Wouter moet meer orde hebben

Bart en ik hadden al maanden tickets voor de première van Wouter Deprez zijn nieuwe zaalshow in de Capitol: Bart kent hem persoonlijk en had onmiddellijk tickets gekocht op de tweede rij in het midden van de zaal. Perfecte plaatsen!

En toen… had hij een adviesraad waar hij niet onderuit kon, zodat ik Gwen meevroeg. Die had een loodzware dag gehad en was blij dat ze er even tussenuit kon.

Bart en ik hadden destijds de aller-, allereerste try-out gezien bij Tom op zolder en ik herkende de grote lijnen: het opruimen van zijn huis voor de verhuis en zijn oogoperatie, en ook bepaalde verhalen. Ik heb in elk geval tranen gelachen: we zaten inderdaad perfect om alles tot in de kleinste details te zien. Ik heb zo hard genoten en Gwen ook, ik vond het alleen jammer dat Bart er niet bij was.

We zijn niet meer blijven hangen, ik heb haar meteen naar huis gevoerd en ben zelf daarna in mijn bed gekropen, maar wat een fijne afsluiter van een loodzware dag!

Oh, en die show? Gaan kijken, ge gaat u ziek lachen!

Vest nummer drie

Ik had voor mezelf al de lange vest in het paars gehaakt en voor Gwen de korte versie in blauw.

Peggy vond die zo leuk dat ze die ook wel wilde, maar dan niet zo lang als de mijne, maar ook niet zo kort als die van Gwen, en met iets minder wijde driekwartsmouwen. Euh, ja zeker? Ik begon vrolijk te haken en twee weken later kon Peggy ze trots showen. Ik had wel haar boezem wat verkeerd ingeschat, zodat de boord een stuk breder moest, maar dat vond ze juist goed want zo heeft ze ook meer kraag in haar nek waardoor ze geen sjaaltje hoeft te dragen. Ze is toch niet van plan om ze vaak dicht te doen, ze wilde ook geen knoopjes. Bon, alweer een blij iemand dus, en dat voor zo’n twaalf euro aan garen.

Ze had ze de volgende dag toch al aan, zodat ze ze precies wel leuk vond. Alvast een goed teken.

Lectuur: “Venus in Copper” (Marcus Didius Falco #3) van Lindsey Davis

Die Romeinse detectiefjes lezen vlot en momenteel kan mijn brein iets als Alkibiades even niet aan, dus lezen we daarin vrolijk verder.

In deze aflevering blijft Falco grotendeels in Rome zelf en probeert hij een gold digger te ontmaskeren: ze heeft al twee dode rijke echtgenoten achtergelaten en is nu verloofd met een hele rijke self made man. Alleen wordt die dood teruggevonden vooraleer ze getrouwd zijn en zij daar dus niks mee te winnen heeft. En wat heeft die papegaai daarmee te maken? En die taartenverkoper?

Soit, opnieuw een goed in elkaar gestoken, simpel detectiveverhaal in het oude Rome van Vespasianus. Nee, het is geen Agatha Christie, maar zo was er effectief maar eentje, dus dat is moeilijk te evenaren. Maar het blijft vlot geschreven, al werkt de interactie tussen Falco en zijn senatoriale vriendin af en toe wel stevig op de zenuwen. Serieus, gast, grow a pair!

Maar verder? Aangename lichte lectuur.

Leesclub

Officieel loopt mijn ziekteverlof tot morgenvroeg, maar ik kon het niet laten om vandaag toch al om half vier naar school te gaan voor de leesclub. Oorspronkelijk ging ook een reeks collega’s meelezen, maar helaas, de directie had alsnog enkele dingen ingepland en dus haakte iedereen af. Jammer, maar helaas.

Soit, het was eigenlijk wel een succes, ja.

Ik schreef het volgende voor de schoolwebsite, deels wat ik hier ook al schreef als eigen bespreking:

Sinds vorig jaar is onze leesclub – opgericht in 2015 – nieuw leven ingeblazen onder impuls van enkele leesgrage leerlingen. Waar in het begin vooral leerkrachten deelnamen, is dat nu duidelijk verschoven naar de leerlingen zelf. Zij waren dan ook degenen die, toen de datum een paar keer verschoven moest worden wegens andere schoolse activiteiten, er toch op aandrongen om alsnog een bespreking te hebben voor de kerstvakantie: zo konden we immers een nieuw boek lezen tegen na die vakantie.

Op het einde van vorig schooljaar stelden ze Before the coffee gets cold voor, een kort boek, origineel in het Japans, maar vertaald naar het Engels. Of het Nederlands.

De premisse is echt wel knap: in Tokio, in een kelder, zit een oud café waar altijd een dame in het wit op dezelfde stoel een boek zit te lezen. Eén keer per dag staat ze op om naar het toilet te gaan. Dat kan uiteraard niet, en dat klopt, want zij is een spook. In de korte tijd dat ze weg is, kan iemand anders op haar plaats gaan zitten, een koffie drinken, en in het tijdsbestek dat die koffie koud wordt, naar het verleden teruggaan. Klinkt spectaculair, maar er is een hele reeks beperkingen die het eigenlijk net interessant en fascinerend maken. Je mag namelijk niet van je stoel komen, je kan dus alleen naar het verleden in datzelfde café en als je dus iemand nog eens wil ontmoeten, moet die persoon ook in het café geweest zijn. En… wat je ook zegt, wat je ook doet, je kan het verleden niet veranderen: wat gebeurd is, is gebeurd.

Dat zorgt ervoor dat het hele café lang niet zo populair is als je zou denken.

Het boek verloopt in vier verhalen, telkens van cafégangers die enkel met elkaar verbonden zijn door het feit dat ze in het café komen en elkaar daardoor (vluchtig) kennen. Kawaguchi heeft hier een heel mooi uitgangspunt in handen, maar eigenlijk blijft het daar een beetje bij: er zijn heel veel dingen die hij niet uitlegt, die eigenlijk gewoon gaten in het verhaal zijn, en het is vooral ook bij momenten nogal voorspelbaar en clichématig.

Tegelijk stoort ook het taalgebruik: driekwart van de zinnen begint met het onderwerp, iets wat blijkbaar standaard is in het Japans maar na verloop van tijd op de zenuwen begint te werken. De vertaler is iemand die duidelijk in de eerste plaats Japans spreekt, want dat Engels was redelijk brak en af en toe zelfs gewoon fout. Tsja.

De algemene teneur van de groep – zes leerlingen, één leerkracht en één medewerkster van het CLB – was dan ook dat het geen slecht boek was, maar ook niet echt goed: je bleef in veel gevallen op je honger zitten. Zoals Kaat het verwoordde: ze werd er warm noch koud van, had er eigenlijk geen mening over, en dat is jammer natuurlijk. Sommigen vonden het voorspelbare net goed, anderen vonden dat dan weer een domper op de leesvreugde. De personages waren ook niet altijd even consequent: als je je leven lang tegen iets verzet, waarom zou je dan plotseling, zonder veel nadenken, toch van gedacht veranderen? Dat soort dingen dus.

En tot slot konden we ook niet anders dan elkaar de vraag te stellen: als jij terug kon naar het verleden en iemand kon en mocht spreken, in die hele korte tijdsspanne, iemand die je persoonlijk kent of hebt gekend, wie zou je dan willen spreken? De meesten spraken over een oma, een opa, een familielid… Eentje zei zelfs dat ze heel graag haar oma, die ze nooit heeft gekend, zou willen ontmoeten omdat ze daar zo veel verhalen heeft over gehoord en dat dat een fantastisch mens lijkt.

Genoeg stof om over na te denken, dat wel, maar een aanrader? Niet bepaald, toch niet volgens deze leesclub.

Na enig gedebatteer over verschillende suggesties voor een volgend boek, kwamen we uit bij ‘Tout le bleu du ciel’ van Mélissa Da Costa: een Franstalig boek dat je uiteraard ook in het Nederlands kan lezen. Het krijgt een excellente score op Goodreads en heeft de volgende synopsis: “Nadat bij Emile jong-alzheimer werd vastgesteld, besluit hij het ziekenhuis en het medeleven van zijn familie en vrienden te ontvluchten. Stiekem koopt hij een camper en plaatst een advertentie voor een reisgezel. Hij ontvangt een antwoord van Joanne, een mysterieuze jonge vrouw. Het is de start van een adembenemend mooie roadtrip.”

We waren meteen allemaal geïntrigeerd, hapten even naar adem toen het om maar liefst 650 pagina’s bleek te gaan, maar besloten om toch door te zetten.

U weet alvast wat u kan beginnen lezen deze vakantie. Mevrouw Vermeire, leerkracht Frans, heeft het al gelezen en vond het schitterend.

We stellen voorlopig dinsdag 18 februari 2025, om 15.30 uur voorop, behoudens alle mogelijke andere activiteiten die alsnog gepland worden. Maar noteer het alvast toch maar. En ja, alle leerlingen vanaf het vierde jaar zijn welkom, maar ook collega’s, oud-leerlingen, ouders, grootouders, broers en zussen.

Omen Valckensteyn, deel 2

Mijn tweede rol was die van Drusilla, een Orestiaanse handelaar die vooral dan met Koens personage speelde. Dik in orde, want ik beschouw Koen echt wel als een van mijn vrienden, en hij had met zijn groep ook een fantastische tent: een hele grote ronde yurt met in het midden een vuurschaal en een rookgat. Ik heb er quasi de hele tijd gezeten, alle gesprekken gehoord en op die manier ook alles doorgegeven aan de vijand. Ha ja, ik was de grote sponsor van de troepen van de Ram, maar niemand heeft de moeite gedaan om ook maar een paar woorden met me te wisselen. Ik heb links en rechts hele duidelijke hints gestrooid, maar bon. De gezichten op het eindgevecht waren dan ook mooi toen ik gewoon van de spelerskant naar de overkant wandelde, de officier van dienst een zoen gaf en toen een knuffel aan koning Fintan IV. Tsja…

Wolf speelde intussen ofwel een spook, een schildknaap die op zoek was naar het zwaard van zijn meester, ofwel een jonge edelman die zijn zus probeerde te redden. Veel is er van die laatste plot niet in huis gekomen – ook hier beten de spelers niet – en heeft hij vooral diverse vechtrolletjes gespeeld. Ik hoop dat hij zich toch een beetje geamuseerd heeft…

Omen Valckensteyn

Ik heb lang getwijfeld of ik wel zou gaan, naar Omen. De rug is echt niet oké, ik ben niet voor niets in ziekteverlof. Aan de andere kant dacht ook de dokter dat het geen slecht idee zou zijn, op voorwaarde dat ik voldoende rekening hield met mijn eigen lijf en dus op tijd ging zitten of zelfs liggen. Zo’n larp is namelijk compleet stressvrij. Allez, er is stress als je aangevallen wordt door een ork of zoiets, maar dat is compleet anders dan anders.

En dus ja, ik laadde Wolf en Jarne – mijn vaste compagnon – in de auto en reed naar Hechtel-Eksel, nota bene via Brussel want Antwerpen was weer eens compleet onmogelijk.

Ik genoot van de avondrol als dokter-non, maar helaas was ik vrij snel uitgespeeld: ze hebben mijn patiënten vermoord maar mezelf als compleet onbelangrijk weggezet, terwijl mijn personage heel veel info had als ze me ondervraagd hadden, en ik ook heel veel dokterskills had kunnen doorleren als ze het simpelweg gevraagd hadden. Jammer genoeg ben ik zodanig afgeblaft dat ik het dan maar afgebold ben, met openlijke verklaring dat ik dan maar naar een van de rebellenkampen ging. Ik werd vrolijk genegeerd :-p

Ach ja… Ik ben dan maar mijn andere rol gaan spelen en heb heerlijk rustig in een tent gezeten, zodat de rug niet eens protesteerde.