Ziek – maar nu iets en iemand anders

Deze morgen, half acht – we zijn allemaal in diverse stadia van gekleedheid : “Mama? Ik voel me echt niet lekker! Ik heb buikpijn…” Wolf keek me met hondenoogjes aan, maar Bart beet hem nog toe: “Zeg maat, niet onnozel doen, ’t zal wel over gaan!”

Een tiental minuten en een halve hap van een boterham later zat Wolf met tranen in zijn ogen bleekjes te wezen. En nam ik hem wel degelijk serieus. Ik heb dan maar ons ma uit haar bed gebeld, vijf minuten later – al een chance dat voor een keer al mijn gerief al klaar stond van gisterenavond – zaten Wolf en ik in de auto, om tien over acht installeerde ik hem in Zomergem in de zetel, en stipt om half negen liep ik mijn klaslokaal binnen. Oef!

Een telefoontje over de middag leerde me dat het buikgriep was: hij had al een keer of tien naar het toilet gemoeten, en had ook al vier keer overgegeven, ’t ventje!

Enfin, ik heb dan maar met zijn juf besproken (ik moest toch Kobe ophalen) dat hij morgen ook ging thuisblijven: een half dagje school, waaronder een zwemles, en da’s nogal lastig als je je niet zo lekker voelt.

Hopelijk is het snel over, want hij was nogal zielig bij momenten. Andere momenten voelde hij zich dan weer kiplekker.

En het schattigste? Toen Merel thuiskwam, vertelde Wolf dat hij een beetje ziek was, en dat zijn buikje pijn deed. Waarop zij onmiddellijk, zonder woorden, hem aankeek, en over zijn buikje begon te wrijven. Met van die kleine zachte streeltjes.

(Allemaal in koor: awwww…)

Verdomd smerig beestje

Die griepvariant die momenteel aan het rondgaan is, is dus echt wel een smerig beestje.

Ik ben buiten strijd geweest van dinsdag 5 februari tot en met donderdag 14 februari, tien dagen dus. Pas op vrijdag heb ik mezelf gedwongen om nog iets te doen met de kinderen, maar het was verre van voorbij. Vandaag ben ik dan wel gaan werken, maar mijn hoestje was nog vrij enthousiast, en ik was verschrikkelijk moe, al na een paar uur.

Bart is geveld op donderdag 7 februari, en die heeft zelfs het ganse weekend nog liggen slapen, dat zegt genoeg. Want tegen dat Bart wil toegeven dat hij moet plooien, moet het al erg zijn, en om dan anderhalve week te slapen… Vandaag is hij ook wel naar zijn werk getrokken, maar tegen vijf uur was hij alweer thuis, om onmiddellijk in slaap te vallen in de zetel, en ook dat is veelzeggend. Bij hem is het dus nog erger.

Smerige beeste, die griep, ik zeg het u.

Nog maar eens dokter

En nu blijkt het niet alleen voor Bart, maar ook voor mij een echte griep te zijn.

De dokter kan uiteraard niks doen. Het enige wat hij aanraadt, is Dalfagan met codeïne te nemen, zodat we ons tenminste ietsje beter voelen, en ons comfortniveau verhoogt. En verder dus gewoon uitzieken. Het kan nog wel een paar dagen duren.

Ik vind het zo jammer voor de kinderen: alle vakantieplannetjes vallen in het water, omdat mama en papa gewoon niet op hun benen kunnen staan. Vooral voor Wolf is het zo jammer: morgen wordt hij negen jaar, en hij zal zelfs geen cadeautje krijgen, want daar ging ik vorige week of in de loop van het weekend om gaan. Niet dus. Al een chance dat hij al oud genoeg is om het te begrijpen. Maar daarom hoeft hij het nog altijd niet leuk te vinden.

Lemsip

Lemsip, daar zwoer ik vroeger bij, en met mij zowat half Twitter, zo bleek na een kleine discussie.

Lemsip, dat waren van die kleine zakjes die je moest oplossen in heet water: je kreeg dan een instant grog gevoel door 650 mg. paracetamol en de hoge dosis vitamine C die erin zat, en meteen ook een aangename smaak. Veel beter dan zo’n bruistablet van ’t een of het ander.

Ik had Bart woensdag er doen meebrengen, en vastgesteld dat het een nieuwe verpakking was, maar meer niet. Maar de smaak was ook niet hetzelfde.

En toen passeerde ik vandaag even langs de apotheker, en wist zij me te vertellen dat het nu enkel nog 500 mg paracetamol is (dus de standaard hoeveelheid van een Dafalgan), en meer niet. Tot zover de meerwaarde van die Lemsipjes. Ik ga het maar bij Dafalgan houden vanaf nu, vermoed ik. Blah.

Niet Kobe, wel ik

Alle arrangementen die ik gemaakt had met mijn moeder om Kobe op te vangen, waren tevergeefs: deze morgen stond hij fluks op, vrolijk als altijd, koortsvrij, en met veel zin om naar school te gaan. Ik ging die ambitie uiteraard niet fnuiken, verre van.

Alleen…

In de loop van de voormiddag stak een gemene koppijn de, euh, welja, kop op. Zo eentje die ik te lijf ben gegaan met een geleende Dafalgan 1000, maar die daar enkel eens naar grijnslachte, en vrolijk verder deed met pijn doen. Eentje die ervoor zorgde dat ik zelfs een tijdlang, tijdens het lesgeven, een van mijn lenzen uitdeed omdat ik die niet meer kon verdragen. Eentje die maakte dat ik tijdens de middagpauze op mijn eentje in mijn stille lokaal ging zitten, weg van alle lawaai. Eentje die de nodige rare versprekingen tijdens het lesgeven opleverde, wat dan weer voor enige hilariteit zorgde.

Vooral ook eentje waardoor ik bij het thuiskomen quasi onmiddellijk de gordijnen dichttrok en ging liggen in de zetel, met een kussen op mijn kop. Eentje waar ik gewoon misselijk van werd.

Ik hoop maar dat dit morgen beter is, want dit, dit is een gemeen soort koppijn. En ik heb morgen een pak toetsen af te nemen.

(Oh, en Kobe had weer koorts toen ik hem in bed legde. Ook dat nog.)

Zieke Kobe?

Kobe was al de hele dag wat hangerig, en klaagde over buikpijn, maar nu had hij plots ook echt wel rode wangetjes.

Met nu bedoelde ik na het bad, het avondeten en het bekijken van de film Brave, in de zondagavondse filmtraditie. De film was nog niet goed en wel gedaan, of hij begon te huilen. Ik deed het af als geneut en onzin, en stuurde hem naar bed. Toen ik hem ging instoppen, vielen me de rode wangetjes op, en leek hij ook wel echt warm te hebben. Jawel, 38,7°. Op zich niet zo erg voor een kind van vijf, maar in deze tijden van griep kan het wel eens de voorbode van meer zijn.

Gelukkig heb ik een schat van een moeder, bij wie ik hem morgen mag gaan afzetten, als de trend zich doorzet, zodat ik toch kan gaan lesgeven. Laat ons hopen dat het niet nodig is, maar het is toch wel een fijn gevoel, zo’n vangnet.

Thx, ma!

Ziek

Jawel, ’t is weer van dat. Al sinds gisterenavond ben ik zo misselijk als wat. Geen koorts, geen hoofdpijn, niet echt spierpijn, maar wel misselijk. En maagpijn, en gigantisch veel boeren laten, blergh. Veel heb ik dan ook niet gegeten. En bij momenten door en door koud.

Grieperig voelt het eigenlijk niet, ik denk eerder in de richting van een maagontsteking of zo.

Soit, wat het ook is, ik voel me niet zo bijzonder lekker. Ik heb op mijn tanden gebeten en eten gemaakt voor de jongens, en Wolf afgezet en opgehaald aan de muziekschool, en een pakketje afgehaald en brood gekocht en zo, maar echt vlot ging het niet.

Ik ging zelfs op de rugby blijven voor de oudervergadering, maar heb dan toch maar wijselijk de jongens gewoon afgezet en ben terug naar huis gereden, om me plat in de zetel te draperen.

En dan merk ik weer dat ik de liefste vent ter wereld heb: hij is Merel gaan afhalen, heeft haar boterhammetjes gegeven en in bed gestopt, en is toen de jongens gaan halen, met daarna hetzelfde scenario.  En toen is hij mij een dekentje en een warm kersenpitje komen brengen en zo. Ik voelde me mentaal al heel wat beter, de lieverd.

Mereltje toch.

Dat wij nog wat gaan tegenkomen met dat kind, ik zeg het u!

Ze was zondag dus behoorlijk ziek als in: serieus wat overgegeven, maar verder had ze de hele dag flink gespeeld. Maandag heb ik ze dan ook gewoon naar de creche gebracht, want ze gedroeg zich normaal, speelde en taterde zoals anders, en moest niet meer overgeven. Alleen was ze niet in haren eet: dat kind kan ongelofelijk eten, vier grote boterhammen ’s avonds zijn geen uitzondering. Haar fles melk van 300 ml had ze uitgedronken, maar boterhammetjes had ze afgeslagen. Soit, ik hield mijn hart vast en mijn GSM binnen handbereik, maar de creche belde niet. Alleen wist Cindy ’s avonds wel te vertellen dat Merel vrijwel niks had gegeten de hele dag.

Idem dinsdag en woensdag, en dinsdag ook nog een heel, heel erg lopende kakbroek. Maar geen koorts, geen extreme hangerigheid of gezaag, gewoon een beetje kalmer en lustelozer dan anders. Hmm.

Toen ik Merel donderdagmorgen ging afzetten, kreeg ik de volle laag van de creche. Dat het niet verantwoord was en getuigde van weinig respect naar de andere kinderen dat Merel nog steeds kwam, dat het kind ziek was, en dat ik ze thuis moest houden. Uhhuh. Ik kan wel geen verlof pakken in ’t onderwijs, en ik kan ze thuis ook moeilijk aan een haakje hangen. En voor een oppas van het ziekenfonds moest ik een doktersbriefje hebben, maar de dokter ging écht niks verkeerds vinden aan mijn vrolijk taterend en spelend kind. Die bovendien de avond voordien drie stevige boterhammen had binnengespeeld, en bij mijn weten een min of meer normale stoelgang had.

Enfin, ik kon de dame van de creche kalmeren en overtuigen om Merel toch aan te nemen (die al vrolijk gaan spelen was, overigens), maar mocht er weer zo’n vreselijke waterkakbroek zijn, ging ze me verwittigen en zou ik mijn leerlingen wel richting studie sturen. En ik beloofde ook om Merel tegen half vier of zo af te halen.

Soit, geen telefoontje gehad, alles bleek in orde, en ik haalde Merel dus op. Vandaag, vrijdag, ging ik haar thuis houden: ik moest niet lesgeven, had wel een vriendin op bezoek, maar het ging wel lukken, en we vertrokken toch op weekend rond vier uur.

Bon, Merel sliep dus tot een uur of negen, ging daarna onder luid protest in bad, en was maar kalm te krijgen door de belofte dat ze dan mee mocht naar de winkel en in de kar mocht zitten. Merel dus mee naar de Delhaize, helemaal vrolijk en opgewekt. Tot we daarna terug de garage indraaiden, ik de motor aflegde, en vrolijk uitriep: “We zijn thuis!” Ze keek me verschrikt aan, schudde heftig het hoofd, en riep: ‘Nee! Nee, mama, nie tui!” Toen ik haar uit de autozetel plukte, begon ze hartstochtelijk te huilen. Ik begreep maar niet wat ze wilde, maar in de keuken nam ze opnieuw haar jas, en begon tegen de garagedeur te duwen. Toen ik die opende, ging ze naar de garage, en bleef ze daar staan huilen aan de auto. Pas na enig denkwerk stelde ik haar de vraag: “Mereltje, wil jij soms naar Cindy?” Waarop een langgerekt en opgelucht: ‘Jaaaah!” volgde. Toen ik haar probeerde uit te leggen dat dat geen optie was, bleef ze hardnekkig in de garage staan huilen, en ging ze er uiteindelijk zelfs bij zitten. Ik heb na tien minuten dan toch de telefoon gepakt en naar de creche gebeld en de situatie uitgelegd. Cindy toonde begrip, en ik mocht Merel alsnog brengen, met de belofte dat ik haar ging komen halen als ze lastig werd.

En dus ging een opgeluchte, door haar tranen heen lachende Merel even later trots de creche binnen, naar haar speelgoed en haar vriendjes. En had ik een bijzonder rustige, fijne middag met mijn vriendin, en kon ik vooral rustig koken.

Man man man. Wat een karakter!