The Church

Dat het lang geleden was, zo nog eens op date night met mijn liefste. Hij had voor ons een coronaplekje gereserveerd in The Church, het pop-up restaurant in de prachtige kerk van het Monasterium in Gent. Ik kende de locatie nog van lang geleden, van een trouwfeest, maar was er sindsdien niet meer geweest.

Ze hebben de locatie in elk geval schitterend aangepakt, en ook meteen coronaproof, want de tafels zijn anderhalve meter breed. Niet meteen iets voor een intiem tête-à-tête, maar wel lekker veel plaats. Verder is er heel veel groen, zowel qua planten als qua belichting, maar met aandacht voor alle religieuze componenten.

En het eten? Goh… Zeker niet slecht, maar niks waar we echt wild van werden, zeker niet voor die prijs. Mooi gepresenteerd, maar niet echt verrassend. Wat ik wel fijn vond, waren de verschillende soorten groenten in aparte kommetjes.

Maar bon, het belangrijkste was dat we een fijne avond hadden én om half tien al gewoon weer thuis waren ^^

 

 

Luxemburg stad

Nee, ik ben niet zelf naar Luxemburg gegaan vandaag, die eer laat ik aan Wolf. Die had namelijk de eerste competitiematch waar hij zich klaar voor voelde. Dat hij dan maar twee keer drieëneenhalf uur op de bus moest, dat nam hij er met plezier bij.

Al bij al was hij twaalf uur onderweg voor een match van 80 minuten, maar hij zag er zichtbaar tevreden uit. Hij had een goeie match gespeeld, zei hij, 80 minuten op het veld gestaan in de positie van flanker, nr. 7. Hij is misschien niet zwaar genoeg voor het pack, maar aan de andere kant is hij sterk en vooral zeer wendbaar. In het begin, vertelde hij, durfde hij niet zo goed: probeer maar eens een kerel van bijna 2 meter te tackelen! De vorige match die hij speelde, leverde hem na 20 minuten een zwaar verstuikte voet op, je zou van minder bang zijn. Maar na een tijdje verdween zijn angst en is hij er vol voor gegaan. Het heeft hem schouderklopjes van de rest van het team – de meesten een jaar ouder en meer ervaring, want Wolf heeft door blessures al heel veel gemist – opgeleverd en de terugrit heeft hem dan ook vrienden bezorgd.

Ik vermoed dat hij dat een beetje nodig had: na alle rug- en rugbyperikelen was zijn zelfzekerheid een beetje weg. Maar bon, hij is terug, hij speelt vol overgave en hij doet dat niet slecht.

Een bespreking van de match is trouwens hier te vinden, in het Luxemburgse nieuws.

Half Mereldagje

Nee, geen halve Merel, wel een half dagje. Merel had vandaag namelijk pedagogische studiedag en was dus thuis. Ik was dat niet, tenminste niet tot één uur ’s middags. Gelukkig had Bart zijn agenda herschikt en was hij thuis met onze dochter. Hij ging normaal gezien ook koken, maar ik had haar ervan gesproken om eventueel samen te gaan eten in Villa Ooievaar, mijn vaste vrijdagse lunchplek, en uiteraard wilde ze liever op restaurant gaan.

Iets over één waaide ik dus binnen, en daar zaten ze al, mijn grote liefdes. Ik moest verschrikkelijk lachen met Gwendolyne, een van de vrijwilligers die er helpt: “Oh, is dat uwe man? Goh, ik vond dat al zo ne knappe man! Maar zeg het hem niet hé!”

We aten op het gemakje, en toen reed Bart naar huis met het restorestje – want het was zoals altijd veel te veel – en reden Merel en ik door naar de Ikea. We hadden namelijk nog wat extra borden nodig, ik wilde nog zo’n houten rolgordijnplank – ik kan het echt niet beter uitleggen – voor in de zetel en een vloerbeschermer voor in de game room. En uiteraard was er nog massa’s andere brol die we mee hadden, zoals gewoonlijk. En was er ook taart in de verder vrij lege eetzaal van de Ikea.

We repten ons naar huis en pikten Kobe op om hem naar Evergem naar de fagotles te voeren, en meteen reden we ook nog even door naar de Zeeman voor nieuwe leggings en een onesie en zo.

Thuis is ze dan meteen gezellig onder een dekentje in de zetel gekropen, helemaal happy. En ik helemaal moe :-p

 

 

Koor, opnieuw

In februari, kort voor de lockdown, zat ik er een beetje door. Ik had er genoeg van, kon niet veel meer verdragen, had geen zin meer in niks. Lesgeven was op zich geen probleem, maar al het gedoe errond, nee dank je.

En als je zo op de rand van een inzinking staat, dan knip je in alles wat extra energie vraagt, om eerlijk te zijn. Eén daarvan was mijn koor. Ik zing dolgraag, maar we zingen behoorlijk moeilijke dingen en dus kruipt daar veel energie in. Nu was er ook net een nieuwe tenor bijgekomen door wie ik bij momenten compleet de mist in ga: die mens zingt met overtuiging, maar ook met overtuiging soms foute noten, en dan ben ik mijn kluts kwijt en val ik eruit in de studeerfase. Wanneer ik een stuk goed ken, is dat geen probleem meer, maar ik ben gewoon aan Stefan naast mij, een verdomd goeie zanger die ook altijd zijn inzet feilloos heeft, en daar wringt het bij mij. Zodra ik vertrokken ben met een zanglijn, kan hij op mij leunen.

Een en ander leidde ertoe dat ik dus uit het koor ben gestapt in februari. Helaas op een niet erg elegante manier: ik wilde dat zelf zeggen aan de dirigent, maar er waren voortdurend mensen die hem ook iets te melden hadden. En eigenlijk ging hij een soortement auditie afnemen van twee nieuwe mensen. Toen ik er dus alsnog tussen wilde, werd ik afgesnauwd door een van die nieuwe: dat zij wel zaten te wachten, hé, al lang, en dat ik er dus niet moest tussen kruipen. “Goed”, heb ik gezegd, “geen probleem, veel plezier dan, ik kom voorlopig niet meer terug en ga dus ook het concert niet meer meezingen. En ik zal dan wel zien in september of ik nog terugkom of niet. Salu!” Ik heb me omgedraaid en ben met tranen in de ogen weggelopen. Geen idee wat de reacties waren, ik heb ook niks meer gehoord. En toen was er de lockdown en was het sowieso gedaan met zingen en concerteren.

In september ben ik dan met een klein hartje teruggegaan, maar ik werd meteen met open armen ontvangen. Sommigen keken me een beetje vreemd aan – ik neem het hen absoluut niet kwalijk – maar de meesten waren zeer verwelkomend. En Stefan was heel rechtuit: “Blij dat ge terug zijt, maar zijt ge zeker? Want we moeten wel op u kunnen rekenen hé, de vorige keer hebt ge ons gewoon in plan gelaten”.  Ik heb iets geantwoord van “Ge hebt nu twee nieuwe toch?” maar heel fair was dat niet als antwoord. Hij is mijn zangmaatje en ik mis het ook als hij een repetitie niet kan komen.

Soit.

Ik ben weer aan het zingen en het doet deugd.

Geniaal…

Daarstraks hoorde ik Merel iets vertellen tegen Bart, en ik lag gewoon strijk!

Oordeel zelf…

“Papa, er was een groot probleem op school, maar we kunnen met de vriendinnen niet naar elkaar sms’en, en we wilden een boodschap doorgeven, maar we hebben er iets op gevonden: we hebben het op een briefje geschreven en doorgegeven!”

Stel je voor, zeg!

Lectuur: Mistborn Trilogy van Brandon Sanderson

Deze had ik eerder moeten leren kennen, om eerlijk te zijn. En als ik eerlijk ben, is ze me ook wel vaak aangeraden, ja. Maar ach, er is zo veel om te lezen, toch?

Deze trilogie vond ik zalig, al was de tweede soms wat traag. De wereld waarin Vin opgroeit als straatkind/wegwerpmeisje/boefje, is ’s nachts altijd gehuld in een dikke, vreemde mist waar mensen bang van zijn. Tenminste, de gewone werkmensen die niet veel beter zijn dan slaven. De adel is ook niet zo gek op die mist, maar de angst is een pak kleiner. Overdag valt er geregeld as uit de lucht, als gevolg van een aantal actieve vulkanen.
En dan zijn er nog de Mistings en de Mistborn, zij die over speciale gaven beschikken door bepaalde metalen in te slikken en ze te ‘verbranden’. Over dit alles regeert de Lord Ruler met ijzeren hand.

Maar Vin komt terecht in een compleet andere groep die de tirannie wil omverwerpen, en beetje bij beetje leert ze hen én zichzelf te vertrouwen…

Het eerste boek, The Final Empire, maakt je wegwijs in deze bijzonder knap in elkaar gestoken wereld, waarin alles eigenlijk gewoon klopt en je geen gaten kan vinden. Het verhaal wordt vakkundig en soms razend spannend opgebouwd en je leeft helemaal mee met het hoofdpersonage.

Boek twee, The Well of Ascension, vond ik iets minder omdat de climax op het einde van het vorige boek moeilijk kon geëvenaard worden, én omdat de twee hoofdpersonages – Vin heeft er intussen een lief bij – voortdurend aan zichzelf en hun beslissingen twijfelen. Er is veel meer gefilosofeer, de spanning is wat weg, maar de personages blijven heerlijk. En de achtergrondspanning wordt wel opgedreven maar komt in dit boek niet tot een oplossing. Een beetje een tussenboek, als het ware.

Boek drie, The Hero of Ages, is dan wel weer bij momenten zeer spannend, maar soms voelt het wat alsof de schrijver niet goed wist welk einde hij zijn saga moest geven en er af en toe dan maar een deus ex machina bij haalde. Aan de andere kant krijg je nu wel het gevoel dat zelfs de kleinste details uit boek 1 eindelijk op hun plaats vallen: qua wereld is het quasi uniek hoe consistent alles is. In elk geval las dit boek dan weer als een sneltrein…

Ik vind ze een dikke, dikke aanrader: toegankelijke fantasy, vrij vlot geschreven en vooral geen speld tussen te krijgen.

Er zouden nog drie boeken zijn, maar in een andere periode maar wel dezelfde wereld. Ik ga eerst iets anders lezen en dan deze opnieuw opnemen, kwestie van de anticipatie wat op te drijven.

Ooievaar, maar met twee

Op vrijdag durf ik zo al ne keer lunchen in Villa Ooievaar, dat had u wellicht al door.

Het (enige) leuke aan de hele coronacrisis is dat Bart nu vaker thuis werkt: zijn setup voor online meetings is hier veel beter, en hij wordt tenminste ook niet gestoord.

Vandaag zag hij het dus zitten om mee te eten in de Villa Ooievaar, tot mijn grote vreugde, ook al moest hij daarvoor wachten tot één uur en had hij de ingang niet meteen gevonden. Tsja, het is dan ook een kasteeldomein dat wat van de weg af ligt.

Gisteren lunchen met een fijne vriendin, vandaag lunchen met mijn lief: ik word verwend!