Sorrento: dag twee

Het werd opnieuw een luie ochtend met een laat ontbijt, zodat we voor de middag ook niet veel deden, behalve lezen, zwemmen – de kinderen dan toch – en in mijn geval bloggen. Bart was al om negen uur een paar baantjes gaan zwemmen.

Tegen half een daalden we opnieuw af naar het stadje om daar in een van de talloze restaurantjes iets te eten. Het was oké, maar ook niet meer dan dat. Gans Sorrento is één grote afwisseling van restaurantjes en souvenirwinkeltjes, bij voorkeur met citroenen. Denk Rue de Boucher, maar dan de hele stad.

Soit, we wandelden terug naar boven en begonnen meteen aan een heus avontuur: ik had gezien dat er een cache vlakbij ons hotel lag. Vlakbij dan toch in vogelvlucht, want in verticale meters was dat wat anders: de tocht ging naar een kapel met eerst 14 stadia van een Via Dolorosa, en dat was in mijn geval ook letterlijk te nemen, helaas. Het hele weggetje was een kwestie van trappen en steile klimmetjes en dat was er voor mij duidelijk te veel aan: ik heb halverwege, met pijn in het hart en een gekwetst ego, moeten opgeven. Maar wat wil je: ik weeg vlotjes 30 kilo te veel, heb een conditie onder het nulpunt, ben intussen de 50 gepasseerd, heb een serieus pijnlijke voet waarvoor ik net een zware pijnstiller had genomen, en het was ook nog eens 32°. Tsja… Ik wilde echt nog wel verder, maar toen het me begon te duizelen en ik moest gaan zitten, kon ik niet anders dan mijn conclusies trekken. Hmpf.

Bart en de kinderen zijn wel verder omhoog gegaan, hebben de cache gevonden en hebben foto’s voor mij genomen. En dan zijn ze verder gegaan, de wandeling die ik had uitgestippeld, maar dat bleek nog veel hoger en veel steiler te zijn, dat had ik sowieso niet aangekund. Ach ja… Zij hebben er deugd van gehad, en ik ben voorzichtig en rustig weer naar beneden gegaan en ben in het hotel in de airco op bed gaan liggen, mijn voet en mijn ego laten rusten.

Toen ze weer thuis waren, rond een uur of vijf, zijn de kinderen opnieuw gaan zwemmen en tegen acht uur waren we nog eens beneden in Sorrento om te gaan eten: opnieuw een toeristenrestaurantje, uiteraard, maar deze keer wél een uitstekende keuze. Mijn tagliolini carbonara waren in elk geval meer dan uitstekend!

En wat kunnen we dan nog beter doen om de dag af te ronden dan een ijsje eten? Ha voilà!

Sorrento: dag één

Ik heb gewoon als een blok geslapen, serieus. Bart was al op om half zeven – die verandert meer en meer in zijn vader – en was gaan lezen in de grote tuin beneden. Tegen half negen was ik ook wakker, tegen kwart voor tien zaten we met zijn allen aan het uitgebreide ontbijt.

De voormiddag was er eentje van niksen, van zwemmen voor de kinderen, van bloggen en plannen maken en routes uitstippelen voor mij. We hadden het plan opgevat om ’s middags iets te snacken in de lounge, daar lagen gisteren in de vooravond bruschetta met tomaatjes, kaasplankjes, van die snedes wraps, dat soort dingen. Wel, dat viel gelijk tegen, want ’s middags kan je daar enkel wat kleine knabbeltjes vinden, niks substantieels.

We daalden dan maar af richting ’t stadje via een in het begin zeer charmant paadje met trappen dat allengs smeriger werd en uiteindelijk er meer uitzag als een open riool, jammer genoeg. Maar we kwamen aan een brede straat uit en verzeilden op het terras van een delicatessenzaak waar we elk een grote foccaccia caprese bestelden: man, nog nooit zo’n lekkere mozzarella gegeten! Bleek dat ze die zelf maakten, vandaar. Het was ook gewoonweg te veel, jammer genoeg, en spotgoedkoop, want voor 40 euro hadden we alle vijf gegeten en een flesje water gedronken.

We trokken een ietsje verder om een cache te zoeken die meer omhoog lag, en jawel, een klein watervalletje, een Mariabeeld, een trap naar omhoog en een bijzonder charmant plekje. Dik in orde.

Daarna trokken we de toeristenval Sorrento in, maar we moeten niet spreken want we liepen er zelf ook. Er werden waaiers gekocht – soms moet dat – en prachtige zichten bekeken en blij gewezen dat we niet zo ver naar beneden moesten, nog een cache gevonden en ijsjes gegeten.

En toen ging het via de plaatselijke Carrefour terug richting hotel, waar de kinderen quasi onmiddellijk het zwembad indoken, Bart iets later baantjes ging trekken in het lounge zwembad en ik prompt languit op het bed ging liggen. De rug gedraagt zich meer dan behoorlijk, de voet doet dan weer behoorlijk veel zeer, maar bon, dat verdragen we dan wel weer. Het maakte wel dat ik niet mee ging zwemmen maar de voet liet rusten.

Tegen zeven uur trokken we opnieuw het intussen nog veel drukkere Sorrento in, keken wat rond en vonden een precies redelijk authentiek restaurantje met duidelijk 100% artisanale pizza’s, geen Engels – of toch nauwelijks – en een bediening van grommelende omaatjes. We zaten er heerlijk en vooral ook afgeschermd van het gewemel.

En toen was het welletjes en trokken we opnieuw naar boven, naar ons hotel.

Een vermoeiende dag, vooral ook heet, maar wel heerlijk.

Op weg naar Sorrento

Dat het toch pokkevroeg is, zo opstaan om vijf uur als ge dat niet gewoon zijt…

Maar bon, iedereen was toch wakker en om zes uur werden we opgehaald door een taxibusje, zodat we iets voor zeven in de vertrekhal stonden. Het inchecken ging wonderwel vlot zodat er echt nog meer dan tijd genoeg was om rustig te ontbijten.

Ook de douane ging bijzonder snel – alleen Wolfs deo werd in beslag genomen wegens te groot voor handbagage – en toen zaten we nog een uur aan de gate. En het is niet alsof dat echt goeie stoelen zijn, maar kom.

De vlucht viel al bij al mee: echt misselijk werd ik gelukkig niet, en zelfs de lange taxirit van Napels naar Sorrento vormde geen probleem, tot mijn grote verbazing. Het eerste stuk is namelijk wel autostrade, maar ter hoogte van Pompeii ga je eerst naar een relatief grote baan door verscheidene tunnels, maar daarna moet je echt door kleine dorpskerntjes en zo, en het laatste stuk was zonder meer file. Ugh.

Maar het Hilton ligt bijzonder prominent in Sorrento, halverwege de heuvel, en het uitzicht is ongemeen prachtig. Ze noemen de Vesuvius hier “De Koning” en ik snap dat wel: hij is ongelofelijk dominant over de hele Baai van Napels. Je gaat hier nog stapels Vesuviusfoto’s zien passeren, sorry!

We checkten in, maar enkel de kamer van de kinderen was al beschikbaar.

We aten dan maar iets kleins aan het zwembad, zagen dat de kamers meer dan in orde waren, en ik deed prompt een stevige tuk. Dat reizen, en dan bedoel ik echt de verplaatsing, is echt niks voor mij.

De kinderen, die overigens hun eigen kamer op een andere verdieping hebben, gingen intussen zwemmen, Bart zat in de executive lounge boven op het terras, en het leven was best mooi.

En om half acht zaten we opnieuw op een terras, maar dan dat van het inhuizige restaurant. Relatief weinig keuze en niet meteen gerechten waar we allemaal wild van werden, maar toch… Het was er zeer aangenaam zitten.

En dan tegen half tien waren we opnieuw boven, waarbij Bart en ik nog rustig op ons balkon zaten tegen een achtergrond van lichtjes die weerspiegeld werden in de baai, en het donkere silhouet van il Vesuvio.

Yup.

Het is hier wel oké, me dunkt.

Fasciitis plantaris

Deze avond, na het maken van de valiezen voor morgen, trok ik dus nog eens naar Wouter Van Den Broecke, mijn orthopedist, om te horen wat hij te vertellen had over mijn voet.

Hij bekeek de foto en de echo even, en concludeerde dat het inderdaad een stevige ontsteking is van de hiel, fasciitis plantaris dus. Ik denk dat ik toch even triomfantelijk gegrijnsd heb. En ja, hij gaf commentaar op mijn pijngrens.

Maar bon, die ontsteking zit er dus, en nu? Uit ervaring hebben we geleerd dat een cortisone-inspuiting niet werkt, noch specifieke gerichte kine of het ultrasoon proberen verbrijzelen van de kalkafzetting. Bij de linkerhiel bracht uiteindelijk enkel een operatie soelaas, en eigenlijk zeer snel.

Maar hij is niet voor opereren en ik begrijp dat, en er is een nieuwe behandeling mogelijk: een inspuiting met plaatjesrijk plasma. Dat houdt in dat er bloed afgenomen wordt, dat wordt gecentrifugeerd zodat het plasma afgescheiden wordt, en dat wordt dan, onder plaatselijke verdoving, rechtstreeks geïnjecteerd in de voet.  Ik moet dan wel weer een paar weken zo’n walker boot dragen, maar dat ben ik intussen gewoon. Tsja.

Het moet dan maar, zeker? Feit is dat ik hier niet mee kan blijven lopen, want het doet bij momenten echt wel gemeen zeer, en ik hou mijn hart vast voor Sorrento want daar is het voortdurend rondlopen.

Ach ja. Ik heb zware pijnstillers meegekregen, en mijn pijngrens kan nog maar hoger komen te liggen, toch?

Rammstein: zo zot als een deur

Lieven – kotgenoot geweest van Bart en mijn concertmaatje – had al tickets voor ons in 2020, maar toen kwam die pandemie daar precies zo’n klein beetje tussen. Tsja. We kennen het verhaal.

Vandaag ging ik hem rond half zes oppikken, samen met zijn fiets, en in Oostende parkeerden we op een vrijwel onbekend parkingetje waar zo goed als altijd plaats is en fietsten we vrolijk vier kilometer tot in de buurt van het terrein. Ik had schrik dat die fietsparking ver van het terrein zelf ging liggen, maar dat bleek amper vijf minuten wandelen.

Eenmaal binnen probeerde ik met wat moeite Benny te bereiken: die is local stage manager, hij is dus de verantwoordelijke voor het hele podium van die mannen. Zijn zus is back stage manager en zijn ma, een gepensioneerd naaister, deed zowaar de wardrobe. Een en ander hield voor ons in dat hij ons, samen met Vallery en Eddy, binnenloodste in de Golden Circle, ook wel Feuer Zone genoemd. Hij kon gelukkig ook het grootste deel van de show bij ons blijven staan, aangezien zijn werk op dat moment eigenlijk min of meer gedaan was.

Het betekende dat we echt wel dicht bij het podium stonden, maar we bleven achteraan in die zone, zodat we ruimte hadden en ik, zolang de show nog niet begonnen was, gewoon op mijn gat kon gaan zitten om mijn voet te sparen.

En toen, toen begon de waanzin. Die mannen zijn ronduit geschift, mijn innerlijke pyromaan stond te jubelen! Benny vertelde dat die mannen na elke show minstens een aantal eerstegraads brandwonden hebben, en dat geloof ik grif. Alle stage hands hebben ook brandwerende pakken aan, en de zanger zit volledig ingepakt, behalve zijn handen en gezicht, en dat zit onder een laag schmink en as zodat je de brandwerende zalf niet ziet. Idem voor de twee gitaristen. De bassist stond dan wel weer in bloot bovenlijf, maar die staat een eind meer naar achter, op het podium van de drummer.

In ieder geval konden we, telkens de vlammen aangingen, ook de hitte voelen. Ik kan me goed voorstellen dat je op de eerste rijen je wenkbrauwen verschroeit, zoals het verhaal gaat. Onderstaand filmpje is eentje dat Jeroen genomen heeft van heel wat verderop.

Wij stonden heel wat dichter en hebben dus ook wel een paar deftige foto’s.

Was het dus de moeite? Jazeker! Ik hou sowieso van de muziek, maar de show is fenomenaal. En voor het geval dat dat niet duidelijk was: die mannen zijn zo zot als een deur!