Omdat ik van je hou.

Drieëntwintig jaar geleden nam jij me in je armen, en dansten we met gesloten ogen op deze muziek op de dansvloer, helemaal alleen, terwijl er vlot 200 man stond te kijken.
Maar dat, mijn lief, kon me niet deren. Want jij, jij bent nog steeds mijn alles. Omdat ik van je hou.

Voor mijn oud-leerlingen…

Elk jaar opnieuw sta ik met verwonderde blik te kijken naar onze leerlingen die afzwaaien.  Prachtige jongvolwassenen, de ene al wat volwassener dan de andere, die met een grote glimlach onze school de rug toekeren.

Ik weet dat ze nog vaak aan ons terug zullen denken en ons zelfs nog zullen missen, maar voor hen is het een deur die ze achter zich dichttrekken.

Wij, de leraars, wij kijken van op onze stoeltjes toe, wij glimlachen en zien dat het goed is. We denken terug aan die kleintjes die zes – voor sommigen zeven – jaar geleden hier aarzelend en verlegen binnenkwamen en zich onzeker een weg moesten zoeken doorheen het gebouw en het schoolleven.

En nu, nu blaken ze allemaal van zelfvertrouwen, zien ze er stralend uit, en voelen ze zich als een vis in het water.

Over een paar maanden zullen ze aarzelend, ietwat verlegen en vooral onzeker zich opnieuw een weg moeten zoeken door een nieuw gebouw, een nieuw schoolleven. Maar wat zijn ze veranderd die afgelopen zes jaar! Wat een bagage hebben ze meegekregen, wat een andere manier om in het leven te staan!

Wij, wij blijven achter. Dat is wat we doen. We krijgen hen binnen, we vormen hen, leren hen leven, en geven hen door, terug de wijde wereld in. En elke keer weer doet dat een beetje pijn. Geloof me, vraag het aan elke leraar, en die zal dat bevestigen. Want we zien hen graag. Elk op zijn eigen manier. Wanneer je hen dan moet afgeven, dan doet dat iets met je.  Elk jaar opnieuw is dat een afscheid.

Maar we laten hen met alle liefde, met heel ons hart weer los. Vergeten doen we niet, en dat is niet erg. Want we weten dat het goed komt, met die jonge gasten.

Het ga jullie goed, lieverds. En denk nog eens aan ons, wil je?

Familie-etentje

Elk jaar komen we rond Jerooms sterfdatum samen om hem te herdenken. De vorige jaren was dat telkens in de vooravond een jaarmis in Louise-Marie om dan daarna sandwichen te gaan eten bij Nelly.

Uiteraard gaat dat nu niet zomaar, aangezien zij nu in een serviceflat woont. Bart en Koen hebben haar kunnen overtuigen om het bijwonen van de jaarmis te laten vallen – het is niet alsof er nog iemand van de kinderen katholiek is – en gewoon gezellig samen iets te gaan eten in Kruishoutem. Daarna bezoeken we dan het graf van Jeroom, en vervolgens gaan we nonkel nog even ambeteren, want die is nog aan het revalideren in een RVT in Kruishoutem.

Voor mij was er dus een kink in de kabel gekomen door de uitvaartdienst voor Erik, waar ik eigenlijk graag bij was geweest. Maar ik kan me natuurlijk niet in twee splitsen, en Bart had erop aangedrongen dat ik mee ging eten, want dat dat anders niet in goede aarde ging vallen. Dat snap ik.

Ik ben dus inderdaad mee gaan eten, maar ik was er echt met mijn gedachten niet bij, sorry. De locatie – de Zandvlooi in dezelfde straat als de ouderlijke boerderij – was nochtans niet mis, net zoals het eten.

Na het dessert ben ik dan ook naar Antwerpen gereden, waar na de dienst alle larpvrienden uitgenodigd waren in The Geeky Cauldron, het café dat Erik mee heeft helpen inrichten en waar veel larpers kind aan huis zijn.
Er was nog een man of dertig, schat ik, en dat deed deugd.

Ik ben er blijven hangen tot rond een uur of acht, heb toen zijn beste vriend naar huis gebracht, en heb toen nog een paar caches gezocht tot het begon te regenen.

Intense dag, dat zeker.

 

Bedankjes

Het is lang geleden, maar dit jaar heb ik weer bedankjes gekregen van mijn leerlingen. Ik had echt fijne eerstes, al was er aan sommige klassen wel wat werk.
En de laatste week kwam Wout, een van mijn gezellige vrolijke jongens, bij me: hij was in het weekend naar Tongeren geweest, naar het Gallo-Romeinse museum en hij had een houten lat voor me meegebracht. Niet zomaar eentje, natuurlijk, maar een Regula Romana.


Ik heb de hele dag lopen glunderen!

De laatste dag, op vrijdag, kwam een van mijn vijfdes, een van mijn zorgenkinderen, met een kraanvogel af, met een fijne vakantiewens. Meer moet dat echt niet zijn!

Nu even niet.

Mijn leven is momenteel gevuld met een eindeloze reeks futiliteiten, die allemaal energie vragen die ik nu gewoon niet heb. Dus als je me nog iets extra wil vragen en het kan een weekje of zo wachten: graag. Nu gewoon even niet.

Ik ben bezig met de muziek voor de proclamatie, de geocacheroute voor de Final KAMdown, de rapporten en de C-attesten die zwaar op mijn maag liggen, gedoe rond de vervanging van mijn kuisvrouw (die geopereerd wordt aan haar knie), het geregel rond de scoutskampen van de kinderen en meer van dat soort dingen die ik niet kan laten liggen, maar die energie vragen.

Eergisteren had ik een platte band en mocht ik nog de pechdienst vragen en naar de bandencentrale rijden.

En deze hadden we dit schooljaar ook nog niet gehad, maar gisteren zijn we er op de valreep nog in geslaagd: Merel die om half negen (het startuur van school) aan mijn bed staat (ik mocht eindelijk nog eens uitslapen) omdat ze haar zwemzak was vergeten en ze teruggekeerd was en dat ze nu te laat ging zijn en of ik haar wilde brengen. Ik dus in slaapkleed op pantoffels in de auto. Ook goeiemorgen.

Maar al mijn energie gaat momenteel naar mijn vader die opnieuw opgenomen is sinds bijna twee weken en blijkbaar dinsdag de hele afdeling op stelten heeft gezet. Ze hebben hem moeten platspuiten en hij heeft slecht gereageerd op de medicatie, waardoor hij nu tijdelijk in een rolstoel zit en met moeite zelfstandig kan eten. Komt weer goed natuurlijk, maar ik maak me gigantisch zorgen.

En dan is er natuurlijk Erik, een larpvriend die zondagavond uit het leven is willen stappen en die vandaag in het ziekenhuis is overleden. Ik ben al de hele week van slag, ik kan aan vrijwel niks anders denken.

Dus, als je me nodig hebt en het is niet dringend: nu even niet.

Donkerte

Lieverds

als het ooit té donker wordt, als het licht voor jou precies niet meer wil schijnen, als je zelf het eind van de tunnel niet meer ziet, kom dan bij me, bel me, spreek met me, hou me vast, laat me je knuffelen, en laat me vooral jouw kaarsje zijn.

Of laat me tenminste toe bij jou te komen, jou aan te spreken, naar je te luisteren, en wimpel me niet af.

Want er is altijd wel ergens nog een sprankeltje hoop, ook al kan jij het zelf niet meer vinden.

En anders is er ook altijd nog het nummer 1813 of https://www.zelfmoord1813.be/

Er is altijd een luisterend oor. Echt.

De kracht van parfum

Heel lang heb ik maar één parfum gehad, namelijk ‘Trésor’ van Lancôme. Ik ben namelijk heel gevoelig voor geuren en word enorm snel misselijk van het verkeerde parfum. Ik was blijkbaar ook heel herkenbaar door dat parfum. Zo zei een leerlinge me ooit: “Ha mevrouw, ik wist dat u achter mij stond, ik had uw parfum geroken”.

Twee jaar geleden heeft mijn schoonzusje het aangedurfd me een parfum te geven voor nieuwjaar, en het was een schot in de roos: ‘My name’ van Trussardi.

En toen heb ik het aangedurfd er ook zelf eentje te kopen: ‘Sí’ van Armani.

Drie parfums. Voor mij een weelde aan geuren. En ik weet niet hoe het bij u is, of u willekeurig een geurtje kiest ’s morgens, maar voor mij is dat weloverwogen. Heb ik een dag waarbij ik echt braaf moet zijn (mondelinge examens, een receptie, een familiefeest …) dan ga ik nog steeds voor mijn Trésor. Dan voel ik me kalm en bijzonder professioneel.

Mag het al wat assertiever, maar niet té, dan spuit ik  die Trussardi op. De gemiddelde schooldag, niks speciaals.

En moet ik echt stevig in mijn schoenen staan, emotioneel sterk (een oudercontact, een feestje, een groepsontmoeting) dan kies ik automatisch de Armani.

Een verkeerde geur op ’s morgens kan mijn hele dag beïnvloeden.

En u? Maakt dat voor u wat uit? Kiest u ook bewust, of gewoon iets wat u lekker vindt?

Laatste lessen

Laatste lessen van een schooljaar, dat blijft toch altijd iets speciaals. Er is natuurlijk de vragenronde en het afwerken van de leerstof, maar ook het afscheid van de leerlingen.

Sommigen stoppen met Latijn, anderen gaan naar een collega volgend jaar, de vijfdes schuiven gewoon door naar het zesde, maar mijn zesdes… Tsja, die ben ik kwijt. En hoe onnozel het ook moge zijn, ik mis hen elk jaar opnieuw. Ik heb ze twee jaar (drie jaar, vroeger) na elkaar in de klas gehad, en ze zijn zo een beetje van mij, mijn Latijnses. Ik heb hen ook altijd zo hard zien evolueren, volwassen zien worden, zien uitgroeien van onzekere pubers tot (bij momenten) zelfzekere, maar vooral zelfbewuste jongvolwassenen. Oh, soms zijn nog zo’n piepkuikens, soms kunnen ze zo volwassen uit de hoek komen, maar bovenal zijn het de mijne. En ik zie hen graag, telkens weer. Ik denk dat ik anders deze job niet zou kunnen blijven doen, moest dat niet het geval zijn.

Ik geef namelijk niet alleen Latijn aan hen, ik probeer hen ook zo veel andere idiote dingen bij te brengen. En vooral dat het allemaal goed komt. Hoe onzeker ze ook mogen zijn, hoe somber het er soms uit ziet, het komt goed. Echt waar. Ik ben daar het levende voorbeeld van. En zij, zij leren me ook telkens weer een beter mens te zijn.

En dus bakte ik deze morgen om acht uur een taart. Want ja, maandag taartdag, ook in deze klas. Ik geef toe, toen ik hen vorig jaar in het vijfde binnen kreeg, waren ze wat awkward, vooral heel stil, en moest ik er soms aan trekken en sleuren om hen tot leven te krijgen. Nu zijn ze nog steeds braaf en rustig, maar er zit echt wel leven in. Heerlijk verbaal weerwerk bij momenten, diep gezucht bij andere, maar altijd wel antwoorden en opmerkingen. Zoals ik het graag heb.

Ik ga ze missen, mijn zesdekes. En dus bakte ik taart, zoals zij dat het hele schooljaar hebben gedaan.

Het ga jullie goed, lieverds!

Droom…

Soms droom ik ervan een gedeeltelijk gehandicaptenstatuut te krijgen.

Niet dat ik ook maar één euro uitkering wil of een parkeerkaart, nee, ik zou gewoon willen dat mensen mijn rugprobleem au sérieux nemen. Dat mijn bezwaar om te gaan tellen op de verkiezingen – ik kàn niet al die uren zitten – aanvaard wordt. Dat ik niet aan het zeveren ben als ik op de parking van het grootwarenhuis vraag aan iemand om alsjeblief mijn tas in de auto te zetten. Dat ik helaas niet meer mee kan naar een concert of zelfs maar een receptie als ik niet af en toe kan zitten.
Omdat het knauwt aan mijn ego van energieke vrouw dat ik dat niet meer kan, al die dingen. Omdat elke medisch geschoolde die mijn röntgenfoto’s ziet, grote ogen trekt en niet begrijpt dat ik een full time job heb en een huishouden en hobby’s.

Gewoon, dat ik aan mensen kan bewijzen dat het geen plantrekkerij is, dat achter die façade, goed humeur en grote bek wel degelijk bij momenten een hoop pijn schuilt.

En dan dank ik mijn gezin dat zij zelfs geen woord nodig hebben, dat ze aan mijn gezicht voldoende zien dat het niet gaat, dat de kinderen spontaan de volle wasmand naar beneden brengen, en komen aanlopen om de auto uit te legen als ik boodschappen heb gedaan. En dat ze mijn hoekje in de zetel waar ik languit lig, niet als een verworven recht beschouwen maar als een noodzaak.
En dank ik mijn directie omdat die me goed genoeg kennen en er rekening mee houden. En omdat ze weten als ik zeg dat ik iets niet kan, dat dat ook gewoon zo is.

En dus droom ik van zo’n gehandicaptenstatuut, gewoon omdat ik aan mensen zou kunnen bewijzen dat het echt is.

Vooroordelen

Eigenlijk zijn vooroordelen toch een gemeen beest…

Daarstraks reed ik weg van de Delhaize toen ik plots dacht dat ik nog bloemen wilde van de bloemenwinkel die op hetzelfde terrein ligt. Ik sla, nog op het parkeerterrein, rechtsaf, kijk dus opnieuw uit naar een parkeerplaats en rijd vrij traag. Op het moment dat ik links een plekje zie, pink ik naar links en wil inslaan. Op dat moment vlamt een witte sportieve auto me links voorbij, waarbij ik me zowat een ongeluk verschiet én bijna een ongeluk veroorzaak. Geschrokken hamer ik op mijn toeter.

De witte auto stopt een paar meter verder en een jonge gast mét petje stapt uit. “Lap” dacht ik, “dit wordt een geval van verkeersagressie” en ik zet me mentaal al schrap.
Maar nee, de jongeman komt op me toe en verontschuldigt zich uitgebreid. Hij had me naar rechts zien pinken – die pinker moet nog even aangestaan hebben – en dacht dat hij probleemloos links voorbij kon. Het pinken naar links had hij effectief niet gezien. Ik heb me verontschuldigd voor het getoeter en zeg dat ik gewoon gigantisch geschrokken was.

Hij geeft me nog net geen knuffel, lacht breeduit, verontschuldigt zich nogmaals en stapt opnieuw in.

En ik ben een illusie over mezelf armer: blijkbaar ging ik ervan uit dat een jonge gast met sportauto en petje net iets agressiever ging zijn. Tsja…

Met een beschaamd gevoel reed ik naar huis.