Vuile Mong (deel 1)

Ik zit al een heel tijdje bij de redactie van Gentblogt, en toen begin dit jaar bekend werd dat Mong Rosseel, van de Vieze Gasten (een begrip in Gent en omstreken) met pensioen ging, vroeg ik hem om een interview.

Ik ken Mong al jaren, we komen goed overeen, en dus zat hij eind januari bij mij in de woonkamer koffie te drinken, terwijl ik hem een paar vragen stelde. Het fijne daaraan is, dat ik ook zijn achtergrond zeer goed ken, zijn familie, zijn huis, zijn vrouw… Hij heeft me dan weer weten opgroeien, en kent mijn ma zeer goed.

Het werd een fijn gesprek, dat ik helaas gigantisch lang liet liggen, omdat ik me er geen man over zag om het uit te typen. Maar dit weekend geeft Mong een afscheidsweekend, en dus kon ik het nu niet langer uitstellen. Omdat het zo’n fijn gesprek was, wilden we er niet teveel in knippen, en hebben we het dan maar in een paar delen op Gentblogt gezet.

Ik ga het ook hier zetten, zoveel ben ik Mong wel verschuldigd. Want, om eerlijk te zijn: het is gewoon ne vree wijze mens!

20111130_Mong_sm

Eén van mijn eerste herinneringen aan Mong zal toch wel een dertigtal jaar oud zijn. Hij heette toen nog Vuile Mong, en trad met zijn Vieze Gasten op in een tent op een grasveldje naast het jeugdhuis. Aangezien ik toen nog in Zomergem woonde, was dat steevast de première, en zat de tent serieus vol. Ik herinner me nog vaag de meest waanzinnige woordspelletjes, fijne kostuums, liedjes, en vooral ook Magda, de vrouw van Mong. Wij, kinderen, vonden het zálig.

Later liet ik de kindervoorstelling voor wat ze was, en zat ik ‘s avonds in diezelfde tent te luisteren naar zijn politiek en maatschappelijk geëngageerde voorstelling. Jaar na jaar, keer op keer. Migranten, vierde wereld, milieu, Afrika, … Alle thema’s werden bijzonder ludiek gebracht, maar deden je voor de rest van de avond toch behoorlijk diep nadenken.

De Vieze Gasten verhuisden naar Gent, lieten de tent voor wat ze was, nestelden zich in de Brugse Poort, en werden een vast onderdeel van de Gentse cultuur.

En nu, nu hij vijfenzestig wordt, gaat Mong met pensioen. Hij heeft groot gelijk, maar hij zal gemist worden. Dit weekend is er trouwens het grote afscheidsweekend van Mong, waarbij hij vrijdagavond een vooruitblik op zijn toekomstplannen geeft, en zaterdag een nostalgische avond beleeft met medewerkers van vroeger en nu.

Eerder dit jaar belde ik hem op voor een interview voor Gentblogt, en hij stemde dadelijk toe. Ik had amper een paar vragen voorbereid, want hem intussen vrij goed kennende, wist ik dat hij nauwelijks een half woord nodig heeft om er zelf een hele spraakwaterval van te maken. Juist omdat hij verdomd goed weet wat hij vertelt, hebben we dit interview dan ook opgesplitst in een aantal afleveringen. Vandaag krijgt u daarvan het eerste deel. Of, zo u wil, de eerste vraag.

Vraag 1: In hoeverre voel jij je ondertussen een Gentenaar? Want jij bent niet van Gent?

Ik voel mij een Meetjeslander, als ik het mag zeggen. Ik ben eigenlijk West-Vlaming, hé, geboren in Veurne. Vandaar ben ik naar Leuven gegaan, en dan, na drie jaar, naar Gent. Dat was toen, in die tijd, voor mij werkelijk een verademing, alhoewel Gent toen, in vergelijking met vandaag, een klotestad was, bij manier van spreken. Maar in vergelijking met Leuven was het een hele verademing. Ik had nogal wat problemen thuis, en bleef heel wat weekends in Leuven. Gelukkig had ik nogal wat buitenlandse vrienden, vooral Zaïrezen, en ik bleef heel dikwijls bij hen, want in het weekend was Leuven een compleet dooie stad. De vrijdagavond ging iedereen weg, en op zaterdag en zondag was er geen kat. Dat schijnt nog zo te zijn, maar het is er toch levendiger geworden, zoals in alle provinciesteden. Veurne was nog erger natuurlijk. Nu, mijn broer woont daar nog altijd, en er is in verhouding, denk maar aan Aalter of Eeklo, meer te doen dan vroeger.
Gent was dus een verademing, ik vond het toen zalig in Gent, en ik ben, na mijn sociale school, dat buurthuis begonnen. In ’71 zijn de Vieze Gasten ontstaan. We hadden ondertussen een aantal vrienden die uit de stad wegtrokken. Ook Walter De Buck woonde wel in Gent, maar aan de rand, aan wat toen nog de wilde woestenij van de Blaarmeersen was, en dat sprak me wel aan. In de stad zelf, welja, wij hadden toen twee kleine kinderen, en in de Sleepstraat hadden wij zo’n stoepje, dat als we de deur opendeden en de tram net passeerde, wij terug naar binnen moesten. We konden niet met de kinderwagen naar buiten komen tenzij je zeker was …

(onderbreekt, verwonderd) Jij hebt nog in de Sleepstraat gewoond?

Het buurthuis was in de Sleepstraat, net in een bocht, en het hele huis daverde telkens de tram daar rakelings passeerde. Wij zijn dan naar Waarschoot verhuisd. De groep was, doorheen zijn geschiedenis, heel erg verbónden met Gent, door Walter, door het Trefpunt, door de Gentse Feesten – want dat was iets van óns – maar ik woonde níet in Gent.
Van Waarschoot ben ik naar Zomergem gegaan, en ik woon daar nu al zó lang, dat ik eigenlijk wat met Zomergem vergroeid ben. We zaten toen een beetje met de rare situatie dat iedereen De Vieze Gasten beschouwde als een Gentse groep, maar dat de zetel van de Vieze Gasten in Zomergem was. Heel de periode met de tent is dat zo gebleven: we waren altijd met die tent op toer. We speelden wel veel in Gent maar dat was dan ook weer met de tent, op uitnodiging.

Het is eigenlijk Dany Vandenbossche die de groep weer naar Gent gehaald heeft, in de periode toen Gilbert Temmerman burgemeester werd. De vrouw van Gilbert was trouwens een enorme fan van ons, en zelfs toen ze niet goed meer te been was, wilde ze ons per se zien. Erik (hun zoon, nvdr) bracht haar enkele jaren geleden tijdens de Gentse Feesten naar de Baudelokapel maar kon toen met die rolstoel nergens door. Maar soit, terug naar Dany Vandenbossche. Hij zei op een bepaald moment: “Dat is nu toch wel straf: jullie worden altijd beschouwd als een Gentse groep, we hebben een goed bestuur nu, we zijn goed met Gent bezig, ook op gebied van cultuur, maar jullie kunnen niet eens in de Gentse Cultuurraad zitten, want de zetel van de Vieze Gasten is in Zomergem.”
Op dat moment, het was 1991, verhuisden wij dan de zetel van de Vieze Gasten naar Gent en het kantoor naar Trefpunt. Rita, de vrouw van Fabien Audooren, deed onze boekhouding en administratie en zo, en deed ook de boekhouding van de Gentse Feesten voor het Trefpunt. Zij was daar dus vriend aan huis, en wij ook, en zo kwam van het een het ander.
Dat was prima, maar … wij waren – en zijn eigenlijk nog altijd – een collectief, waar er heel veel contact met elkaar moet zijn. En dat contact viel plotseling weg. Wij repeteerden soms in Zomergem, wij waren daar gaan spelen, en Rita zat vroeger ook daar aan haar bureautje. Dat was bij mij thuis, de kantoren waren in de omgebouwde schuren en stallingen. Wij kwamen elke donderdag bijeen – da’s trouwens nog altijd zo, die teamvergaderingen op donderdag – en dan probeerden we iets nieuws uit, en was het van “Ga Rita eens halen? Ga de techniekers eens halen?” Die waren daar ergens aan het knutselen of decors aan het schilderen of zo, en dan wilden we iets uitproberen met hen erbij. ‘s Middags aten we ook samen, en plots was dat weg. Op de vergaderingen begon dat eigenlijk op iedereen zijn systeem te werken: we zijn een collectief, en er zat nu plots iemand in Gent. Vroeger, als we iets moesten hebben van paperassen, iets voor de vakbond of om het even wat, dan liepen we gewoon even naar ‘t kantoor. Nu moesten we plots elke keer een afspraak maken in Gent.

Dat kon zo niet langer. Er waren toen stadsschooltjes die leeg kwamen te staan, en wij vroegen aan de stadsdiensten: “Als er zo iets vrijkomt, kijk eens of er niks bij is voor ons? Dat we daar in kunnen, dat we daar een zaaltje kunnen maken om te repeteren, en ook kantoren in hetzelfde blok.” Op een gegeven moment zijn ze afgekomen met dat complex aan de Lousbergskaai, waar nu de mensen van het OCMW zitten, maar nog voor we konden gaan kijken – anders hadden we daar dus gezeten, we hadden daar waarschijnlijk ja op gezegd – kregen we nog een ander bericht, uit de Reinaertstraat. “De Democrazy moet daar nu echt definitief weg. We hebben ze tien jaar lang de hand boven het hoofd gehouden, maar de buurt is met de zoveelste petitie bezig, het kan echt niet meer. Er komt een boot voor hen, ze krijgen de Rock ‘n’ Rollboot, dan kunnen ze in de haven zoveel lawaai maken als ze willen.” Die boot is gezonken, maar soit. Wij hebben toen wel aan de telefoon gezegd: “Bon, nu gaan wij eerst met de mensen van de Democrazy praten, want wij willen niet dat zij denken dat wij hen verjaagd hebben.” Het bleek eigenlijk omgekeerd: die mensen waren doodcontent, dat ging voor hen ook dé oplossing zijn, ook naar de eigenaars toe. Die eigenaars, dat zijn twee broers Hutsebaut, nogal bekende figuren in Gent, Ronny en Patrick. Vooral Ronny (ook bekend van de Hutson in de Langemunt, nvdr) was zeer actief, hij was bijvoorbeeld ook de man die Dalida naar Gent liet komen. Die was met van alles bezig. Jammer genoeg is hij enkele jaren geleden gestorven. Maar Patrick was op het feest van Veertig Jaar Vieze Gasten.
Zij waren dus wreed content dat wij daar kwamen, en Democrazy ook. In ’97 of ’98 zijn wij dus naar daar verhuisd, en vanaf toen gingen we daar in première, maar daarna stond dat gebouw daar. We gingen daar wel spelen, en dat was onze vaste plek, onze kantoren en zo, en we zagen elkaar weer meer.

Gingen jullie toen nog rond met de tent?

Nee, de tent, dat was al gedaan. 1990 was het laatste jaar dat we die gebruikten. De organisaties die ons altijd gevraagd hadden, begonnen af te takelen, maar er kwamen nieuwe die een ander soort voorstelling wilden, dat is eigenlijk mooi in elkaar geklikt. Wij zijn begonnen met kleinere producties: Over de schreef of Klein kasteeltje, met twee, drie man, en één muzikant, en dat was ideaal! Ik heb in verhouding de laatste jaren meer gespeeld dan ooit tevoren in heel de periode van de Vieze Gasten. Met alle schoolvoorstellingen en zo, dat was onvoorstelbaar! Globaal genomen heeft zeven jaar gelopen, 253 voorstellingen; De Millenniumdoelstellingen heeft meer dan drie jaar gelopen, en ik denk toch wel meer dan honderdvijftig voorstellingen; Water net hetzelfde, ook meer dan drie jaar, Volle Pot heeft toch meer dan drie en een half jaar gelopen, ook meer dan tweehonderd voorstellingen. Dat verkocht als zoete broodjes. Ik ben echt moeten stoppen, hoor, nu is dat allemaal afgebouwd. Dit jaar heb ik alleen nog Van pukkels en rimpels gedaan, en begin december is er een afscheidsweekend. Ik ben geboren op 30 december, en op 1 januari 2012 begin ik aan mijn pensioen. Ik zeg altijd: daarna ga ik nog dingen doen, ik ga zingen en vertellen, maar dat wordt dan mijn hobby. Ik ga geen theatervoorstellingen meer spelen, ik ga niet meer zeulen met decors, ik ga niet meer zeulen met geluidsinstallaties, …

Maar de groep neemt het dan over, toch?

Neen. De groep neemt het niet over, het hele collectief werkt nu in de Brugse Poort aan het sociaal-artistiek project, maar de afdeling vormingstheater stopt met mij, er is geen opvolging.

Dat is toch zonde?

Tsja. Aan de ene kant ben ik ontzettend gelukkig met wat we in de Brugse Poort doen, ik vind dat prachtig en sta daar helemaal achter. Ik vind het ook zalig dat het project Bij’ de Vieze Gasten heet, want aanvankelijk hadden we dat een andere naam gegeven, Buurtstation West. Toen was de ingang nog in het straatje tussen die garageboxen, en Sint-Lucas heet zelfs nog met leerlingen die hele gevel geschilderd, met een station en treinen en in het groot ‘Buurtstation Gent-West’. Ha ja, vroeger waren er overal van die buurtstations, vandaar.

Maar De Vieze Gasten zijn natuurlijk een begrip.

Voilà! En dus waren er op een gegeven moment mensen die zeiden: “Maar wat is dat nu toch voor flauwekul, waarom moet dat nu een andere naam hebben? Kunnen jullie niet gewoon zeggen dat dat bij de Vieze Gasten is?” Er is eigenlijk geen mens die nog weet dat dat heel kort anders heette. We hebben enkel nog een paar foldertjes waarop Buurtstation Gent-West staat, da’s alles.

En zo is het collectief inmiddels een volledig Gents initiatief geworden. Maar ik woon sinds ’75 in Zomergem en ik woon daar graag. Ik heb al dikwijls gezegd: indien ik jong was, zou ik er misschien wel over denken om terug naar de stad te komen, maar nu zie ik dat echt niet meer zitten.

Dat kan ik me voorstellen. Je bent intussen ook een deel van het Zomergemse leven.

Dat ook al. Ik zit bijvoorbeeld met een Senegalproject in Zomergem (een project van de lokale Noord-Zuidraad, waarmee hij een paar jaar geleden nog op inleefreis is geweest, nvdr.). Ik ben daar van het allereerste begin bij geweest, mijn hart ligt daar ook. Ik zit er in 11.11.11. en in de Wereldwinkel, ik voel me daar goed. Ook met het domein waarop ik woon, hebben we gigantisch veel geluk gehad. We konden dat indertijd voor ontzettend weinig geld kopen, maar er was daar niets. We hebben dat zelf opgekuist, boompjes geplant, … Ze hebben nu voor het feest van 40 jaar ‘kweetniethoeveel foto’s verzameld, en op die eerste foto’s, zie je ons vergaderen aan een tafel bij ons in de tuin. Mensen zeggen: “Hoe, is dat bij jullie? Maar dat kan toch niet?” Maar dat kan wel, er stond daar dus geen enkel boompje, niks. Nu woon ik daar in een paradijs, maar toen was daar niets! Gebouwen, weide, en verder kale vlakte.

Maar je bent ook echt een deel van Zomergem geworden. Voor zover ik me dat persoonlijk herinner – dat kan een impressie zijn hoor – was er gans in het begin vanuit katholieke hoek behoorlijk wat tegenkanting. Jullie sloegen voor de première, die altijd in Zomergem was, de tent op naast het gebouw van de jeugdbeweging en ik wéét dat er toen bij de leiding gereuteld werd door de pastoor over het feit dat wij met de jeugdbeweging naar jouw voorstelling zouden komen. Dat kón gewoon niet! Jij was toen in elk opzicht ‘Vuile Mong’.

(knikt nadenkend) Ja, ik weet het, dat was overal zo. Je kan dat ook aan jongeren van vandaag nauwelijks nog vertellen wat een andere tijd dat was. Mensen die zeggen dat de wereld niet verandert, weten niet wat ze zeggen. De wereld is onwaarschijnlijk veranderd in die veertig jaar, on-waar-schijn-lijk.
Maar om dus te antwoorden op je eigenlijke vraag: “voel ik me Gentenaar?” dan zeg ik: ik hou van Gent tot en met, ik vind Gent een zalige stad, ik ken de mensen in Gent, ik ken het stadsbestuur. Ik hou van de Gentenaar, ik hou van de humor van de Gentenaar, ik hou van de Brugse Poort, maar ik ben geen Gentenaar, ik ben een Meetjeslander. Geworden, want, zoals reeds gezegd, ik ben West-Vlaming van geboorte.

Dat hoor je dus nog altijd hoor!

Er zijn periodes geweest van niet! De laatste tijd let ik er weer minder op, maar in de tijd in Leuven wílde ik dat zelfs niet, en ze hoorden het dus niet! Dus als ik wil, hoor je het niet. Maar als ik in West-Vlaanderen West-Vlaams probeer te spreken, zeggen ze altijd dat ik Gents spreek. Ik ben verwant met Gent, maar ik ben echt wel een Meetjeslander. Ik voel me geen West-Vlaming meer, in die zin dat ik daar weg ben. Mijn ouders zijn intussen ook gestorven. Mijn broer woont daar nog wel, maar mijn zus woont in Brugge, en mijn roots, ach, dat zegt me niet veel. Ik heb daar in mijn jeugd in een rockgroepje gespeeld, en nu is er iemand die aan het opzoeken is wat er in Veurne allemaal gebeurd is in de jaren zestig: ik moet plots allemaal vragen beantwoorden over vijftig jaar geleden, en ik denk: “Mijn god, mijn god!” (lacht uitbundig). Voor mij is dat afgesloten.
Maar ik vind Gent een zalige stad: net niet te groot, net niet te klein, en dynamisch, … Kijk, ik ga zeer graag een keer met vrienden naar Brugge wandelen. Magda (zijn vrouw, nvdr.) is van Brugge, haar hart ligt daar, maar in Brugge wandelen, dat is zoals in Venetië: je wandelt in een museum. Dat is leuk om eens te doen, maar om daar te wonen? Nee, geef mij dan maar Gent. Gent is dynamisch, ik kan het niet anders zeggen. Dat is altijd al zo geweest, ook toen ik er toekwam. Toen was er een heel ambetant, autoritair en conservatief stadsbestuur, er was een bisschop die nog erger was dan Léonard vandaag, maar de Gentenaar, die laat zich niet doen, die heeft iets van een rebel in zich. Een Gentenaar spot graag met zichzelf. Ik heb altijd gezegd: humor, ja, op voorwaarde dat je ook met jezelf kan lachen. Zelfrelativering, dat is me aangeboren, dat vind ik absoluut belangrijk. Als je jezelf té au sérieux neemt, dan kom je er niet, en een Gentenaar heeft dat van nature. Misschien heb ik wel veel geleerd van Gentenaars: de manier waarop zij zich zonder complexen kunnen blootgeven en met al hun zwakke kanten naar buiten komen, zonder iets weg te steken, ik hou daarvan.

Voilà, de eerste vraag zit erop (lacht opnieuw uitbundig). Ja, ik kan dat niet, kort antwoorden. Daarom ben ik ook een slecht schrijver: ik kan geen voorstellingen schrijven, ik maak mijn voorstellingen al vertellend. Ik vertel en vertel, en iedereen die ik tegenkom weet dat dan: binnen de kortste keren ben ik dingen aan het uittesten. Van pukkels en rimpels bijvoorbeeld heb ik zo gemaakt. Ik ben wel met een groep senioren gaan praten, en met vijftien-, zestienjarigen, maar voor de rest … Iedereen die ik tegenkom, klamp ik aan en dan probeer ik, en dan zie ik aan de gezichten: “Ok, dat zit goed, dit is serieus, dit wordt lachen, dit ga ik houden, dit niet”.

(Origineel geschreven en gepost op Gentblogt)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *