Lectuur: “Queens’ Play” (The Lymond Chronicles #2) van Dorothy Dunnet

Schreef ik over boek 1 van de Lymond Chronicles nog dat ik moeite had om erin te geraken, dan was dit aansluitende boek helemaal geen probleem.

Let op: spoiler voor boek 1!

We zitten ietsje verder en Lymond is helemaal gerehabiliteerd, zij het nog niet helemaal genezen. Mary de Guise, the Queen Dowager vraagt hem om haar dochter in Frankrijk te beschermen: Mary Queen of Scots is zeven jaar oud en verloofd met de Franse Dauphin. Om die reden verblijft ze aan het Franse hof. Maar er zijn heel veel partijen die er baat zouden bij hebben om haar uit de weg te ruimen: jaloerse troonpretendenten, Ierse verzetsstrijders die de oorlog tussen Engeland en Frankrijk opnieuw willen zien oplaaien, Engelsen die haar liever willen zien trouwen met de Engelse kroonprins en, als dat niet kan, haar nog liever dood willen…

Francis stemt toe, maar dan wel in een vermomming, wat ronduit hilarische slapstick oplevert. Aan de andere kant zit er ook iets diep tragisch in zijn dekmantel: wie is de echte Lymond? De edelman die in alles zijn rigide zelfbeheersing behoudt, gewapend met scherpe tong, of de ollave Thady Boy die alle remmingen loslaat en het hele Franse hof op stelten zet?

Tegelijk blijft er de onderstroom van intrige: wie is degene die de aanslagen op de kleine Mary pleegt? En kan Lymond haar wel beschermen?

Meer ga ik hier niet zeggen zonder de plot weg te geven, maar waar Lymond in het eerste boek bijzonder koud, hard en bij momenten onsympathiek overkomt, laat de auteur hem hier al vaker zijn menselijke kantjes blootgeven. Pas op, hij blijft mensen gebruiken zoals het hem uitkomt, ruïneert levens, springt achteloos om met gevoelens, maar deze keer weet je als lezer dat hij zich daar maar al te goed van bewust is, maar oordeelt dat zijn principes en doelen belangrijker zijn dan emoties.

Je krijgt dan ook vaak intense discussies tussen Lymond en zijn vrienden, waarin zij hem uiteindelijk ook bevestigen: “You did the right thing”. Al is ‘vrienden’ misschien wel een groot woord: Lymond laat zich vooral bewonderen, laat mensen verliefd worden op hem, laat hen zich opofferen voor hem, maar houdt zelf altijd afstand en geeft zich emotioneel niet bloot. Hij is en blijft alleen, een welbewuste zij het eenzame keuze.

Dunnet heeft het aantal citaten gevoelig teruggeschroefd, al blijft het leuk om dingen te herkennen. Zo vraagt iemand spottend over Lymond of hij, stomdronken, eigenlijk nog wel leeft, waarop de ander antwoordt: “Vivit et est vitae nescius ipse suae”, een citaatje uit Ovidius Tristia I 3, iets wat ik met mijn leerlingen lees.
Deze keer komt er ook een vleug Gaelic bij, maar het meeste kan je echt wel uit de context afleiden.

Een boek, niet voor de snelle, oppervlakkige lezers, maar voor wie wel graag eens een kluifje heeft. Schitterend qua intrige, ingebed in historische realiteit, met ongelofelijk veel spanning – ik heb vannacht doorgelezen tot half drie – en een stevige portie psychologie. En, jawel, de nodige slapstick bij momenten.

Valt het op dat ik dit boek graag gelezen heb?

Lectuur: “The Game of Kings” (Lymond Chronicles #1) van Dorothy Dunnet

Het is eigenlijk voor deze boeken dat ik besloten heb om geen reeksen meer te bespreken, maar aparte boeken, want deze verdienen het echt om een aparte beoordeling te krijgen.

Dit was me aangeraden, maar ik wist duidelijk niet waar ik aan begon: het heeft me 200 bladzijden gekost om er echt ‘in’ te geraken, maar toen kon ik het boek ook echt niet meer loslaten.

Het zegt veel over het boek dat er een apart compendium voor bestaat. En dat het wel zo handig is als je naast Engels ook Latijn, Spaans, Duits, Middelengels en Schots kan. En dat ik duidelijk mijn Rabelais en consoorten moet opfrissen.
Dame Dunnet is ongelofelijk belezen en het hoofdpersonage, Francis Crawford of Lymond, Master of Culter, speelt dan ook volop met zijn kennis. De citaten vliegen je om de oren, en gelukkig kan ik zonder enige moeite Frans, Latijn en Duits vertalen en weet ik ook wel het Spaans te begrijpen. Het Middelengels en het Schots, maar ook de immens uitgebreide Engelse woordenschat worden me gelukkig voor een groot deel aangeleverd door de ingebouwde Oxford English Dictionary, en ook Wikipedia die standaard op mijn Kindle zitten.
Maar dat wil niet zeggen dat ik alle citaten zomaar kan thuis brengen, jammer genoeg. En om er telkens weer google bij te halen, daar heb ik ook geen zin in.
Aan de andere kant is het net dat belezene dat me wel heel erg aansprak.
Het (fictieve) verhaal is dat van ene Francis Crawford of Lymond in de zestiende eeuw, een Schotse edelman, tweede zoon uit de Culter familie. Hij is erin geslaagd om zichzelf buiten de wet te laten stellen door zijn acties, terwijl hij eigenlijk in de strijd tussen Schotland en Engeland toch wel een belangrijke rol heeft gespeeld. Mede daardoor heeft hij een bende outlaws rond zich verzameld waar hij als absolute leider het land mee afschuimt. Maar er zit meer achter, zo veel meer… En zijn enige doel is zichzelf – en zijn familie – rehabiliteren.
Ik heb er geen idee van hoeveel opzoekwerk Dunnet heeft verricht voor deze historische fictieroman, maar het moet de moeite zijn geweest: zowat alle personages zijn dan ook echt en de politieke situatie is ook zeker historisch correct. Het vraagt ook wel enige moeite om mee te zijn en te blijven, vooral ook door de cryptische omschrijvingen en omsluierde uitspraken van de personages. Dunnet strooit met personages als Mary Queen of Scots, Mary de Guise Queen Dowager, Earl of Lennox, Lord George Stewart of Douglas, en het vergt wel wat concentratie om te blijven onthouden dat Sir George, de oudste Stewart, de broer van Lennox of Lord Douglas eigenlijk één en dezelfde persoon is.
Maar de intrige zit ongelofelijk goed in elkaar, bijzonder ingenieus, en ook al weet je dat het goed – enfin, toch in zekere mate – zal aflopen en dat Lymond het wel zal overleven, toch zit er gigantisch veel spanning in. Denk Game of Thrones, maar beter. Veel beter. En in de tijd vlak na Henry VIII.
Is het hoofdpersonage sympathiek? Ik ben er nog niet helemaal uit. Hij is jong, knap, atletisch, ongelofelijk intelligent, maar ook arrogant, koud, hard, beschadigd, gewetenloos en macchiavellistisch. Hij gebruikt mensen, en tegelijk zit er ook iets onzelfzuchtigs in. Ik weet het niet, maar ik weet wel dat ik met heel veel goesting aan boek twee ga beginnen.

Lectuur: “Gods of Blood and Powder” (trilogie) van Brian McClellan, samen met de kortverhalen

Ik denk dat ik eens alle boeken die ik lees, apart ga beginnen bespreken: het is soms jammer om een hele reeks in één keer te bespreken, en in deze coronatijden waarin een mens niks speciaals doet, is het ook al ne keer, goh, moeilijker om onderwerpen te vinden. ’t Is niet alsof we veel uit ons kot komen…

Maar deze is dus toch weer de bespreking van een trilogie. In februari had ik de eerste trilogie gelezen van Brian McClellans Powder Mage en was ik zeer begeesterd.

Ik heb daar toen alle kortverhalen bij gelezen die uiteindelijk ook in twee boeken gebundeld zijn. Er zaten echt korte verhalen bij, sommige waren bijna 90 bladzijden lang, maar allemaal gaven ze wel wat extra info over de personages uit de eerste trilogie. Niet dat ze allemaal even sterk zijn, die kortverhalen, maar dus wel aangenaam om lezen.

En toen was er de tweede trilogie die zich een tiental jaar na de eerste reeks afspeelt. De focus is verschoven naar een van de nevenpersonages uit de eerste reeks, met daarnaast een nieuw personage en een personage uit een van de kortverhalen, The Mad Lancers. Ook in de vorige boeken kreeg je een voortdurende wissel van POV (point of view), maar het absolute hoofdpersonage komt hier begrijpelijkerwijs niet meer voor.

Gelukkig komt een van de meer intrigerende personages, Taniel Two-Shot, hier wel weer uitgebreid aan bod, zij het niet als POV. De logica van de wereld is ook helemaal doorgetrokken, en het is dus een dikke aanrader om eerst die eerste trilogie te lezen voor je aan deze boeken begint.

Het blijft ook mooi om die verschillende standpunten te zien: soms worden bepaalde gebeurtenissen zelfs uit de verschillende standpunten belicht zodat je een totaal ander en vooral vollediger beeld krijgt.

Het echte hoofdpersonage is deze keer Vlora Flint, een van de officieren uit de vorige reeks, die hier aan het hoofd staat van een huurlingenleger in Fatrasta, ver van haar thuisland. Ze moet het hoofd bieden aan een grimmige vijand maar tegelijk vooral ook interne problemen zien op te lossen én een bijzonder ingrijpende gebeurtenis zien te voorkomen.

Daarnaast is er Michel, een nieuw personage dat bijzonder gelaagd blijkt te zijn, na een eerste antipathieke indruk, en dat zich willens nillens in de hoogste politieke sferen bevindt.

En dan is er Ben Styke, of zoals ik ergens las, “The Logan Ninefingers van Fatrasta”, een absolute moordmachine die blijkbaar toch veel meer een geweten heeft dan hij laat blijken.

Alles samen zorgt dit opnieuw voor een uiterst geslaagd geheel met een weldoordachte plot, bijzonder spannende momenten, goed uitgewerkte personages en toch nog het nodige mysterie.

De eerste twee boeken, Sins of Empire  en Wrath of Empire kregen van mij nog 4 sterren, Blood of Empire, als kroon op het verhaal, toch wel vijf. Ik heb ze opnieuw in een razend tempo uitgelezen…

 

Lectuur: “Far from the Madding Crowd” van Thomas Hardy

Tussen alle fantasy ben ik dus gestaag ook de klassiekerslijst van de BBC aan het afwerken, en ik ben wel fan van wat negentiende-eeuwse Britse schrijfsels, ja.

Van Thomas Hardy had ik tot hiertoe enkel Tess of the d’Urbervilles gelezen, lang geleden, en ik herinner me dat ik dat wel dik in orde vond. Ik begon dus eigenlijk met vrij hoge verwachtingen aan dit boek, en, goh, die zijn deels ingelost.

Hardy’s schrijfstijl ligt me wel: die typische lange beschrijvingen en verbale omzwervingen, dat mag zeker van mij. Zijn karaktertekening, daarentegen, ben ik minder fan van. Hij beschrijft zijn vrouwelijke hoofdpersonage, Batsheba, als onafhankelijk en vrijdenkend, en tegelijkertijd laat hij haar toch als een dom wicht in de paternalistische val lopen. Idem voor Gabriël: ook hij zou een uitzonderlijk personage moeten zijn, maar is tegelijkertijd bijzonder conformerend. Maar het kan ook zijn dat ik dat met een iets te hedendaagse blik bekijk, en dat hun gedrag eigenlijk voor die tijd al bijzonder non-conformistisch was.

Het verhaal is eigenlijk vrij simpel: Gabriël, een verstandige jongeman met eigenlijk behoorlijk wat tegenslag, wordt verliefd op de zelfstandige Batsheba en helpt haar een eigen boerderij te runnen. Zij beweert dat ze nooit zal trouwen, maar wanneer ze sergeant Troy tegen het lijf loopt, trouwt ze halsoverkop met hem. Met de nodige fatale afloop voor haar geluk, zoals te verwachten. Tegelijk is er ook nog een derde persoon die meer dan hartstochtelijk verliefd is op haar, een rijke herenboer Boldwood, en die begint toch wel behoorlijk bizar stalkergedrag te vertonen.

Soit, zoals te verwachten draait een en ander met de nodige peripetieën nog goed uit, na een hoop verzuchtingen en gezwijm.

Nee, dit is niet mijn favoriete boek uit die tijdsperiode. Niet dat ik het tegen mijn zin gelezen heb, maar bij momenten was het toch echt wel clichématig en met een plot die niet zou misstaan in een stationsromannetje.

Wat dan wel weer hielp, is dat er een verfilming bestaat met Mathias Schoenaerts als Farmer Oak, en ook al heb ik die niet gezien, ik kon er me wel het een en ander bij voorstellen. Toch eens bekijken, als het eens past.

Lectuur: The Powder Mage trilogy van Brian McClellan

Ik had opnieuw zin in wat fantasy, maar dan liever niet het middeleeuws gedoe, maar eens iets anders. De reeks van The Powder Mage was me meermaals aangeraden: toverij maar dan wel in een fictieve Napoleontische setting waarbij de legers musketten gebruiken, buskruit, kanonnen en dragonders, en waar de heren bakkebaarden hebben en de vrouwen korsetten. Alhoewel… net zoals bij Sanderson is de helft van het leger hier vrouwelijk en staan er evengoed vrouwen aan het hoofd van allerlei afdelingen. Blijkbaar is er zelfs een naam voor het genre: ‘flintlock fantasy’.

Er zijn ‘gewone’ tovenaars, Privileged, die hun kracht halen uit “the Else” en daarvoor handschoenen moeten dragen, willen ze zich niet verbranden. Maar er zijn dus ook de Powder Mages, personages die blijkbaar een enorme affiniteit hebben met buskruit. Wanneer ze buskruit opsnuiven of inslikken, zien ze veel scherper, zijn ze sneller en sterker en kunnen ze bijvoorbeeld een kogel een paar kilometer voortstuwen. Daardoor zijn zij zowat de enigen die Privileged kunnen uitschakelen.

Het hoofdpersonage, Tamas, is zo’n Powder Mage. In zijn jonge jaren werden die nog volledig verguisd, maar Tamas weet zich dankzij zijn krachten en vooral zijn tactisch en politiek inzicht op te werken tot veldmaarschalk. Alleen is hij niet bepaald opgezet met de manier waarop de koning het volk behandelt en zet hij een revolutie op poten. En daarbij krijgt hij natuurlijk af te rekenen met een hoop onverwachte factoren en elementen. Hij is overigens niet het enige personage: we krijgen verschillende standpunten te zien, zowel Tamas, zijn zoon Taniel en een speurder Adamat. Daarnaast komen er vreemde goden aan bod, is er dus die tovenarij en een hoop politiek gekonkel, een heuse invasie van een ander land, misverstanden, vreemde creaturen…

De wereld zit knap in elkaar, het is eens wat anders dan zwaarden en pijlen – lees: musketten en sabels – en het is bijzonder vlot geschreven. Ik moet toegeven: ik ben er helemaal voor gegaan en het tweede boek, toch 615 pagina’s, heb ik gewoon op één vakantiedag uitgelezen. Meeslepend en spannend, zo heb ik mijn boeken graag. Nochtans was ik na het eerste boek nog niet helemaal verkocht: goed, dat wel, maar niet bijzonder, dus drie sterren. Het tweede kreeg er vlotjes vijf, de verhaalopbouw is meesterlijk. Ook het derde is bijzonder goed. Aansluitend ga ik de twee verzamelingen kortverhalen lezen, die McClellan geschreven heeft in de wereld.

Ik heb net gelezen dat het verfilmd zou worden, en dan ga ik zeker en vast kijken. Al was het maar om weg te dromen bij het personage van Taniel…

Lectuur: “Honderd jaar eenzaamheid” van Gabriel García Márquez

Dit was er eentje van mijn lijst van klassiekers uit zowel de BBC-lijst als de Big Read.

Toen ik op voorhand meldde dat ik dit ging lezen, kreeg ik daar behoorlijk wat commentaar op, gaande van zeer positief tot een aantal mensen die hem absoluut niet uitgelezen kreeg. Enkele mensen die me vrij goed kennen, waarschuwden me dat ik er een kluif aan ging hebben. Maar het boek is niet voor niets een klassieker, dus ik ging ervoor.

Hmmm.

Als ik nog één keer de naam José, José Arcadio of Aureliano hoor, ga ik gillen, denk ik. Ik heb niks tegen magisch realisme, wel integendeel, maar hier had ik bij momenten zin om een stamboom op te stellen om toch maar de verschillende personages uit elkaar te kunnen houden. Het zouden er al genoeg geweest zijn moesten ze allemaal verschillende namen hebben gehad, maar als je meerdere, soms zelfs gelijktijdige personages krijgt met dezelfde naam, dan wordt het een beetje moeilijk. Naar het schijnt zit er standaard een stamboom in de meeste uitgaven, maar dat is een van de weinige nadelen aan een ebook: het bladert niet zo eenvoudig.

Enfin, ik heb me er bij momenten toch wel een beetje moeten doorheen worstelen. Het is dan ook bijna een stream of consciousness die meandert over de verschillende generaties heen, met vooral heel veel liefdesintriges en bizarriteiten. Nu, ik ben een fantasy lezer, die bizarre dingen storen me allerminst. Maar soms lijkt het wel een beetje op een soap, met van die kleine cliffhangers en goedkope plotwendingen. Waar ik het ook lastig mee had, was dat Márquez bepaalde gebeurtenissen beschrijft die achteraf absoluut niet gebeurd blijken te zijn. Ik weet wel dat het net voor een stuk om die lotsbestemming gaat, maar toch…

Ik kan eigenlijk wel begrijpen dat sommige mensen dit een prachtig boek vonden, maar mij kon het niet echt bekoren. Slecht is het niet, maar ik heb al beter gelezen. Ik heb er ook tien – weliswaar drukke – dagen over gedaan, en dat is eerder uitzonderlijk bij mij.

Hmmm.

Nope.

Lectuur: “Het tij hoog, de maan blauw” van Jolien Jantzing

Een tijdje geleden bladerde ik door de Standaard der Letteren – ik krijg die wekelijks van ons pa – toen mijn oog viel op een Nederlandstalig boek, meer bepaald een historische roman over Adrien de Gerlache en zijn Antarcticareis met de Belgica, en parallel het verhaal van Léonie Osterrieth, zijn Antwerpse geldschieter.

Geïntrigeerd las ik de bespreking en besloot om ook effectief het boek te lezen. Het leunt namelijk helemaal aan bij de larp Aether die ik beginnen spelen ben: steampunk in een interbellumwereld, waarbij mijn vorige personage zich begaf in salons en geld probeerde in te zamelen voor, jawel, een poolexpeditie.

Eigenlijk is het hoofdpersonage niet eens de Gerlache, maar wel de rijke weduwe Léonie. Ze omringt zich met kunstenaars, avonturiers en andere interessante personen in de salons die ze geeft in haar stadspaleis op de Meir. Daar leert ze dus ook Adrien de Gerlache kennen, de veel jongere ambitieuze poolreiziger. Er bloeit een innige vriendschap tussen de twee, waarbij het vooral voor Léonie jammer is dat hij qua leeftijd haar zoon zou kunnen zijn.

Na veel moeite en gelobby vertrekt de Belgica, en Léonie droomt ervan om mee aan boord te zijn, wat voor een dame van haar leeftijd en in haar positie totaal onmogelijk is. Maar dan stoppen de brieven… Wat gebeurt er met de Belgica? Waarom blijft het schip zo lang weg?

De expeditie van de Belgica was me niet onbekend, en ook de naam Roald Amundsen zal bij velen wellicht een belletje doen rinkelen. Jantzing heeft zich dan ook in allerlei bronnen verdiept, waaronder niet in het minst de correspondentie van Osterrieth met de Gerlache en daar een mooi boek uit gepuurd.
Naar mijn mening geeft het boek echt wel goed de sfeer van de Antwerpse salons weer, maar ook de bittere armoede die er bij de gewone bevolking heerste. Daarnaast krijg je, volgens Jantzing zelf toch, een accuraat beeld van de expeditie, gebaseerd op alweer de brieven van de Gerlache maar ook het dagboek van Amundsen.

Het dompelde me meteen onder in de Aethersfeer en dat had ik wel eens nodig, ja, aangezien we nu al een jaar zonder larps zitten… En daarnaast is het ook gewoon goed en vlot geschreven.

Oh, en geef toe: die boekomslag is toch om van te snoepen?

Lectuur: “En finir avec Eddy Bellegueulle” van Edouard Louis

In december was Wolf bij mij gekomen met een zekere wanhoop in zijn ogen: hij moest een aantal hoofdstukken lezen uit een Frans boek, en het lukte hem aan geen kanten. Vooral zijn gebrek aan woordenschat speelt hem parten. We hebben ons dan samen in de zetel geïnstalleerd en samen gelezen, waarbij hij telkens aangaf waar hij vastliep. Tsja, als je al niet zo sterk bent in talen en niet graag leest, dan is zoiets echt wel een zware opdracht, zeker als er veel spreektaal in verwerkt zit.

Maar mijn interesse was gewekt door het vijftal hoofdstukken: wat een boek! Zo hard!

Toen dus mijn reeksje van de Codex Alera uit was en ook dat Nederlandstalige, nam ik dit Franse boek ter hand, en dat heeft me geen seconde gespeten.

Maar man, wat een hard boek zeg! Het heeft wel enkele dagen door mijn hoofd gespookt, ja. Eerst dacht ik trouwens dat het zich een honderdtal jaar geleden afspeelde, denk aan ‘Peaky Blinders’. Maar blijkbaar is het begin de jaren 2000, heel recent dus. Het verhaal speelt zich trouwens af in Noord-Frankrijk, nog niet eens zo ver van ons vandaan, en dat maakt het net zo confronterend.

Eddy vertelt namelijk over zijn jeugd in een van de armste, meest achtergestelde dorpen van Frankrijk. Een raam dat breekt, wordt vervangen door een stukje karton. Het weinige geld dat er is, gaat op aan goedkope pastis, en als je als man geen alcoholist bent, is er iets mis met jou, want hoe ga jij dan om met je miserie? Meisjes verlaten heel vroeg de school omdat ze zwanger zijn, een toekomst is er niet. De wereld die Louis schetst, is bijzonder ruw, rauw, en lijkt zo weggelopen uit een film van de gebroers Dardenne of Ken Loach.

In dat milieu wordt Eddy geboren, een jongetje dat al van kleins af heel erg vrouwelijk is in uiterlijk, gedragingen, gebaartjes, stem en speelgoedvoorkeuren. Eddy is nog geen tien als hij al perfect weet dat hij afwijkend is, dat hij homo is, en dat dat in zijn milieu absoluut niet aanvaard wordt. Hij wordt gepest, mishandeld en uitgescholden, zelfs door volwassenen. Voor hem is er al helemaal geen toekomstperspectief, en hij probeert ook echt om een ‘dur’ te worden, een echte man. Quod non.

Zijn ouders proberen wanhopig hem aan een meisje te koppelen, maar dat loopt faliekant af. Alleen op het einde is er een sprankeltje hoop…

Ik moet zeggen, lang geleden dat ik nog zo’n rauw boek gelezen heb. Het deed me in zekere zin denken aan The Grapes of Wrath, ook al zo’n verhaal van extreme armoede en uitzichtloosheid. Maar ik kon het bijna niet wegleggen, terwijl ik bij The Grapes of Wrath soms moeite had om me erdoor te worstelen.

Een aanrader? Heel erg. Maar je gaat er wellicht even niet goed van slapen.

Lectuur: “De passievrucht” van Karel Glastra van Loon

Wolf moest dit boek lezen voor Nederlands en dus las ik het maar meteen mee. Awel, ik moet het toegeven: we konden het beiden wel smaken, ja. Het is geen wereldtopper, maar blijkbaar wel een internationale bestseller, prijswinnaar, vertaald in massa’s talen en zelfs verfilmd. Ho hum.

Het verhaal is vrij eenvoudig qua concept: wanneer Armin tien jaar na de dood van zijn eerste vrouw met zijn huidige vriendin een kind wil en dat niet blijkt te lukken, stelt hij vast dat hij onvruchtbaar is en dat al altijd is geweest. Allemaal goed en wel, maar hij heeft wel een zoon van dertien.
Compleet van zijn sokken geblazen gaat hij op zoek in het verleden van zichzelf en van zijn vrouw, vastbesloten om te ontdekken wie de vader van zijn kind dan wel is.

Maar daarbij komt er natuurlijk een hoop vragen naar boven. En wil hij daar wel altijd het antwoord op weten? Want: zodra je iets weet, durf je al wel eens wensen dat je dat nooit te weten gekomen was. Armin stelt zich daarbij vooral de vraag wat hem nu precies een vader maakt. Is de zoon die hij al dertien jaar liefdevol heeft opgevoed, zijn zoon? Of moet hij er nu afstand van nemen? En kan of mag hij dat aan Bo zelf vertellen? Zijn genen dan echt zo belangrijk?

Intussen loop je door Amsterdamse straten en verdwaal je op de Waddeneilanden, een oer-Hollandse sfeer die tegelijk toch vertrouwd aandoet voor iedereen met een puber in huis.

Een aanrader? Goh… Ik heb er zeker geen spijt van dat ik het gelezen heb, maar er zijn zo veel boeken die eigenlijk nog beter zijn. Al is De Passievrucht zeker niet slecht.

Lectuur: “The Codex Alera” van Jim Butcher

Jim Butcher kende ik al langer: zijn Dresden Files verslind ik met een ongeziene gretigheid, zo vlot zijn die geschreven. Waarom dan ook niet een van zijn andere reeksen lezen? De Codex Alera, bestaande uit zes boeken – Furies of Calderon, Academ’s Fury, Cursor’s Fury, Captain’s Fury, Princeps’ Fury, First Lord’s Fury – werd me links en rechts wel aangeraden, maar niet met veel overtuiging, had ik de indruk.

De premisse vond ik nochtans hilarisch: het verhaal gaat dat iemand Butcher uitdaagde om een verhaal of serie te schrijven waarin zowel de Romeinen als pokémons zijn verwerkt. Challenge accepted, zei Butcher, en hij schreef dit. Ik heb gigantisch genoten, ik moet het zeggen zoals het is: fantasy van de bovenste plank.

Het verhaal speelt zich af in een wereld waarin de samenleving is gebaseerd op de Romeinen: de burgers staan boven de rest, er is adel, en vooral: er zijn legioenen met centurions en alles erop en eraan, compleet met gladius en lorica. Maar waarin zit dan het grote verschil? Wel, de furies uit de titel. Elke persoon in Alera kan in minder of meerdere mate beroep doen, naarmate hij opgroeit, op een soort van oerkrachten, min of meer gelinkt met de vijf elementen. De adel beheerst zelfs alle soorten furies in hoge mate, wat hen dan ook de adel maakt. Zo kan een krachtige beheerser van windfuries stormen oproepen, maar ook vliegen en zichzelf verhullen. Aardemeesters – ja, ik vond er ook redelijk wat van Avatar in terug – kunnen ganse muren oproepen door de aardefuries aan te sturen, enzoverder.
De krachtigere vrije mensen worden de Knights in het leger, maar Butcher heeft duidelijk nooit zelf Latijn gedaan of heeft compleet lak aan de taal, want er zijn wel de Knights Aeris  en Knights Flora, maar hij heeft het ook over de Knights Ignus of Knights Ferrous. Ugh.
Maar als dat zowat mijn enige puntje van kritiek is, dan zit het wel goed, toch?

We volgen doorheen de zes boeken het verhaal van Tavi en hoe hij opgroeit en meegezogen wordt in de gebeurtenissen. Meer ga ik daar niet over zeggen wegens spoilers en al.

Maar verder heeft het echt alle klassieke kenmerken van een fantasy verhaal: een held tegen wil en dank, fysiek minder dan de rest en dus aangewezen op zijn intelligentie, verschillende soorten vijanden waaronder een hive mind, reddingen op het laatste nippertje, de wereld die zal vergaan, vrienden die hem steunen door dik en dun, een goeie vleug niet-expliciete seks, tegenkanting van de gevestigde waarden. Maar Butcher deinst er ook niet voor terug om duizenden mensen te laten sterven in oorlogen, zijn personages genadeloos af te maken en de nodige gruwelen in beeld te brengen. De ‘realiteit’ is nergens verbloemd.

Enfin, ik heb de reeks bijzonder graag gelezen: het is fijne fantasy, goed geschreven en met een goed samenhangende wereld. En die Romeinen, dat is voor mij een pluspuntje, jawel.