Zomer!

Ik weet niet hoe het met u zit, maar dat weer maakt me spontaan gelukkig! Echt, dat maakt toch een wereld van verschil met dat druilerige, sombere, kille weer van de voorbije weken?

Ik ga met de fiets naar school, ik geef buiten les, ik lig te lezen in de zon en ik ben zelfs al verhuisd naar de schaduw. Ik draag sandalen, de was droogt weer buiten, en ook de leerlingen lopen een pak vrolijker.

De tuindeuren staan open, de katten lopen binnen en buiten en nestelen zich in de schaduw, ik ben voortdurend mijn zonnebril kwijt en de ijsjes vliegen erdoor.

Oh, en er zijn aardbeien! Nee, nog niet uit eigen tuin want daarvoor is het veel te lang veel te koud geweest, maar wel: aardbeien!

Yup. Blij dat het zomert.

 

Genieten!

Wat heb ik het gemist, dat vrijdagse momentje voor mezelf. Zowel vorig schooljaar als dit schooljaar heb ik op vrijdag gedaan met lesgeven om 12.05 uur. Ideaal dus, om daarna in alle rust op mijn eentje te gaan lunchen in de Villa Ooievaar, het sociale restaurant dat knal tussen werk en woning ligt.

Alleen kwam er natuurlijk corona tussen en was het uit met de pret. De laatste keer was 16 oktober… Intussen had ik een paar keer eten afgehaald voor het gezin, maar dat is absoluut niet hetzelfde.

Intussen zijn wel de terrassen al enige tijd open, maar door het absolute kutweer was daar nu niet bepaald veel mee gewonnen.

Tot vandaag. Vandaag was de eerste dag dat op vrijdag de zon straalde. Ik wilde gisterenavond nog reserveren, maar toen bleek dat hun uren veranderd waren en dat je voor het terras kon bellen tot 16.00 uur voor reservatie, of eventueel een mailtje sturen. Ik besloot het erop te wagen, mailde en kreeg in de voormiddag bevestiging. Jawel, er was nog een plaatsje om half een op het terras, en ik kon probleemloos nog de Griekse kip krijgen.

Met een hart zo groot als de wereld waaide ik het terras op, kreeg een tafeltje toegewezen in de zon, had binnen de vijf minuten mijn eten voor mijn neus, en ik voelde me de koning te rijk. Eventjes terug naar normaal!

Ik zat er zo fantastisch – en had geen deadlines te halen – zodat ik ook maar een koffie en een excellent stuk kaastaart bestelde.

Man, wat heb ik dit gemist, dit vrijdagse zenmomentje!

Yes!

Daarstraks liep er een smsje binnen: de uitnodiging voor de vaccinatie! Hier in Gent krijg je geen vast uur, maar moet je inloggen en kan je zelf kiezen wanneer je gaat.

Ik kwam thuis van het werk, logde in en legde vast voor maandag 14.54 uur. Bart had quasi gelijktijdig zijn uitnodiging gehad, maar in plaats van romantisch samen onze prik te gaan halen, komt hij ’s avonds van kantoor en gaat hij dan langs gaan.

En blijkbaar is het voor ons Moderna, wat ervoor zorgt dat we binnen een maand prik twee moeten halen, 29 juni, een week voor we naar Frankfurt gaan.

Dik in orde, zou ik zo zeggen. Laat die zomer maar komen!

 

Verjaardagsfeestje van Lieze

Een heus verjaardagsfeestje, met een meute kinderen binnen, dat is nog eventjes niet toegestaan. Maar Lieze, Merels beste vriendin al sinds de kleuterklas, werd vandaag 11 jaar. Het cadeautje had Merel al een maand of zo klaarliggen, feestje of niet. Ze was sowieso van plan om dat vandaag mee te nemen naar school, maar gisteren kwam dus de vraag of zij en Julie, de derde in het triumfeminaat, vandaag toch niet wilden komen spelen. Voornamelijk buiten, uiteraard, maar die drie hangen sowieso altijd aan elkaar, zoveel (meer) kwaad ging dat toch niet kunnen.

Merel stond erbij te juichen en vertrok vandaag dus zelfstandig met de fiets, het cadeautje in de fietstas. ’t Is wel een gemak, zo’n groter wordende dochter: ze moet niet meer overal naartoe gebracht worden, ze kan veel zelf.

Enfin, er werd druk gespeeld, gegiecheld, getaterd en vooral ook taart gegeten.

Het wordt stilaan tijd dat het ook voor de kinderen weer eens wat normaler wordt, voor ze er onderdoor gaan, maar een dag als vandaag, dat maakt veel goed. Gelukkig maar.

Lectuur: “The Spring of the Ram” (The House of Niccolò #2) van Dorothy Dunnet

Bij de nummer 1 van deze reeks had ik mijn bedenkingen: Dunnet schrijft schitterend, maar in vergelijking met haar vorige reeks The Lymond Chronicles viel deze wat lichter uit. Het probleem zat hem vooral in het hoofdpersonage: waar je eigenlijk meteen als een blok viel voor Francis Crawford, heeft Nicholas Van Der Poele lang niet diezelfde aantrekkingskracht. De plots zitten nochtans even vernuftig in elkaar, het verhaal is exotisch en goed geschreven, en toch…

Maar ik moet het toegeven: Nicholas wordt intrigerender naarmate het verhaal vordert. Is hij in het eerste boek nog de weesjongen die zich opwerkt van leerjongen tot baas van de ververij, dan krijgt hij hier veel meer vrij spel. Ja, zijn verleden achtervolgt hem nog steeds keihard, hij moet opboksen tegen vooroordelen en achterdocht, maar er komt meer en meer vlees aan het personage. Nicholas en zijn kompanen – of waren het nu toch babysitters? – verzeilen met enige omwegen in Trebizond – het huidige Trapzon in Turkije – dat zowat het laatste Byzantijnse bolwerk is. Hij moet opboksen tegen zijn rivalen en doet dat op een geniale, zij het bij momenten zeer gewaagde manier.

Het grote verschil met Lymond is dat die zich meteen “entitled” voelde, de macht nam en voor de directe aanpak koos. Nicholas heeft helaas dat privilege niet: hij wordt er steeds aan herinnerd dat hij van zeer lage komaf is en dus sociaal geen enkele status heeft. De directe aanpak zou hem meteen de doodstraf opleveren, en hij moet dus indirect te werk gaan. Steeds vraag je je als lezer af: was dit nu zo gepland, of is dit een samenloop van omstandigheden? Is Nicholas nu echt zo geslepen, of is hij toch nog naïef? Of ben je zelf als lezer nu naïef aan het zijn? Heeft hij nu de dood van bepaalde mensen op zijn geweten of niet?

Bij de Lymond Chronicles was het beste boek veruit hetgeen zich in de Levant afspeelde, aan het hof van sultans en emirs. Ook hier kan Dunnet zich helemaal laten gaan in het beschrijven van de Oosterse omgeving, al gaat ze niet zo ver als de vorige keer.

Al bij al levert het een intrigerend, bijzonder goed geschreven verhaal op. Maar, nog steeds: Lymond it ain’t.