Dag pa

Dag pa

zie ons hier eens allemaal zitten. Wij hadden dit niet verwacht, en gij al zeker niet. Twee weken geleden zat ge op zondag, zoals elke zondag, nog rustig bij ons: ge hadt uw voorgerechtje binnengespeeld, met veel smaak uw hoofdgerecht, en zoals altijd hadt ge, toen Merel een koffie met een koekske voor uw neus zette, verbaasd gereageerd met een “Ah? Dank u”.

En daarna gingt ge onverdroten aan het werk om mijn berg gewassen kousen te sorteren en samen te steken. Ge deedt dat graag, want dan kondt ge u nuttig voelen, zeidt ge. En ja, ge deedt mij daar ook echt een plezier mee.

En dan hadt ge u efkes buiten gezet: de zon op uw gezicht deed deugd, zeidt ge altijd. Voor uw taartje kwaamt ge weer binnen, natuurlijk. Want eten, dat was uw lang leven, en naar die zondagen, daar keekt ge naar uit.

Toen ik u tegen vijf uur terug naar uw kamer in het woonzorgcentrum bracht en ik “tot volgende week” zei, antwoordde ge altijd: “Bij leven en bij welzijn, als God het wil”, waarop ik, steevast: “Inshallah”. En ge moest elke keer weer glimlachen daarom.

Het heeft deze keer niet mogen zijn, vader. Heel tegen mijn gewoonte in kwam ik op donderdagavond bij u, net op tijd om te zien hoe ze juist de ambulance hadden gebeld omdat ge 41 graden koorts hadt. De huisdokter dacht aan longontsteking, maar later op intensieve wisten ze te zeggen dat het griep was, maar dat ze er maar niet in slaagden u te stabiliseren. De zuurstof bereikte uw spieren en organen niet meer, pa. Het had geen zin: ze konden u niet redden zonder blijvende schade, en dat wilden we u niet aandoen.

De afgelopen jaren waren sowieso al zo zwaar geweest: de opnames met een psychose, die operatie voor darmkanker, de slokdarmproblemen, uw parkinson die er niet minder op werd… Gelukkig kwam er een plaatsje in de Vroonstalle, op een straat van mijn deur. En daar waren we allemaal gerust in: ge zat daar goed, ge kreegt uw medicatie en de nodige omkadering.

Ge waart ook helemaal anders dan vroeger, pa: vroeger waart ge wat ze noemen “ne moeilijke mens, enen met een serieus karakter”. Maar sinds ons ma er niet meer was, waart ge inschikkelijker, zachter, meegaander. Het heeft wel wat met u gedaan, ons ma verliezen, en ik snap dat. Ik mis ze ook nog altijd, ik kan me niet voorstellen hoe gij u moet gevoeld hebben. Tien jaar zonder haar, pa, ge hebt het toch maar gedaan.

Het is goed geweest, vader. Maar morgen is het zondag, en ik ga verloren lopen, dat weet ik nu al. Wie gaat er nu mijn kousen doen? Wie gaat er nu verlekkerd zitten kijken naar het eten dat Bart op tafel zet? Wie gaat er nu tegen Merel zeggen dat ze weer gegroeid is, tegen Kobe dat hij algelijk toch ne groten is, en tegen Wolf dat hij zo ne stevigen is? En dat hij zo trots is op al zijn kleinkinderen?

Waar ge ook zijt, pa, ik hoop dat het u goed gaat. Dat ge moogt zijn waar ge wilt, en dat ge daar ook bij ons ma zijt. Doe haar de groeten. Wij, wij trekken hier wel onze plan. We kunnen niet anders. Maar we missen u pa, en dat zal nog even zo blijven.

Inshallah.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *