Lectuur: “The Trouble with Peace (The Age of Madness #2)” van Joe Abercrombie

Na A Little Hatred, waarbij ik zei dat Abercrombie wellicht nog zijn pionnen in stelling aan het brengen was, wordt dat in dit boek ook volop bewaarheid. Het gaat namelijk fout. Het gaat grondig fout, eigenlijk voor alle personages, al lijkt dat eerst niet zo.

Er zijn een zevental personages die elk afwisselend hun eigen hoofdstukken krijgen en vaak zeer onverwachte beslissingen nemen. Maar daarnaast is Abercrombie ook simpelweg een meester in het vertellen. Soms zie je hem als het ware één lange camerabeweging  maken: hij begint bij een onopvallende passant, waarbij de camera dan overgaat naar een andere figurant die hem passeert, enzoverder. Op die manier bouwt hij de spanning op, geeft hij perfect de omstandigheden van een bepaalde gebeurtenis weer, en komt hij uiteindelijk terecht bij een van zijn hoofdpersonages.

We blijven in de geïndustrialiseerde, vervuilde wereld, maar de gewone arbeiders komen in opstand, met alle gevolgen van dien: wissels van machtsposities, onbezorgde personages die nu een pak verantwoordelijkheden in de maag gesplitst krijgen, verwachtingen die bij inlossing absoluut niet blijken te zijn wat verhoopt werd…
Er wordt ook stevig en bloederig gevochten, Abercrombie schuwt een litertje bloed meer of minder niet en blijft voortdurend zeer realistisch.

Eigenlijk kan je zijn schrijfstijl gewoon filmisch noemen: ik zie het altijd perfect voor me, in Technicolor met alle gore details… En toch zijn zijn personages meer dan voldoende uitgewerkt om overeind te blijven in deze grauwe wereld. Plotgewijs wil ik niks prijsgeven en dan is een bespreking moeilijk, maar toch…

Valt het op dat ik fan blijft?

 

Lectuur: “A Little Hatred (The Age of Madness #1)” van Joe Abercrombie

Toen ik aan Michel vroeg wat hij van zijn boeken die hij het afgelopen jaar gelezen had, zou aanraden, zat daar onder andere dit boek tussen. Mijn wenkbrauwen schoten omhoog: nieuwe van Abercrombie? En ik had dat gemist, of wa?

Meer nog, een heuse trilogie! Net zoals de First Law trilogie en de stand-alone boeken speelt dit boek zich af in dezelfde wereld, maar dan net ietsje later. De hoofdpersonages uit The First Law zijn oud geworden, spelen een rol meer op de achtergrond, maar zijn wel nadrukkelijk aanwezig.

Zoals altijd begint Abercrombie met diverse personages die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben, maar wier leven uiteraard verstrengeld geraakt. Er is de Young Lion Leo dan Brock die een heroïsche toekomst wil uitstippelen maar misschien een beetje overmoedig is; er is Savine dan Glokta – dochter van – die zich weet te handhaven in de hoogste sociale kringen van Adua maar misschien een beetje te meedogenloos is; er is Orso, de zoon van koning Jezal, die geen idee heeft wat de toekomst voor hem in petto heeft en dan misschien een beetje besluiteloos en lui is; er is Rikke, dochter van de Dogman, hoofdman in het Noorden, die geplaagd wordt door the Long Eye en misschien wat roekeloos is; er is Vick, overlevende van de kampen, die van zichzelf een emotieloze pion heeft gemaakt maar misschien een beetje te hard is; er is Gunnar Broad die wanhopig het goede probeert te doen maar misschien een beetje te gewelddadig is…

Uiteraard zijn er nog andere personages, maar de bovenstaande bepalen samen het verhaal waarin vooral het verleden clasht met de toekomst. Je waant je in de wereld van pakweg The Peaky Blinders met een maatschappij die overschakelt op vervuilende industrie, met kindarbeiders, armoede, vervuilde lucht en dergelijke. Met een bovenklasse die dat genadeloos uitbuit en grote sier maakt, en een volk dat dat niet langer pikt.

Meer nog dan de vorige boeken van Abercrombie is dit een politiek spelletje maar ook een stevige dosis maatschappijkritiek. De personages zijn allesbehalve vlak maar maken steevast een persoonlijke evolutie door. Alleen wordt dat in dit eerste boek nog niet zo heel erg duidelijk: Abercrombie brengt zijn pionnen in stelling, schetst de hele samenleving en alle verschillende culturen, en ik ben er zeker van dat die in de volgende boeken grandioos zullen botsen en de personages zonder meer ten onder zullen gaan, waarna er een paar het misschien nog wel weten te overleven.

Ik blijf onvoorwaardelijk fan.

Lectuur: “Jude the Obscure” van Thomas Hardy

Ik lees al graag eens een boek van Hardy of Brönte of Eyre of zo, maar man, wat was dat, zeg? Wat een gigantisch deprimerend boek…

Het is geschreven in Hardy’s onnavolgbare badinerende stijl, uiteraard. En Hardy is eigenlijk altijd al vrij somber van toon, als je pakweg kijkt naar Far from the Madding Crowd of Tess from the d’Urbervilles. Zijn personages hebben het nooit makkelijk, vechten tegen de goegemeente en vooral tegen zichzelf. Maar dit is een boek waar je niet meteen vrolijk van wordt. Ik kan me voorstellen dat het destijds ook echt veel ophef heeft veroorzaakt: het is ronduit atheïstisch of eigenlijk meer nog antitheïstisch, het spreekt openlijk over scheiden en heeft duidelijke seksuele verwijzingen, met een naturalistische inslag.

Jude is een jongeman van zeer bescheiden komaf, zoals dat dan heet, met een scherp verstand en een tomeloze ambitie om te gaan studeren. Maar dan komt het leven – en vooral de vrouwen en zijn eigen driften – ertussen en gaat het mis. Keer op keer. Hij trouwt diep ongelukkig, slaagt erin te scheiden, bouwt een relatie op met de vrouw van zijn dromen, krijgt met haar zelfs twee kinderen die hij dan ook op bijzonder tragische wijze weer verliest, verliest dan ook haar en komt dan opnieuw in zijn eerste, ongelukkige relatie terecht. Berooid, ongelukkig, zonder ooit te hebben kunnen studeren, sterft hij. In alle obscuriteit, zonder iets na te laten.

Eind goed al goed? Het zal toch niet bij deze Hardy zijn. Ik geef het toe, bij momenten had ik het lastig om verder te lezen, want het was bij momenten echt wel deprimerend. En toch wilde ik weten hoe het zou aflopen: het kon toch niet allemaal kommer en kwel zijn? Jawel dus.

Maar als het een iets heeft opgeleverd, dan is het wel dat je je gelukkig voelt met wat je zelf hebt, dat je dankbaar wordt voor jouw eigen leven. En dat is eigenlijk toch ook al heel wat.

Lectuur: ” Ιλιάς” van Homeros

Toen ik zowel de Women of Troy, de Penelopiad als de Song of Achilles las, viel me opnieuw keihard op hoe zeer ik door de jaren beïnvloed was door de versie van de film Troy: ik wist aan geen kanten meer hoe het precies zat met de relatie Achilles-Patroklos, hoe Hector precies aan zijn eind komt, enzoverder.

Ik vond het dus hoog tijd om na dertig jaar de Ilias nog eens te herlezen. Man… Ik heb me daar serieus aan mispakt, om eerlijk te zijn. Ik dacht: ik lees dat wel eventjes op een dag of drie. Bleek het in de schitterende Engelse vertaling van Robert Fagles om 683 pagina’s te gaan waar ik meer dan drie weken zoet mee ben geweest.

En het boek zelf? Dat was zoals ik het me herinnerde: veel gedetailleerde gevechten, een opsomming van alle helden, weinig karakteriële diepgang, relatief bloederig en nogal macho. Als in: de vrouwen spelen ook effectief geen enkele rol, zelfs niet in de achtergrond. Helena wordt vernoemd, en uiteraard ook Chryseïs en Briseïs, maar dat is het wel zowat.

Maar ik snap wel dat het nog altijd, na bijna 3000 jaar, tot de verbeelding spreekt. Het is nog steeds goed geschreven, het verhaal van Achilles en Patroklos spreekt tot de verbeelding, de relatie tussen Achilles en zijn moeder Thetis ook, net zoals het slechte karakter van de Olympische goden en hun eeuwig geruzie. De relatie Zeus-Hera is er overigens ook eentje die een relatietherapeut kan gebruiken…

Ik ben blij dat ik het herlezen heb, al heb ik af en toe toch even op de tanden moeten bijten. Maar ik kan mijn leerlingen in het vijfde jaar nu tenminste weer de correcte versie vertellen.

Lectuur: “The Song of Achilles” van Madeline Miller

Toen ik The Women of Troy aan het lezen was, was deze op mijn Goodreads radar verschenen, met een zeer hoge score. Toen ook Michel hem aanraadde, werd het meteen het volgende boek op mijn lijst. En heel terecht: een ongelofelijke aanrader!

Het is het bekende verhaal van Achilles, maar dan verteld door Patroclus, zijn zielsgenoot, zijn onvoorwaardelijke liefde. Daarin zit het grote verschil met alle andere verhalen: waar Homeros in het midden laat welke relatie die twee hebben, waar de film Troy resoluut elke zweem van homoseksualiteit afzweert, trekt Miller hier voluit de kaart van de liefde. De twee jongens kennen elkaar van toen ze een jaar of tien waren, zijn samen opgegroeid en hebben een liefde die enkel in verhalen voorkomt. Of zoals een lezer op Goodreads opmerkte: “De reden waarom ik dit soort boeken eigenlijk niet graag lees, is dat het me doet verlangen naar een onmogelijke liefde”.

Ja, Achilles verwekt een zoon wanneer hij 15 is, maar dat is eerder een ‘accident de parcours’: de twee zijn elkaar onvoorwaardelijk trouw, hebben geen geheimen voor elkaar,

Het tragische is natuurlijk dat je weet hoe het afloopt. Dat je weet wie er wanneer sneuvelt, en dat jouw personages dat aanvoelen maar niet beseffen. Dat je ziet hoe ze elkaars hart beheersen, hoe zelfs dan hun liefde niet door iedereen onvoorwaardelijk aanvaard wordt – zoals door Achilles’ goddelijke moeder Thetis – en hoe ze onvermijdelijk hun dood tegemoet gaan.

Dit boek is fantastisch geschreven, meeslepend, intens, en gewoon ronduit mooi. Ging ik eerder nog ‘The Women of Troy’ aanraden aan mijn leerlingen, dan staat deze nu met stip bovenaan. Gisteren zei ik enthousiast tegen een van mijn vijfdejaars, van wie ik weet dat ze graag en veel leest, dat ze dit moest lezen. Ik kreeg een monkeltje terug: “Ik heb het hier liggen, mevrouw. En ik heb het al een keer of drie herlezen”. Ik had het moeten weten.

Lezen!

Lectuur: “Brideshead Revisited” van Evelyn Waugh

Blijkbaar was deze per ongeluk van de BBC-lijst met klassiekers gedonderd: er stonden er maar 98 meer op, en de nummer 26 was verdwenen. Zo’n ongelezen boek in het midden van mijn lijst, dat kon ik toch niet zomaar laten staan, en dus nam ik het met veel gusto ter hand. En nee, het heeft me niet teleurgesteld.

We zitten in Engeland in het interbellum, in de gegoede en zelfs bijzonder rijke klasse met kastelen als dat van Downton Abbey, en ik kon zo de pracht en praal en de kleren al voor mij zien. Het kasteel in kwestie is deze keer Brideshead, de thuishaven van Lord en Lady Marchmain, hun zoon Lord Brideshead en de rest van de Flyte familie. Ja, die overerfbare titels, daar moet een mens soms wel zijn hoofd bij houden.

Hoofdpersonage is Charles Ryder, ook van gegoede afkomst en dus op zich niet verplicht om te werken, die zich probleemloos handhaaft in die hoge kringen. Hij studeert in Oxford en leert er de jonge dandy Sebastian Flyte kennen. De twee kennen een onwaarschijnlijke vriendschap waarbij het eigenlijk in het midden gelaten wordt of ze ook een seksuele kant heeft, maar waarbij dat helemaal niet onvoorstelbaar is. Charles leert ook de rest van de familie kennen en brengt de zomer door op Brideshead, met Sebastian. Maar Sebastian ontwikkelt zich tot een heuse alcoholist en Charles raakt hem kwijt als vriend en verliest daarmee ook het contact met de rest van de familie.

Een aantal jaren later, wanneer Charles een gevestigd schilder is, ongelukkig getrouwd en vader van twee kinderen, komt hij onverwacht toch opnieuw in contact met de Flytes. Op die manier komt hij ook weer op Brideshead terecht, waar Sebastian al jaren niet meer is geweest: het verhaal verschuift naar diens zus Julia. En uiteindelijk, jaren later, tijdens de oorlog, komt hij onverwacht weer oog in oog te staan met de locatie van een groot deel van zijn jeugd.

Waugh kan ongelofelijk goed vertellen, maar deinst er niet voor terug om zijn fantastisch charmante personages ook een heel egoïstische, kille kant mee te geven, en zijn kille personages toch een sympathieke draai te geven. Het geheel zorgt ervoor dat je meeleeft met de personages, dat je af en toe schrikt van bepaalde reacties, maar dat je het ook jammer vindt wanneer hij sommige personages zonder meer uitrangeert. De achtergrond zijn the roaring twenties waarbij duidelijk wordt dat de geprivilegieerde klasse haar privileges snel aan het kwijtspelen is, een gouden wereld met bediendes en chauffeurs en feesten die nooit meer terugkomt.

Uiteindelijk is dit een dieptragisch verhaal, over weggegooide levens, verspilde kansen, gedoemde liefdes, onoverbrugbare sociale verschillen en de verwoestende invloed van religie.

Ik kan al niet wachten om de serie te bekijken uit 1981 die van Jeremy Irons een beroemdheid heeft gemaakt. Nostalgie naar een tijd die je niet eens zelf hebt meegemaakt: het bestaat.

Lectuur: “Magnus” van Arjen Lubach

Ik kende Arjen Lubach van zijn uitstekende satirische programma “Zondag met Lubach”, waar hij bijtende satire heerlijk grappig verpakt. Ik wist helemaal niet dat de man eigenlijk schrijver was, en dan nog een begenadigde.

Toen Wolf zei dat hij “Magnus” ging lezen voor Nederlands, zette ik het boek meteen op mijn eigen leeslijst, en daar heb ik absoluut geen spijt van. Lubach kan schrijven, zoveel staat vast. In hoeverre hij daarvoor uit zijn leven put, is niet duidelijk, maar zeker is dat er een behoorlijk aantal autobiografische elementen in zit.

Merlijn Kaiser is toneelschrijver en epilepticus, maar zijn leven wordt voornamelijk gedefinieerd door zijn relatie met Caro. Wanneer zij hem verlaat – het is te veel hetzelfde met hem – zakt hij weg in een depressie, al heeft hij dat zelf niet eens door. Wanneer iemand van Mastercard hem plots belt over onverwachte uitgaven in Zweden, haalt dit hem uit zijn impasse: hij trekt totaal impulsief naar Stockholm om zelf te proberen achterhalen wie de dief van zijn creditcardgegevens is. Wanneer hij met enige moeite de man effectief ook opspoort en niet alleen kennis maakt met hem maar ook met diens dochter, meet hij zichzelf een valse identiteit aan en blijft hij niet de geplande week, maar meteen een half jaar. Met de nodige implicaties en consequenties natuurlijk.

Lubach zet tegelijk een verhaal neer van ontoereikendheid, grijsheid en depressie en een relaas van een avontuur dat tegen wil en dank romantisch blijkt te zijn. Het hoofdpersonage is vooral kritisch tegenover zichzelf, maar ook zeer herkenbaar in zijn procrastinatiegedrag, zijn ontwijken van verantwoordelijkheid, zijn onwil om volwassen te zijn.

En de plot? Die lijkt op het eerste zicht onrealistisch, maar dan toch weer niet, zodra alle plotlijnen samenkomen. Wat ik ook heerlijk vond, is dat je duidelijk merkt dat dit geen vertaling is, maar een authentiek Nederlands boek, terwijl je toch zelden merkt dat het Noord-Nederlands is. Slechts af en toe sluipt er een woord of een zinswending in die niet in beide Nederlandstalige landen courant is. Ik ben vooral ook fan van Lubachs stijl: ik kan hem niet precies omschrijven, maar het is ongedwongen, ongeforceerd mooi Nederlands. Niet het barokke van een Hertmans, niet het platte proza van zo veel would-be schrijvers. Het zegt wel iets dat ik het boek op twee dagen heb uitgelezen en vannacht blijven lezen ben tot kwart voor twee, tot het uit was.

Aanrader? Jazeker. En gegroeid respect voor Arjen Lubach. Met een e.

Lectuur: “Of Mice and Men” van John Steinbeck

(Zoals gezegd: nog wat in te halen qua lectuur.)

Dit was een dun boekje, amper 75 pagina’s, maar man, wat laat dit een impressie na zeg!

Ik kende het toneelstuk, al was dat bijzonder lang geleden en wist ik niet meer precies hoe het ging. Ik kende ook al Steinbeck van zijn “Grapes of Wrath” en wist dus al op voorhand dat het niet bepaald een komedie ging zijn. En toch…

Het principe is simpel: George en Lennie zijn twee loonwerkers op het Californische platteland, goh, ergens tijdens de Grote Depressie, vermoed ik. Ze leven van job naar job: putten graven, oogst binnenhalen, alle mogelijke klussen. Vrolijk word je er niet van, en rijk ook niet. Ze hebben nochtans een droom: zelf ergens een klein boerderijtje kopen waar ze net van kunnen leven, met varkens, schapen, kippen en vooral ook een paar konijnen. George probeert voor hen beiden te sparen, maar makkelijk is dat niet, want Lennie is… hoe moet je dat noemen? Verstandelijk gehandicapt? Een ongelofelijk sterke reus waar geen kwaad in zit, maar die zijn eigen kracht niet kan inschatten. Wanneer hij een puppy krijgt om voor te zorgen, aait hij het beestje dood.

Al van in de eerste regels voel je de dreiging in dit boek: het zal fout gaan. Hoe of wat, dat weet je nog niet, maar fout gaan zal het. Naarmate er personages geïntroduceerd worden, weet je ook al: dit zijn de personen met wie het fout zal gaan. En jawel…

Vernieuwend is dat dit boek geschreven is als roman, maar perfect kan opgevoerd worden als toneelstuk, zonder dat het moet herschreven worden. Er zijn maar een paar locaties, er zijn maar een paar echte personages, en er zijn uitstekende dialogen. En er is vooral die beklemming. Dat het dan ook al meermaals verfilmd is, hoeft geen betoog.

Heel, heel terecht een klassieker, en ja, dus ook een aanrader. Maar opnieuw: vrolijk word je er niet van.

Lectuur: “Oathbringer” (The Stormlight Archive #3) van Brandon Sanderson

Ik blijf nog even bij de lectuur: ik zit wat achter qua besprekingen en aangezien ik nog in quarantaine zit, is er hier niet zo veel te melden…

Na nummer 2 is ook nummer 3 uit deze reeks een stevige klepper van maar liefst 1280 bladzijden, maar eigenlijk kan je er ook niet echt in schrappen, denk ik. Soms lijken bepaalde passages overbodig of niks met het verhaal te maken te hebben, maar later wordt daar dan toch weer naar verwezen of zat er een detail in dat toch belangrijk wordt.

Over de plot kan ik eigenlijk weinig zeggen: Sanderson heeft een heel eigen wereld, een heel eigen universum gecreëerd, zodat alles wat ik erover zou zeggen, compleet bizar zou lijken voor wie de eerste boeken niet heeft gelezen.

We krijgen – gelukkig – nog steeds dezelfde drie hoofdpersonages, maar een aantal nevenpersonages treedt steeds meer op de voorgrond, ook al leken ze in de eerste boeken insignificant. En ja, zoals vanouds zijn er ook enkele gesneuveld, zo hoort dat, en bij sommige vind je dat jammer, bij andere is het eerder van “Oef!”. Alleen zit er niet bij elk personage evenveel evolutie in. Waar Shallan en vooral Dalinar veel meer ‘vlees’ aan het personage krijgen, en je bij Dalinar meer en meer inzicht in zijn verleden en zijn karakter krijgt door onder andere verhalen uit zijn verleden, is Kaladin eerder statisch. Jammer, want hij is sowieso getormenteerd – ook dat hoort zo – en eigenlijk een van de meer intrigerende personages. Tsja.

De plot zelf neemt intussen epische vormen aan: er zitten een paar stevige WTF?’s tussen, de goden blijken geen goden te zijn, of net wel, naast de fysieke wereld is er intussen ook een deel in de schaduwwereld, en de mensen moeten een groot deel van hun gebied afstaan aan de parshmen.

Sanderson is, zoals in zijn andere reeksen, een meester in het opbouwen van vreemde werelden. Ja, als je die ten gronde zou analyseren, ben ik er zeker van dat je een aantal inconsistenties en misschien zelfs gaten zou vinden. Mij zijn ze in elk geval niet opgevallen, en ik ga voluit voor het leesplezier. En is er ergens iets dat niet helemaal klopt, dan veeg ik dat met de glimlach onder de mat. Want ik ga uren – letterlijk, uuuuren – weg van deze wereld richting Roshar niet laten vergallen door details. Ik geniet.

Lectuur: “The Penelopiad” van Margaret Atwood

Ik lees al graag eens een boek van Margaret Atwood: het staat buiten kijf dat het mens kan schrijven. Toch was ik geen fan van dit boek, als ik eerlijk ben. Het kwam door Goodreads dat dit onder mijn aandacht kwam, en ik dacht: “Waarom ook niet? Ik heb nu net de twee Women of Troy gelezen van Pat Barker, waarin je het verhaal van Troje krijgt door de ogen van Briseis. Waarom dan niet het verhaal van de Odyssea – of toch ongeveer – vanuit het standpunt van Penelope? Het is ook maar een klein boekje, zo’n 200 pagina’s.”

Wel? Nee, niet echt. Atwood laat Penelope vertellen vanuit de hedendaagse onderwereld, waarin het hoofdpersonage bij momenten verwijst naar smartphones en dergelijke, en dat slaat echt als een tang op een varken. Penelope vertelt ook hoe de zeden vroeger anders waren, alsof zij als persoon de huidige maatschappij zou kunnen vatten. Niet dus.

Op zich valt er ook niet zo heel erg veel te vertellen, natuurlijk. Terwijl Odysseus twintig jaar weg was, zat zij thuis, met een een opgroeiende zoon, een nijdige schoonmoeder, een angstige schoonvader, een bemoeial van een voedster en een reeks ongemanierde meiden die over de schreef gaan. En in de laatste jaren ook 120 ‘vrijers’. Eerlijk? Ik vind dat Atwood er allemaal heel licht over gaat, ze gaat er nergens echt dieper op in. Die vrijers, die worden eigenlijk met moeite genoemd, en al zeker niet bij naam. Het lijkt wel alsof Penelope aan het kampvuur haar verhaal vertelt en het allemaal heel licht en luchtig moet blijven.

Atwood doet nochtans haar best om er de sfeer van een Griekse tragedie in te brengen door er regelmatig een koor van de twaalf meiden in te steken. Soms is dat geslaagd, soms ook echt niet. Het blijft een feit dat het een beetje bizar is in de Odyssea dat Odysseus naast de vrijers ook die twaalf meiden ophangt, maar om daar nu een gans verhaal van te maken?

Nee, dit is geen boek dat ik ga aanraden, om eerlijk te zijn. Een klein tussendoortje, maar zeker niet beklijvend.