Minimutsje
Collega Louise-Anne kwam maandag langs met haar nieuwste spruit, een zalig kleintje, Aida genaamd. Kleintje is wel het woord, want op zich is ze zeker groot genoeg, maar ze heeft echt een schattig klein kopje. Ze had nochtans geen mutsje op, en dat kwam omdat ze blijkbaar allemaal gewoon te groot zijn, zei Adil. Ook het mutsje dat ik voor haar vorige dochtertje had gemaakt – het eerste mutsje in de hele reeks – was blijkbaar nog veel te groot.
Geen nood, dacht ik, ik heb nog een kleiner maatje breiring: ik maak er gewoon nog eentje voor Aida in een kleiner maatje! Ik heb uiteindelijk gewoon langer gedaan over het haken van het bloemetje en het blaadje dan het mutsje zelf, maar bon.
Dinsdag gaf ik het al mee aan de oudere broer die bij ons zit, en tegen vier uur kreeg ik gewoon al een fotootje van het kleintje met het mutsje op. Zalig!
365 – 21 oktober 2026 – storing in de sturing
Cthulhu by Gaslight
Na een kort maar hogelijk amusant intermezzo bij Ghostbusters – dat faliekant is afgelopen omdat we een verkeerde beslissing hebben genomen – zijn we terug bij mijn oude vertrouwde Call of Cthulhu, wat ik echt nog het liefst van al speel. Gamemaster Geraard neemt ons deze keer mee naar Cthulhu by Gaslight, Londen 1890, en ik kijk daar echt naar uit. Dit heb ik dus nog niet gespeeld, en het lijkt me echt wel wat. Voeg daarbij dat we een heerlijk geschifte groep hebben en een uitstekende gamemaster, en het kan niet missen. Het is deze keer geen langgerekte campagne, maar een aantal kortere scenario’s, en dat is misschien ook maar best, want meer dan twee jaar…
Het is ook wel weer een amusante groep van personages, denk ik. We kennen elkaar uit een Book Club, eentje waar ook vrouwen zijn toegelaten, en ik speel een beetje een Miss Marple: een ongetrouwde, welopgevoede oudere dame die niet schatrijk is maar zeker niet onbemiddeld, en die vooral bijzonder nieuwsgierig is en overal haar neus insteekt.
Yup. Ik heb er zin in!
365 – 20 oktober 2026 – nieuwe campagne
Spazio 24
Eigenlijk kom ik al altijd goed overeen met Barbara, mijn ene nichtje langs vaderszijde, die vooral al jaren mijn vaste kinesiste is. Allez, was: ze is er een jaar tussenuit geweest om de hele praktijk volledig te verbouwen, terwijl de rest van haar team verder kon doen in de grote aparte oefenruimte achteraan die voor de gelegenheid in kleinere kabinetten was ingedeeld. Mij gaf ze in de deskundige handen van Jordy, een jonge maar zeer bekwame gast die daarnaast ook nog eens wreed sympathiek is. Intussen is ze deeltijds terug in de praktijk, maar niet op woensdag, en laat woensdag nu mijn vaste kinedag zijn, al zeven jaar. Ik blijf dus vaste klant bij Jordy, met plezier.
Alleen… zie ik nu mijn nichtje quasi niet meer, terwijl we vroeger wekelijks een half uur tetterden. Vandaag spraken we dus rond twaalf uur af bij Spazio 24, op de Wiedauwkaai, om samen te lunchen. Zij kende het, voor mij was het onbekend terrein, zodat ik eerst niet doorhad dat ik blijkbaar via de parking van de Eskimo binnen moest en raar stond te kijken op de Wiedauwkaai zelf.
Het restaurant zelf is volledig mijn stijl, zoals zij al voorspelde: open, hoog, bruintinten, modern, gezellig. We gingen voor de lunch, want om half twee moest ik weg, richting school, werken en al.
Bij het drinken kwamen al meteen olijfjes, en daarop volgde het voorgerecht: een uitstekende vitello tonnato.
En daarna kwam, vlotjes, een lasagne op tafel. Je kan overigens zelf aangeven welk tempo je wil, en dat is fijn.
Je kan ook nog een dessert toevoegen aan je lunch, maar voor ons hoefde dat niet, want dit was meer dan voldoende. Een koffie kon wel nog, en daar krijg je ook nog vanalles bij, onder andere heerlijke red velvet cake van bij Julie’s House dat daar ook op de site zit tegenwoordig. Goed om weten!
Tegen half twee vertrok ik en dronk Barbara nog rustig haar theetje op. Zij komt er vaker en voelt er zich thuis, en ik snap waarom: gezellig, lekker, vlakbij, en met 29 euro voor uitgebreid voorgerecht en hoofdgerecht ook best betaalbaar. Eentje om te onthouden dus.
365 – 19 oktober 2026 – lunchke
The Odyssey in IMAX
We hebben lang moeten wachten voor we er in slaagden 6 plaatsjes vast te krijgen in Brussel – de enige plek in België waar ze IMAX 70 mm projecteren – maar deze avond konden we richting Heizel afzakken. Ik had mijn wandelstok mee, want de rug is dit weekend gecrasht en ik twijfelde deze middag zelfs nog of het wel zou lukken. Maar bon, een wandelstok en een stevige pijnstiller om het ergste wat weg te nemen, en ook wel degelijke stoelen, en ik ging me mijn plezier niet laten afnemen.
Als Graeciste krijg ik dus vaak de vraag: wat vind je ervan? Ik kon daar uiteraard niet op antwoorden, maar nu wel. En mijn eerste opmerking hierover is: Nolan pretendeert niet dat hij de Odyssea verfilmd heeft. Het staat er duidelijk: based on Homer’s Odyssey. Je mag het dan ook niet zien als een letterlijke verfilming, maar wel als een Amerikaanse blockbuster die nu al drie uur duurt, en die een zo groot mogelijk publiek moet aanspreken.
(En wie de film nog niet heeft gezien en het originele verhaal niet kent, leest nu best niet verder, want spoilers en al.)
- Ja, het klopt niet dat Odysseus zijn verhaal doet aan Kalypso: hij doet dat normaal gezien bij de Phaeaken, bij een reeks diners. Maar dit zorgde ervoor dat Nolan toch nog met flashbacks kon werken, zoals in het origineel, maar dat hij Nausikaä en co eruit kon laten. Tijdswinst.
- Nee, Kalypso is normaal gezien niet degene die hem lotusbloemen voert. Maar opnieuw: hij kan er op die manier de lotuseters uitlaten, terwijl de bloemen er toch nog inzitten. Tijdswinst.
- Ja, er zit een fout rond Iphigeneia, ik weet het. In het origineel is de dochter van Agamemnoon een jaar of vijftien, en wordt ze door haar vader naar Aulis gehaald onder het voorwendsel van een huwelijk met Achilleus. Klytaimnestra blijft in Mykene, en is achteraf zo razend op haar echtgenoot dat ze hem vermoordt. Nolan had ook hier de hele scene kunnen uitwerken en ettelijke minuten toevoegen. Het feit dat je nu ziet dat Agamemnoon zijn dochter van een jaar of vijf meevoert en dat Klytaimnestra door drie man moet tegengehouden worden, is een even sprekend beeld, voor luttele seconden.
- Ik vond de Kuklops echt wel goed gedaan: niet menselijk, maar echt monsterlijk. En ja, in het origineel zit een hele conversatie, waarbij Odysseus zegt dat zijn naam Niemand is, enzoverder. Er is dan ook de cheeky verwijzing naar dit feit: “He speaks? I didn’t know he could speak!” Opnieuw: tijdswinst. Maar de geest van de hele confrontatie is wel behouden.
- Idem voor Sinoon. Nee, de rede van Sinoon die vaak gelezen wordt in de klas (Latijn, Vergilius’ Aeneis), zit er ook niet in. Maar Sinoon is weer netjes verwerkt. Ook Laokoön zit er wellicht om die reden niet in.
- Idem voor het ophangen van de slavinnen in het huis van Penelope. Dat zijn normaal gezien twaalf stuks, en nu zie je vooral één slavin die meeheult met de ‘vijand’. Ook dat is puur tijdswinst, denk ik.
- Bepaalde scènes vind ik dan weer bijzonder knap gedaan omdat ze volledig de geest weergeven: Kirke en de manier waarop ze de varkens kneedt. De hond van Odysseus: ik zou boos geweest zijn als die eruit was gelaten. Het geweld, het vuur, het bloed in de straten van Troje. Het nietsontziende geweld bij het beroven van de vissersdorpen.
Zitten er nog ‘fouten’ in? Maar ja… En dan? Nee, de kostuums zijn niet altijd even correct, maar dat stoort niet. Agamemnoon komt heel erg indrukwekkend, zelfs intimiderend over en dat is niet zoals Homeros hem beschrijft. En dan? Ik heb intens genoten van de film: Nolan heeft een van mijn favoriete epen naar een groot publiek gebracht, met een prachtige beeldvoering en een, welja, epische cast.
Ja, ik ben fan. Echt wel. En de rug, die is mee fan, want die deed niet eens lastig.
365 – 18 oktober 2026 – IMAX
Geregeld: een kortverhaal van Bart
Mijn lief is altijd al een schrijver geweest. Hij is daar beter in dan ik, zoals in zo veel dingen.
Nu is hij begonnen met het schrijven van verhalen, al dan niet dystopisch. Ik lees ze, en ik ben jaloers. Want ja, mijn lief kan schrijven.
Ik geef u zijn eerste verhaal hier mee, met link naar zijn eigen website waar het volledig op staat zoals het bedoeld is.
Geregeld.
Een kortverhaal. België, 2036.

I. Januari
Ik heb mijn nieuwjaarsbrief zelf geschreven. Met een balpen, op papier uit de krantenwinkel aan de Brugse Poort. In de derde zin staat een dt-fout. Die heb ik laten staan, als bewijs.
Niemand gelooft het.
‘Schoon gedaan,’ zegt mijn tante, op de toon waarop je een kind van vier zijn tekening teruggeeft. Mijn nonkel vraagt welk model ik gebruikt heb voor het handschrift. Hij bedoelt het niet slecht. Hij denkt gewoon dat niemand van negentien nog weet hoe je een pen vasthoudt. Hij heeft gelijk. Ik heb drie avonden geoefend.
Ik ben eigenlijk te oud voor een nieuwjaarsbrief. Maar het is het enige wat ik dit jaar gemaakt heb waar niemand om gevraagd had.
We zitten bij mama, in het rijhuis in Gent. Opa is opgehaald uit het woonzorgcentrum in Drongen en zit in zijn rolstoel aan het hoofd van de tafel. Hij volgt het gesprek zoals je een trein volgt die voorbijrijdt. De rollade is gekweekt in een vat in Aalst en smaakt naar rollade. Mijn nonkel proeft toch het verschil, zegt hij. Na het dessert begint de jaarlijkse discussie of we bomma aanzetten. Ze is drie jaar dood. Haar stem is er nog, en haar mop over de pastoor van Mariakerke. Sinds haar dood heeft ze Spaans geleerd. Niemand weet waarom. Door een update vloekt ze ook niet meer. Opa vindt dat ze daardoor niet meer op bomma trekt. Mijn tante wil het. Mama niet. Opa zegt niets, en dus zetten we haar aan, en ze vraagt aan iedereen of er genoeg gegeten is.
Ik ben geboren in 2017. Toen ik tien was, nam het agency waar mama werkte voor het eerst geen juniors meer aan. Niemand werd ontslagen, daarvoor zijn we hier te beschaafd. Er kwam gewoon niemand meer bij. In 2029 viel de regering over het AI-dividend. Een half jaar later was het er toch: geïndexeerd, uitbetaald via het ziekenfonds, met een aparte regel op de loonbrief. In 2031 schafte de universiteit het ingangsexamen geneeskunde af, omdat er geen reden meer was om iemand tegen te houden. In 2033 studeerde mijn nicht af als jurist. Ze heeft nog nooit een dossier gezien. In 2034 loste een datacenter in Zeeland de laatste open vraagstukken van de wiskunde op, op een dinsdag. Het stond op pagina zes.
Mama werkt nu bij het Vlaams Woonkrediet. Haar functie heet menselijke eindverantwoordelijke. Ze tekent af wat het systeem beslist, een paar honderd dossiers per dag. Ze wordt er goed voor betaald. De wet eist een mens onder elke beslissing, en zij is die mens. Een stempel met een loon.
‘En gij, Wout?’ vraagt mijn nonkel. ‘Waar zijt ge mee bezig?’
Vroeger vroegen ze wat je van werk deed. Dat is onbeleefd geworden.
‘Met van alles,’ zeg ik.
Bomma vraagt of er genoeg gegeten is.
II. Lente
In maart staat opa recht. In april belt hij.
Ik vraag eerst het codewoord. Dat doet iedereen, een stem bewijst niets meer.
‘Paling in ‘t groen,’ zegt hij. ‘Ik kom naar huis, jongen.’
De zorgrobot heeft zijn valies tot aan de wagen gedragen en hem daarna uitgewuifd. Opa beweert dat hij er triest uitzag.
De behandeling is van vorig jaar. Ze hadden hem op een lijst gezet zonder dat iemand het gevraagd had, zoals dat gaat. Je krijgt een bericht dat er iets hersteld is. Zijn heupen, zijn hart, het trage wegzakken van zijn hoofd: geregeld. Ze hebben zijn cellen teruggezet, naar ergens rond 1995. Hij is eenentachtig, zijn haar wordt weer grijs in plaats van wit, en hij fietst naar de bakker.
Het huis in Mariakerke staat al twee jaar leeg. Niemand had ooit luidop gezegd dat het voor mij zou zijn. Maar mama had het uitgerekend, en ik ook, en mijn tante ook, elk apart, elk met een beetje schaamte. Zo geraak je op mijn leeftijd nog aan een huis. Niet door te werken, want er is niets om voor te werken. Door te wachten tot er iemand sterft.
En er sterft niemand meer.
Opa doet de luiken open en zet de verwarming aan met de draaiknop. Hij gebruikt de lichtschakelaars. Hij heeft de assistent in de keuken afgezet omdat die een mening had over zijn boter. Zijn pensioen loopt gewoon door. Het is ooit uitgerekend op mensen die er tien jaar van zouden genieten. Het systeem heeft de nieuwe som al gemaakt. Geen mens wil het cijfer zien.
‘Ik heb er twintig jaar bij,’ zegt hij als ik help met de gordijnen. ‘Dertig misschien. Wat gaat gij doen met de uwe?’
Hij vraagt het echt. Hij heeft veertig jaar bij de haven gewerkt, een huis afbetaald, twee kinderen laten studeren. Hij kan zich geen leven voorstellen waarin je niets hoeft te verdienen. Ik kan mij geen ander voorstellen.
In mei dien ik een aanvraag in bij het Woonkrediet. Of beter: mijn agent dient ze in bij hun systeem. Ik krijg één woord terug. Niet gematcht.
Ik vertel het niet aan mama. Zij zal het dossier toch zien passeren, tussen de driehonderd andere van die dag.
III. Zomer
In juni komt het bericht van de belastingen. Het is één woord: Geregeld. Opa mist het klagen.
Op een dinsdag in juli komt mama thuis en zet haar tas niet neer.
‘Ik heb niet getekend,’ zegt ze.
Het vervolg lezen? Gewoon even klikken op de link en je komt bij Bart uit, waar de rest van het verhaal staat.












