij.

Ik heb weeral geen plaats meer om te schrijven hé. Papa kan het nogal uitleggen, hé, ‘k heb nogal moeten lachen als ik de brief las! En overdrijven!! Het is wel mooi weer, hoor! En ik ben nog niet verdikt! Hij wel, haha! Als we maandag op tijd kunnen thuis zijn, zullen we telefoneren, dan moogt ge thuis komen slapen, of ge moogt toch opblijven.

Vele groetjes en kusjes

Mama.

Elk jaar opnieuw, nu meer dan ooit.

Het was al een paar jaar geleden dat ik het gepost had, maar het wordt weer actueler dan ooit: de klaprozen, de poppies. Elk jaar opnieuw krijg ik kippevel.
Elk jaar opnieuw, wanneer ik de klaprozen zie in de bermen langs de wegen, in dit geval hier vlakbij aan het Turcqpleintje.

Elk jaar opnieuw denk ik dan aan het fameuze gedicht van John McCrae.

En elk jaar opnieuw weet ik: dit mogen we nooit vergeten. Dit mogen we nooit opnieuw meemaken. Dit mogen we nooit onze kinderen aandoen.

En daarom post ik opnieuw dit gedicht. Om niet te vergeten.

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved and were loved, and now we lie
In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

– John McCrae

Dag ma

Dag ma!

Zeg, hoe is het? Weet ge, het is vandaag tien jaar geleden dat ik u voor het laatst gezien heb, tien jaar geleden dat ik afscheid genomen heb van u. Tien jaar geleden, net toen ik van school wou vertrekken, dat het telefoontje van Roeland kwam dat ge gestopt waart met ademen, terwijl hij uw hand vast hield. Tien jaar geleden dat pa voorzichtig uw ringen nam, uw trouwring aan zijn eigen pink stak, en mij uw prachtige verlovingsring gaf. Ik heb hem sindsdien altijd aan, alleen niet om te douchen en te slapen.

Tien jaar, ma. Serieus. Enig idee wat er intussen van Downtown Abby nog is verschenen? Hoe de wereld is veranderd? Ge zoudt u blauw ergeren aan de alomtegenwoordige smartphones overal, maar ik ben er zeker van dat ge er zelf ook een zoudt hebben, al was het maar om foto’s van ’t Sas en van uw bloemen en van een prachtig landschap in Ro te delen met mij. En ik, ik zou u vanalles doorsturen van hier: de bosaardbeitjes in de berm van de schoolparking, een raar opschrift ergens op een paal in Gent, een fotootje van hoe mijn haakwerk aan het opschieten is, dat soort onzin. Goh ma, wij belden veel, maar ik denk dat onze Whatsapp buiten proportie zou zijn. En god ma, ik mis dat. Als ik zie hoe anderen dat soms nog doen met hun ouders, ben ik jaloers. Gij zoudt zo een wijs oud wijf zijn, ik zou mij de max amuseren. Ik zou u meepakken, al dan niet in een rolstoel omdat uw knieën het intussen helemaal opgegeven hebben, naar het MSK, of het KMSK, of naar het MIAT, of nog zo van die dingen. En we zouden overal heerlijke kritiek op hebben en ons een kriek lachen met sommige dingen, en sommige mensen, en sommige outfits.

Ik had deze week per toeval nog foto’s in handen van toen ik 16 was en we samen met Kim rondreden in Engeland. Gij waart echt een zot geval, ma. Met zo’n felgekleurde gebloemde broek aan, en een rood regenvestje, en dan maar onnozel doen, en de slappe lach krijgen bij die Britse dames daar op de Good Will Fair ergens in Cornwall.

Ik durf er zelfs niet aan te denken hoe veel ge zoudt sturen met uw kleinkinders, ma. Ik denk dat ze u vaak op gelezen zouden laten staan, omdat ge gewoon te veel voor u amusante dingen en memes zoudt doorsturen. Maar ook zij zouden ervan genieten. Merel zegt dat soms: dat ze zich u niet zo goed herinnert, en dat ze u dus eigenlijk ook nooit echt gekend heeft. Maar dan komen de verhalen van Wolf en Kobe, en dan zie ik ze genieten, alle drie.

Ge zoudt zo trots zijn, ma. De jongens zijn geen jongens meer, als ge ze ziet lopen, maar jonge mannen. Wolf, ernstig en zelfbewust en o zo goed bezig; Kobe, lang en vrolijk maar intussen ook verantwoordelijk en toch nog steeds een warhoofd, en eigenlijk ook best goed bezig; en Merel: zo een knap meisje, en dan bedoel ik het niet alleen qua uiterlijk. Ze heeft duidelijk de taalvibes van u geërfd, ma: ze geniet van Duits, kijkt nu al uit naar Spaans, speelt met die talen, zet soms met mij een hele discussie op over linguïstiek, en is ook de lezer die ik zo graag had gehad in mijn kinderen. En dan is er ook nog Arwen, uiteraard, en ook haar zoudt ge wijs gevonden hebben: ernstig, soms best verlegen en wat afstandelijk, maar tegelijk ook een zalige geek, en vooral: ze past perfect bij Wolf, en daar gaat het om. Het is wijs om die twee samen te zien, en ook hoe ze dan Kobe een draai om zijn oren geeft wanneer hij dat verdient. Het is echt zo de grote zus van de hoop.

Ach ja, ma, dat is het leven, zeker? Afscheid nemen van uw ouders, dat is de normaalste zaak van de wereld. Alleen had het voor mij nog niet gehoeven: ik had u zo graag ook de voorbije tien jaar kunnen bellen voor de domste dingen eerst, en al even graag met mijn ogen gerold omdat ge mij belde terwijl ge wist dat ik aan het lesgeven was, want mijn lesrooster lag bij u naast de telefoon.

En dan bloeien de meiklokjes, en denk ik aan u. En hang ik uw T-shirt van Kuyichi aan de wasdraad want Merel gebruikt die om te slapen, en denk ik aan u. En maak ik spaghetti met bollekes, en denk ik aan u. Of speel ik, in gedachten verzonken, met uw ring, en denk ik aan u. En dan bloeien de witte rozen.

Tien jaar, ma.

Ik mis u.

Oh, en voor ge toelegt: ik stuur u efkes ne foto door van de oranje klaprozen die Bart vorig jaar had gezaaid. Moet maar ne keer kijken: schoon hè!

Allez ma, tot de volgende hè! Saluuuuu!

Oude filmpjes

Toen ik onlangs het oude fototoestel nog eens bovenhaalde, bleken er op de SD-kaart warempel nog drie oude filmpjes te staan die Kobe destijds had gefilmd zonder mijn medeweten. Het is vermoedelijk ergens in 2013, want Merel ziet er een jaar of drie uit. Ik vond ze heerlijk…

Omen: het einde

Was gisteren zo’n slechte dag, vandaag voelde ik me weer prima. Ik heb een voorzichtig ontbijtje genomen, maar meer niet. En ik hoefde ook niet echt als de Uil in het spel te gaan: er ging een mega eindgevecht aankomen en ik was dan beter geplaatst als scheidsrechter en toezichthouder, aangezien ik niet echt meer kan vechten zoals het hoort.

Intussen was er een stralende zon, ik voelde me goed, ik had fijne mensen om me heen, en ik genoot. Er was een episch eindgevecht – de foto’s volgen wellicht nog – en dit keer was het ook echt episch: iedereen wist dat dit het einde van Omen, of toch minstens van deze cyclus was, en dat het sowieso het einde van hun personage betekende. Mensen konden hun leven geven om hun kampioen te boosten tegen het kwaad, en dat werd ook gedaan. Ontroerend, episch, gewoon mooi om zien. Mijn boezem werd al snel de emotional support bosom, letterlijk nat van tranen door mensen die na al die jaren hun favoriete personage lieten doodgaan. Want ja, zo intens kan larp zijn.

Bedankt, lieve mensen van Omen. Bedankt, spelers en figuranten, om een harde maar oh zo fijne wereld tot leven te brengen en me mee te slepen in avonturen, impromptu zangstondes rond een laatavondkampvuur, bitse discussies, intense tranen, gigantische lachbuien. Bedankt, Bard, om epische rollen op mijn lijf te schrijven, om me de gekste dingen te doen doen – de flagellante non, iemand? – en om me Olga te laten spelen. Bedankt, Sven, Nikki en alle anderen van spelleiding doorheen de jaren, om me telkens weer een weekend uit mijn eigen realiteit te halen en te droppen in een fantastische wereld. Bedankt om telkens mijn mentale batterijen weer op te laden, terwijl mijn fysieke batterij compleet plat ging.

En ja, stiekem hoop ik dat ze de energie vinden om Omen opnieuw te lanceren. Er is een prachtige wereld, een prachtig spelsysteem, en een hoop hongerige spelers die klaar staan om die wereld te bevolken.

Omen, ik ga je missen.

Gelukkige tachtigste verjaardag, ma!

Hey ma,

ik bel om u ne gelukkige verjaardag te wensen he! Tachtig, een schoon getal. Ik denk dat ge nog altijd een wreed kranig geval zoudt geweest zijn, waarschijnlijk wel met last van uw knieën, maar toch niet opgevend en wellicht nog altijd op wandel aan het Sas.

Ik kan me nog altijd niet indenken dat ik u al negen jaar moet missen, ma. Ge zoudt zo mega trots zijn op uw drie kleinkinderen, maar geloof me, pa is dat in uw plaats. Elke keer als hij ze ziet, begint hij te glunderen. Elke week is Merel gegroeid, elke keer is Kobe ne langen en Wolf nen breden. Ja, hij komt hier nog elke zondag eten en de kousen sorteren en mijn blog lezen.

’t Is wel een gemak nu: sinds eind maart zit hij hier letterlijk om de hoek in een WZC, de Vroonstalle. Is het ideaal? Goh, er valt wellicht overal wel iets op aan te merken, maar ik heb er in elk geval een goed gevoel bij, en hij is er wel graag, zegt hij. Het is natuurlijk niet thuis, maar hier hoeft hij zelf ook nergens aan te denken en moet hij ook niet bang zijn dat hij iets vergeet: hij krijgt er drie deftige maaltijden per dag, koffie met iets bij, en vooral: hij krijgt zijn medicatie zoals het hoort, en daar liep het vroeger al eens fout. Hij eet ook geen ganse week meer van hetzelfde bord, maar zijn kleren, dat is nog altijd niet helemaal comme il faut: hij zou nog steeds een hele week met hetzelfde aanlopen, als ik er niet op aandrong om te wisselen. Hij moet nochtans zijn was niet doen of laten doen: ik pak die elke week mee, en vaak krijgt hij die dezelfde zondag nog terug. Verder kijkt hij tv en leest hij vooral veel. Het is nooit ne wreed sociale mens geweest, en dat verandert ook nu nog altijd niet: de activiteiten, dat ziet hij blijkbaar niet zitten.

Hij heeft wel – gelukkig – de cafetaria beneden ontdekt en gaat er af en toe eens in de tuin zitten om een ijscrème te eten, als er is. Daar ben ik blij om, want zelf initiatief nemen, dat is moeilijk.

Ach ma, ge zoudt hem onder zijn voeten geven en ge zoudt gelijk hebben ook.

Intussen staat het huis in Zomergem leeg, en ma, ik kijk er absoluut niet naar uit om het te moeten leeghalen. Man, maar gulder hebt rommel verzameld! Aan de andere kant zijn er ook miljoenen kleine dingetjes die mij aan u doen denken en waarvan ik het dus moeilijk heb om ze weg te doen. En er zijn dan ook nog heel veel dingen die nog altijd bruikbaar zijn. Het zal kringwinkel worden, denk ik dan. Gelukkig is er geen haast bij: het huis zal verkocht worden en wellicht afgesmeten om plaats te maken voor een appartementsblok, maar we hebben het geld niet nodig, en het wordt dus een werk van lange adem. Eerst moet Jeroen zijn eigen brol uit de garage halen voordat we daar kunnen beginnen verzamelen en sorteren. En dan mag iedereen langskomen om mee te nemen wat hij of zij wil. De jongens en ik gaan zeker nog eens langsgaan om de kast uit Roelands kamer mee te nemen voor Wolf zijn kamer op kot, en wellicht ook de wasmachine voor ginder. En dan nog wat kleine spullen, vermoed ik.

Ach ma…

Het zijn zo allemaal van die praktische dingen, maar ik zou er verdomd veel geld voor geven om nog echt ne keer met u aan telefoon te kunnen hangen. Pakt een uurke of twee dan, en ik denk dat we nog niet uitgetetterd zouden zijn.

Maar weete? Het is nen wreed schonen dag vandaag, de zon schijnt, de witte rozen in mijnen hof bloeien, en ik denk met weemoed terug aan u. Ge waart een straffe madam, een speciaal geval, een zotte doos, en een wreed goeie moeder. Geniet maar van uwen verjaardag, ma’tje. En ge hebt de groeten van Bart en de kinderen.

Acht jaar…

Hey ma

ik dacht, ik bel nog ne keer, want het is al zo lang geleden… Acht jaar, ma, ik kan het me soms niet voorstellen, maar ja, het is al acht jaar geleden dat ik u heb moeten afgeven. En toch kan ik u nog altijd horen lachen, horen proesten, maar ook verontwaardigd horen snuiven als ik weer eens iets doms heb gezegd. Of gedaan, dat ook. Ik zie u nog altijd in zo veel kleine dingen, ma. Neem nu daarnet: ik zag passeren dat er een nieuw seizoen is van Downton Abbey, en ik dacht onmiddellijk dat we dan weer commentaar konden geven op de kleren. Ik zie u ook soms zo hard in mezelf. Onlangs deed ik voor een larp lippenstift op, en ja, ik zag daar onmiddellijk u in. Blijkbaar hebben we dezelfde mond. En ook dezelfde manier van doen, dat hoor ik nog vaak.

Soms komt het ook keihard binnen, nog altijd, na acht jaar. Ik kan nog altijd niet zonder meer naar “Chan Chan” van de Bueno Vista Social Club luisteren, en toen het vorige week eindelijk eens mooi weer werd, kwam Merel beneden in uw vrolijk zwierige kleurrijke zomerkleedje. Dat hing in mijn kast omdat ik daar geen afscheid van kon nemen, en zij heeft het gepikt. En ze ziet er zo goed mee, ma, ge hebt er geen gedacht van. Ja, dat kwam efkes binnen. Ach, ze wordt zo groot ma, ge zoudt er zo veel deugd van hebben om ze te zien. Ze is nu al groter dan gij, met haar grote blauwe ogen en haar blonde haar, en het is zo een wijze. Eigenlijk zijn ze dat alle drie, maar over Kobe zoudt gij ook af en toe uw hoofd schudden. En hem een preek geven zoals alleen een oma dat kan, dat ook.

Van preken gesproken: ik heb dat daarnet ook nog bij ons pa moeten doen. Hij ligt weer in het ziekenhuis, ma, en hij kan er echt niks aan doen. Hij heeft een slikprobleem, dat weet ge, en het ging de laatste week totaal, maar ook totaal niet meer, hij hield zelfs geen glas water meer binnen en dus ook zijn medicatie niet. Blijkt dat hij littekenweefsel heeft op die slokdarm en dat daardoor alles blokkeert. Hij mag voorlopig niks, totaal niks eten totdat alles volledig genezen is en ze een dilatatie kunnen uitvoeren. Maar die eerste dagen – we hebben hem vrijdag binnengevoerd – kreeg hij puddinkjes die hij netjes opspaarde in zijn ijskastje. Toen hij na de diagnose geen eten meer kreeg – wees gerust, ma, hij krijgt genoeg via baxter – nam hij zijn toevlucht tot die puddinkjes, en de dokter snapte aan geen kanten waar hij die puddinkjes vandaan haalde. Ge hadt hem moeten zien blinken, daarjuist, toen hij dat vertelde. Serieus, ma, er zijn misschien kosten aan zijn lijf, maar die blinkoogskes, die is hij nog altijd niet kwijt.

Ik mis u, ma. Gewoon om tegen te kletsen, om mijn stommiteiten aan te vertellen, om ne keer goed tegen te kunnen zagen, zelfs om onder mijn voeten te krijgen dat ik weer ne keer iets vergeten ben of dat ik zo dik aan het worden ben. Maar voor één ding ben ik blij: dat ge dat weer van de afgelopen maanden – wat zeg ik: afgelopen jààr – niet hebt meegemaakt. Maat, maar gij zoudt daar nogal ne keer over gezaagd hebben! Het is nu weer aan het regenen en het gaat de komende dagen nog meer van dat zijn. Het heeft eigenlijk nog vrijwel niets anders gedaan dan regenen, behalve hier en daar ne keer nen beteren dag, en ge zoudt stilaan onnozel aan het worden zijn daarvan.

Maar den hof groeit en bloeit, en Bart heeft witte klimrozen geplant en die zijn nu aan het bloeien en ze hangen voor mijn venster, en elke keer dat ik ze zie, moet ik aan u denken, ma. Ik zou zo graag nog ne keer met u gaan wandelen rond het sas en ondertussen maar kletsen. Ik zou zo graag u nog gewoon ne keer zien, ma. Ik zou u vastpakken en efkes gewoon niet meer loslaten.
Maar ondertussen bel ik nog af en toe ne keer. En ook al kunt gij niet meer zelf antwoorden, ik weet wat ge zoudt zeggen, en ik glimlach al op voorhand.

Allez ma, ik ga u laten. Tot in den draai hé.

Saluuuu!

Vette Veemarkt 2024

Naast die van Anderlecht is dit nog de enige Vette Veemarkt te lande, zo blijkt. Nog steeds is het in Zomergem een feestdag: het is en blijft in essentie een boerengemeente, en tradities zijn er om in ere te houden.

Ons pa had me de avond voordien nog gebeld: dat ik wel nog tot in zijn straat geraakte, dat ze die ingang niet hadden afgesloten. De hele dorpskern – markt, alles rond de kerk, de omliggende straten – waren wel afgesloten: op de markt zelf stonden de dieren voor de keuring, maar daarrond stond ook nog vanalles. Jeroen stond als vanouds bij een wedstrijd waarbij je het gewicht van twee varkens moet proberen inschatten. Alexander en Marie-Julie gaven dan weer optredens met de fanfare, terwijl voor de rest het hele dorp op stelten stond. Mooie tradities ook: de ossenkar, de paardentram, de schapen, de neerhofdieren… Ik ging even met ons pa luisteren naar de fanfare, kocht tulpen tvv. Komop tegen Kanker, ging Jeroen even uitlachen, en toen reden we richting Wondelgem. Moest het stralend weer geweest zijn en we niet nog wilden supporteren voor Wolf, dan zou ik misschien nog wat langer gebleven zijn.

Een vreemdsoortig nostalgie, maar geen spijt. Oh nee.