Dit was een van de boeken van de Kleine Cervantes, en nee, het lag me niet zo. Pas op, ik vond het niet slecht, maar er is beter. De rest van de juryleden bij ons sabelde het genadeloos neer: er was niemand die het goed vond.
Ik vermoed dat het is omdat het een beetje afstandelijk is geschreven, bij momenten. Je wordt als lezer niet echt meegesleept in het verhaal, vond ik.
Het speelt zich af ergens in de jaren 50, in een fictieve Vlaamse (of Nederlandse) stad. Barend is een weesjongen met een gave voor tekenen, en daarom wordt hij opgepikt door Meester Pieter om voor diens veilinghuis te komen werken. En dan wordt duidelijk dat daar meer aan de hand is, want er is een manier om door de tijd te reizen. Meester Pieter laat hem – en anderen – naar het verleden teruggaan om er verloren kunstwerken te redden, kunstwerken die anders toch geen rol meer zouden gespeeld hebben in de geschiedenis. Maar Barend wordt ziek van dat reizen, en telkens zieker en zieker… En waar zijn zijn voorgangers, de vorige tijdreizigers, naartoe?
Samen met Lize probeert hij de duistere kantjes van het hele gegeven te achterhalen, en samen zoeken ze ook een uitweg.
Het boek liet me wat op mijn honger zitten. Ik vond de premisse schitterend, maar laat dit eens uitgewerkt worden door pakweg een Sanderson? Het bleef wat te vrijblijvend, te veel losse eindjes, te weinig diepgang in de personages. Wat gebeurt er met de zwendel van het veilingshuis? Waarom zit Lize daar? Of een van de andere kinderen?
Mja. Veelbelovend, maar voor een kritisch fantasy- en science fictionlezer net niet.

