Dit jeugdboek was er ook eentje voor de Kleine Cervantes, de Gentse boekenjury.
Ik vond het in het begin nogal vreemd: het is niet meteen duidelijk wie er aan het woord is, wat dat is met die Oever – het blijkt een persoon te zijn – en waarover het gaat. Pas beetje bij beetje wordt dat duidelijk, maar ik vrees dat sommige minder geoefende lezers – lees: jongeren die het verplicht moeten lezen – tegen dan al afgehaakt zijn.
Jip moet een zelfportret maken voor de tekenles op school, maar slaagt daar maar niet in, hoewel die echt wel goed kan tekenen. De voorkeur daarvoor gaat uit naar insecten en dan vooral kevers, vandaar ook de tekening op de boekomslag. Jip is dan ook echt gefascineerd door kleine beestjes. Maar ook door de nieuwe jongen in de klas, en vooral door Oever, die jammer genoeg verhuisd is en die op die manier gewoon verdwenen is. Oever had nochtans de hele wereld van Jip veranderd…
(Let op, spoiler).
Wat ook niet meteen duidelijk is, en duidelijk zo bedoeld is, is dat Jip eigenlijk een meisje is. In jongenskleren. Met jongenshobby’s. En die nochtans wel op jongens valt. Pas op het einde beseft ze dat ze eigenlijk gewoon liever een jongen zou zijn.
Dit is dus duidelijk een boek over het worstelen met genderidentiteit, met verliefd zijn, met queer zijn… Maar zoals ik ergens las: “Dit is wel echt een goed voorbeeld van een boek dat is geschreven met de hoop op een Gouden Griffel en dat bedoel ik niet als compliment. Ik bedoel dat dit een kinderboek voor volwassenen is en daar kan ik niks mee.” Onze leerlingen hadden ook een beetje dat probleem, en niet iedereen vond het even goed. Toch vond ik het wel iets hebben, ja. Ik kan me voorstellen dat sommige jongeren zich hier heel hard in zullen herkennen, hopelijk een duwtje in de rug krijgen en zich niet meer alleen met hun problemen voelen.
En dan is wat mij betreft een boek wel geslaagd, ja.







