Onderwijsdebat

Ik wil me er zo weinig mogelijk over uitspreken, omdat iedereen me per definitie bevooroordeeld vindt: als leerkracht Latijn ben ik er uiteraard tegen dat Latijn naar de tweede graad verschuift. Je kan voldoende Latijn leren op vier jaar? Yeah right, dan kunnen we de Latijnolympiades en dergelijke ook meteen maar vergeten, want er is geen sprake van dat ik dan nog in de zesdes Cicero kan lezen. Maar het gaat niet enkel over het vak Latijn. Het gaat over zoveel meer.

Een vriend van me schreef het als volgt (en ik heb de post maar meteen overgenomen, al kan je het ook hier op zijn eigen blog lezen):

Boterhammen met tranen.

Vanmorgen kwam naar aanleiding van de afschaffing van het b-attest Pascal Smet nog eens ter sprake aan de ontbijttafel. Ook dat van die oriënterende jaren passeerde weer de revue en plots spitste mijn dochter haar oren. Ze is elf, heeft al een keertje versneld, en zit in het zesde leerjaar. Of ik het haar even wou uitleggen. En daar ging ik dan, zo objectief mogelijk, over het weghalen de tussenschotten tussen ASO, TSO, BSO, over beter begeleiden bij studiekeuzes, dat ‘de Latijnse’ geen richting meer zou zijn in de eerste twee jaren, dat er heterogene klassen zouden komen waar alle mogelijk vakken zouden worden gegeven enz.

Plots barstte ze in tranen uit. Ontroostbaar was ze. ‘Als dat zo zit, dan wil ik niet meer naar school’, snikte ze. ‘Al twee jaar kijk ik uit naar de Latijnse, al twee jaar zit ik te wachten op een klas met kinderen die wél aandachtig willen luisteren, die wél willen studeren, die mij niet ‘uitmaken’ voor freak of nerd omdat ik nu eenmaal goeie punten wil en wel veel wil bijleren.’ Ze raasde verder: ‘Ik wil niet meer tussen leerlingen zitten die met een rekenmachine nog niet kunnen wat ik in het vierde leerjaar al uit mijn hoofd deed, ik wil niet meer in groepswerkjes al het werk moeten doen en iedereen alles moeten uitleggen. Ik wil dat het eindelijk eens moeilijk wordt voor mij.’ Ze kiest dus blijkbaar vooral voor ‘de Latijnse’ omdat het de moeilijkste richting is, niet omdat dat prestigieus of zo zou zijn.

Ik ben geen onderwijsdeskundige en ik heb allerminst de wijsheid in pacht, maar ik weet wel dat de tranen oprecht waren en dat haar keuzemoment nu is en niet over twee jaar. Nog twee jaar vervlakking kan zij niet aan. Waar zij nood aan heeft, en volgens mij élk kind, is een juiste context en een goede begeleiding bij het maken van die keuze, én aan nog betere en nog meer gemotiveerde leerkrachten. Het zijn de leerkrachten die richtingen kunnen opwaarderen, boeiender en aantrekkelijker maken… Meer leerkrachten kunnen ook beter differentiëren, bepaalde leerlingen motiveren en begeleiden, nog andere leerlingen uitdagen, prikkelen en blootstellen aan complexere dingen… Maar dan moet eerst het beroep van leerkracht worden opgewaardeerd, moeten er nog betere opleidingen komen, permanente opleidingen, betere salarissen, betere omkadering enz. Daar moet er hervormd worden, daar kun je voor een bijna revolutie zorgen. De kwaliteit, de instelling en de motivatie van het lerarenkorps zijn volgens mij de sleutel, de leerkrachten bepalen de hoogte en de breedte van de uitstroom, niet de structuur. Wie hoofdzakelijk z’n heil zoekt in structuren heeft of zelf niet goed opgelet in de klas, of heeft geen vertrouwen mensen. En niet afkomen dat er geen geld voor is, dit is immers geen kost maar een investering. Het fabeltje van het terugverdieneffect is al zo vaak gebruikt in de politiek, maar in dit geval is het geen fabeltje, hier is het echt zo.

Terug naar de ontbijttafel. Is mijn dochter een uitzondering, een wonderkind, hoogbegaafd? In de vérste verte niet. Ze is gewoon ambitieus en wil hard werken (en ze is nog een beetje naïef, want ze wil rechter worden zodat ze rechtvaardigheid in de wereld kan brengen). Toen ik haar zei dat zij nog wel aan het merendeel van dit boerenbedrog zou ontsnappen, fleurde ze wat op, maar vroeg ze wel meteen: ‘En mijn broertje dan?’ Ik suste haar door te zeggen dat we, als het zover kwam, wel iemand zouden vinden om extra privéles te geven en dat ik tegen dan wel wat meer thuis zou zijn om zo de lat wat hoger te leggen… Dat dat dan nog meer maatschappelijke segregatie betekent, zal wel niet de bedoeling zijn geweest van Pascal Smet, maar dat nemen we er dan maar bij.

2 Antwoorden op “Onderwijsdebat”

  1. Hier bezien we dat van het omgekeerde schuitje. Twee van mijn vier kinderen waren echt op op op na de basisschool. Altijd maar mee proberen te geraken terwijl het boven hun pet ging. “Mama, ik ben het lompste kind van de klas, ik kan niks.”
    (Die is na het vijfde naar het beroepsonderwijs kunnen gaan omdat ze reeds een keer was blijven zitten)
    De ander kon geen hobby’s aan ’s avonds, want het was een hele avond afwerken wat niet in de klas klaar was, extra lezen omdat ze nog geen AVI 9 had, het huiswerk dat niet van een leien dakje liep en bovendien de lessen waar ze meer dan gemiddeld last mee had.
    Wel, voor allebei was het eerste jaar beroepsrichting een ware verademing. Ineens waren ze niet meer de minst intelligente leerling, werd er op maat gewerkt, examens starten pas in het derde jaar, nu zijn dat projecten en wordt er zeer zeker aan het welbevinden van het kind gewerkt. Hoe erg het ook is, dat was heel erg nodig, want de derde graad van het lager was er eigenlijk al te veel aan. Laat staan dat ze nog eens twee jaar langer mee moeten met de grote hoop. Dan blijft er niks meer van over.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *