Vlamertinge, Ieper en Beselare

Het zijn blijkbaar zware tijden: vandaag werd de vader van een fijne collega begraven, en dus stond ik iets voor half elf in de kerk van Vlamertinge, een deelgemeente van Ieper. Het werd een mooie, ingetogen maar ook moderne dienst, en ik zat bij een handvol collega’s.

Nu ik daar toch in de streek was, ging ik meteen blijven en geocachen in de buurt. Maar ik reed dus eerst naar Ieper zelf om daar op de grote markt iets te eten, met mijn boekje erbij.

Je kan in Ieper niet passeren, vind ik, zonder even het museum In Flanders Fields binnen te gaan: dit zijn toestanden die we nooit mogen vergeten, en elke keer pakt het me weer. Ik bleef er amper een half uurtje, meer was ook niet nodig, ik ken het museum wel, maar toch…

Het was echt heet, intussen was het tegen drie uur, en ik moest ten laatste tegen zessen alweer in de auto zitten want vanavond was er een sessie van Ghostbusters roleplay in mijn tuin. Het rondje in Beselare dat ik voorzien had, zou wellicht te lang duren, en dus besloot ik om de fiets te laten voor wat hij was en labcaches en virtuals op te pikken in Ieper zelf.

Ik wist overigens niet dat Ieper zo mooie vestingen had, met water en park en al. Mooi!

Intussen was het vier uur, maar Geraard belde intussen de sessie af wegens opkomende migraine. Allez ja, ik ben zodanig gewoon dat hij meestert, dat ik dacht dat de sessie afgeblazen was, terwijl bij Ghostbusters hij gewoon een speler is en Koen degene is die meestert. Ha, dacht ik, dus toch dat rondje in Beselare!

Ik naar ginder, me geparkeerd op een droog stuk gemaaid veld, de fiets afgeladen, en begonnen aan dat rondje van 21 caches. En toen stuurde Ruben dat de sessie dan toch doorging, als er maar één iemand afbelde? Euh… Dju! Ik ging het rondje dan wel inkorten en de rest voor een andere keer laten. Tot Ruben, enkele caches verder, opperde dat hij misschien toch ging opgeroepen worden voor het werk omdat ze in de knoop aan het slaan waren daar. En of we het toch niet konden uitstellen. Euhm… Na veel vijven en zessen en gepalaver – ik zei dat ik nog in Ieperse streken en zat en uitstel ook niet erg zou vinden – werd beslist om het toch af te zeggen, zeker omdat ook Stefaan blijkbaar last had van de rug en niet ging komen.

Allez ju! Dus toch nog tijd om dit knappe, verzorgde en eigenlijk ook bloedhete rondje in Beselaarse velden af te werken. Ik kwam helaas geen enkel café tegen, zodat ik uiteindelijk aan een huis aanbelde om mijn waterfles opnieuw te vullen, want ik was dood van de dorst. Maar ik genoot en zag onder andere ook rotend vlas.

Toen ik aan de auto kwam, heb ik eerst even in de airco zitten uitblazen, want dat was even nodig. En toen een koekje gegeten, want ook de suiker was blijkbaar nodig.

En toen had ik nog genoeg energie om in het dorp van Beselare zelf de heksenlabcache te doen, want blijkbaar is dat een heksendorp met goed gedocumenteerde heksen. Ik ben maar door een klein stukje wijk gereden, maar de mensen zijn wel helemaal mee in het verhaal, zo blijkt.

Toen ik tegen half negen thuis kwam, was ik wel doodop, maar helemaal tot rust gekomen, en laat dat nu net de essentie van vakantie zijn, toch?

Begrafenis

Een groter contrast met de uitvaart van ons ma was eigenlijk niet mogelijk, en toch was het in beide gevallen 100% persoonlijk.

Ons ma is destijds gecremeerd, en het afscheid vond plaats in de grote aula van het crematorium: persoonlijke foto’s, boodschappen, muziek die ze zelf gekozen had, en na afloop een grote receptie met hapjes en drankjes, waarbij menig anekdote werd verteld en duidelijk werd wat voor een bijzonder persoon mijn ma was geweest. Haar urne staat nog steeds in Zomergem op de schouw.

Ons pa is begraven op het kerkhof in Zomergem, na een bijzonder traditionele mis in het Gregoriaans. Dat had hij ons ooit doen beloven: dat we de In Paradisum zouden zingen voor hem, in het Latijn. De kerk zat quasi vol, en ook de mis was persoonlijk: de pastoor heeft dat echt goed gedaan. Maar tijdens het Requiem van Mozart hield ik het toch niet helemaal droog, nee.

Na de dienst vertrokken we meteen naar de begrafenisondernemer voor een receptie in de stralende zon: met porto, en kaas en salami, ook zoals pa dat wilde. En ja, ook hier werd menig anekdote verteld en werd duidelijk wat voor een bijzonder persoon ons pa was geweest.

Tegen twaalf uur gingen we met wie dat wilde van de familie naar het kerkhof, achter de lijkwagen aan, ook zoals de traditie dat vereist, en zoals pa dat apprecieerde. We keken toe hoe hij ter aarde werd besteld, namen een laatste keer afscheid, en dekten hem met de zachtheid van de aarde toe.

En toen was er de maaltijd. Bijzonder klassiek, ook zoals pa dat wilde: enkel de familie – met uiteraard Martine erbij, dat moest gewoon – en met een klassieke menu, met een garnalencocktail als voorgerecht, varkenshaasje met een roomsaus, groenten en kroketjes, en als dessert aardbeien met ijs en extra veel slagroom. Die werd er overigens nog extra bij gezet, en ons pa zou het zalig gevonden hebben.

Het was goed. Het was zoals het zijn moest. En ik was dankbaar voor de aanwezigheid van mijn broers: we deden dat samen. Ook zoals ons pa dat zou gewild hebben.

Vaarwel pa. Ut requiescas in pace.

Dag pa

Dag pa

zie ons hier eens allemaal zitten. Wij hadden dit niet verwacht, en gij al zeker niet. Twee weken geleden zat ge op zondag, zoals elke zondag, nog rustig bij ons: ge hadt uw voorgerechtje binnengespeeld, met veel smaak uw hoofdgerecht, en zoals altijd hadt ge, toen Merel een koffie met een koekske voor uw neus zette, verbaasd gereageerd met een “Ah? Dank u”.

En daarna gingt ge onverdroten aan het werk om mijn berg gewassen kousen te sorteren en samen te steken. Ge deedt dat graag, want dan kondt ge u nuttig voelen, zeidt ge. En ja, ge deedt mij daar ook echt een plezier mee.

En dan hadt ge u efkes buiten gezet: de zon op uw gezicht deed deugd, zeidt ge altijd. Voor uw taartje kwaamt ge weer binnen, natuurlijk. Want eten, dat was uw lang leven, en naar die zondagen, daar keekt ge naar uit.

Toen ik u tegen vijf uur terug naar uw kamer in het woonzorgcentrum bracht en ik “tot volgende week” zei, antwoordde ge altijd: “Bij leven en bij welzijn, als God het wil”, waarop ik, steevast: “Inshallah”. En ge moest elke keer weer glimlachen daarom.

Het heeft deze keer niet mogen zijn, vader. Heel tegen mijn gewoonte in kwam ik op donderdagavond bij u, net op tijd om te zien hoe ze juist de ambulance hadden gebeld omdat ge 41 graden koorts hadt. De huisdokter dacht aan longontsteking, maar later op intensieve wisten ze te zeggen dat het griep was, maar dat ze er maar niet in slaagden u te stabiliseren. De zuurstof bereikte uw spieren en organen niet meer, pa. Het had geen zin: ze konden u niet redden zonder blijvende schade, en dat wilden we u niet aandoen.

De afgelopen jaren waren sowieso al zo zwaar geweest: de opnames met een psychose, die operatie voor darmkanker, de slokdarmproblemen, uw parkinson die er niet minder op werd… Gelukkig kwam er een plaatsje in de Vroonstalle, op een straat van mijn deur. En daar waren we allemaal gerust in: ge zat daar goed, ge kreegt uw medicatie en de nodige omkadering.

Ge waart ook helemaal anders dan vroeger, pa: vroeger waart ge wat ze noemen “ne moeilijke mens, enen met een serieus karakter”. Maar sinds ons ma er niet meer was, waart ge inschikkelijker, zachter, meegaander. Het heeft wel wat met u gedaan, ons ma verliezen, en ik snap dat. Ik mis ze ook nog altijd, ik kan me niet voorstellen hoe gij u moet gevoeld hebben. Tien jaar zonder haar, pa, ge hebt het toch maar gedaan.

Het is goed geweest, vader. Maar morgen is het zondag, en ik ga verloren lopen, dat weet ik nu al. Wie gaat er nu mijn kousen doen? Wie gaat er nu verlekkerd zitten kijken naar het eten dat Bart op tafel zet? Wie gaat er nu tegen Merel zeggen dat ze weer gegroeid is, tegen Kobe dat hij algelijk toch ne groten is, en tegen Wolf dat hij zo ne stevigen is? En dat hij zo trots is op al zijn kleinkinderen?

Waar ge ook zijt, pa, ik hoop dat het u goed gaat. Dat ge moogt zijn waar ge wilt, en dat ge daar ook bij ons ma zijt. Doe haar de groeten. Wij, wij trekken hier wel onze plan. We kunnen niet anders. Maar we missen u pa, en dat zal nog even zo blijven.

Inshallah.

Uitwaaien

Deze voormiddag moest ik in Veurne zijn voor de begrafenis van de vader van een fijne collega. Als ik dan toch zo ver reed op een zaterdag, vond ik dat ik er dan maar meteen een dagje van kon maken, want ze hadden goed weer voorspeld.

Viel dat even tegen… toch in de voormiddag.

De dienst was aangrijpend en het deed dan ook deugd om te kunnen uitwaaien. Mijn hoofd zat sowieso vol, het is druk op school en ik heb last van muizenissen. Tsja.

Toen we de aula uitkwamen, was het zachtjes aan het regenen. Ik reed wat verderop naar de abdij van Sint-Idesbald en logde daar een paar caches onder een dreigende maar net niet natte hemel. Ik genoot er vooral ook van de beelden van George Grard, die – zo bleek later – overal in dit stukje Vlaanderen te vinden zijn. Ik hou van veel soorten kunst, maar ik blijf vooral fan van beelden. Echt.

Ik reed wat verder naar Sint-Idesbald zelf om ook daar nog een paar labcaches te doen, maar intussen was het echt aan het regenen. Met van die dikke druppels en al. Ik heb dan maar op een parking daar in de auto mijn sandwiches opgegeten en heb nog een crèmecroissant opgepikt in een bakkerij naast een cache.

En toen zag ik zowaar een wegwijzer naar het Paul Delvauxmuseum staan: nog nooit van gehoord! Maar het leek me ideaal: het was nog steeds pijpenstelen aan het regenen en het zou over een uurtje of twee opklaren, als ik de app mocht geloven. Ik kan Delvaux wel pruimen, om het nog zacht uit te drukken, en ik had mijn Museumpas op zak, dus: allons-y!

Wat! Een! Museum! Groter dan gedacht, zeker als je de villa aan de buitenkant ziet, en wat een mooie opstelling ook! Ik heb er intens van genoten, en ik raad het iedereen aan die ergens tussen Veurne en De Panne verzeilt!

Als ik ooit nog eens in de buurt moet zijn, kom ik zeker terug, al was het maar voor de architectuur. Echt, echt genoten.

Waar ik ongeveer even hard van genoot, was het feit dat, toen ik buiten kwam, het gestopt was met regenen en een aarzelende zon nog aan het overwegen was of ze ging komen spelen. Het werd zowaar zelfs warmer… Ik reed tot in De Panne zelf en liep er door de stad, langs het strand, opnieuw door de stad en pikte links en rechts zowel labcaches als echte caches op. En de zon? Die kwam er wel degelijk door, zodat ik er op slag geen spijt meer van had dat ik een T-shirt zonder mouwen aangetrokken had. Ik at zowaar zelfs een ijsje met duindoornbes en cuberdon, vreemde combinatie weliswaar.  Ik vond er aan het standbeeld van Leopold zelfs een winkel in lederwaren waar ze een zalig lederen handtasje in knalpaars verkochten: zalig!

Ik reed wat verder met de auto, zocht tevergeefs lange tijd naar twee verdwenen caches en parkeerde me in de buurt van het Westerpunt. Het was er nog redelijk druk zo rond zes uur ’s avonds, maar het avondlicht was glorieus, zeker toen twee paarden en een pony voorbij galoppeerden.

En het haar? Dat was natgeregend en weigerde mokkend alle verdere medewerking. Tsja.

Afscheid van nonkel Staf

Vandaag hebben we afscheid genomen van nonkel Staf, Barts peter en de jongste broer van Nelly. Hij was de enige nonkel van Bart met wie ik ook echt contact had: zelfs in het prille begin, toen we nog niet lang samen waren, ben ik een paar keer gaan meehelpen op de boerderij om er hekkens, de pomp en vooral ook een dikke 15 op de brievenbus te schilderen. En stuurde hij me prompt om het lunkijzer, iets dat dus niet bestaat en waarmee ik algemene hilariteit over me heen kreeg.

Het was een beer van een man, maar dan wel van de gezellige, goedlachse soort, ne wijze mens in het plat Kruishoutems. En ik vond het dan ook jammer om hem stilaan te zien wegdeemsteren: eerst toen hij verhuisde van de boerderij naar zijn huis wat verderop, maar toch bleef meehelpen. Het was niet hetzelfde, echt niet. En toen werd het fysiek moeilijker en verhuisde hij naar een WZC in Zingem. En daar zagen we dat het ook mentaal achteruit ging: bij momenten was alles nog heel helder, op andere momenten was dat echt wel wat minder.

Staf ging ook niet meer mee op de etentjes voor kerstdag en dergelijke, dat hoefde al eventjes niet meer voor hem. Vaak zagen we hem dus niet, af en toe gingen we eens langs.

Tot Bart zondag het bericht kreeg dat er iets mis was met zijn maag en dat hij richting ziekenhuis was gevoerd, naar de afdeling intensieve. Maandag kwam dan de boodschap dat hij de ochtend niet had gehaald. Plots.

Maar eerlijk? Liever dit dan dat langzame wegzinken in dementie, zoals we bij zijn tantes hebben gezien. Staf was vrolijk, was graag gezien, was graag onder de mensen, en zo zal ik me hem ook herinneren. Een warme, hartelijke, soms strenge maar doorgaans bijzonder aangename mens, eenvoudig, simpel, rechtuit en eerlijk.

Stafke, waar dat ge ook zijt: het ga u goed. En drinkt er nog enen op, nen dreupel, maar dan enkel enen van Filliers. Zo hoort dat.

Rust zacht, nonkel Wim.

Eerder deze week bereikte me het bericht dat mijn grootnonkel Wim plots overleden is. Allez, strikt genomen is hij inderdaad mijn grootnonkel, wegens het kleine broertje van mijn grootmoeder, een achterkomertje, maar eigenlijk was hij ongeveer even oud als mijn ma. Zijn jongste dochter is Ellen, jonger dan ik, in wier huisje in de Ardennen we al zo vaak zijn mogen gaan logeren. Ik heb eigenlijk best wel een goed contact met haar, dankzij ons beider blogs, en ik volgde de gezondheidstoestand van haar pa wel een beetje dus. Ja, ik wist dat hij parkinson had, net zoals mijn pa, maar wel in veel ergere mate. En ik wist ook dat hij sinds een paar maanden in een verzorgingstehuis was opgenomen, omdat tante Francine het echt niet meer aankon om voor hem te zorgen, zo hulpbehoevend was hij intussen.

Maar zijn dood zelf was eigenlijk heel erg plots, totaal onverwacht. Dus ja, ik was behoorlijk verschoten. Ons pa was gevraagd aan de koffietafel, maar aangezien hij zelf niet meer mag rijden, had dat wel wat voeten in de aarde om alles geregeld te krijgen. Hij is gelukkig mee kunnen rijden met Jeroen, en ik heb hem dan tot aan de zaal gebracht, waarna hij met een van mijn nonkels kon meerijden. Gelukkig.

En de begrafenis, goh, ik had er hartzeer van. Ja, zoals zijn kinderen zelf zeiden, was het al een lange weg geweest van afscheid nemen. Afscheid nemen van het klussen, afscheid nemen van het auto rijden, afscheid nemen van het samen op vakantie gaan, afscheid nemen van het fietsen, afscheid nemen van de lange wandelingen, uiteindelijk zelfs afscheid nemen van de gesprekken… En dan ben ik toch ongelofelijk blij dat ons ma dat niet heeft moeten meemaken. Dat ze tot vijf dagen voor haar dood gewoon nog zelf boodschappen had gedaan en zelf had gekookt. Dat ze tot op het einde nog ongelofelijk helder was, en dat het allemaal zo rap is gegaan.

Maar ik voelde mijn hart opnieuw breken in Ellens plaats. Ja, ik weet het, we moeten onze ouders allemaal afstaan, maar soms is het gewoon te vroeg. Ik denk niet dat haar kinderen zich hun opa echt zullen herinneren, en dat, dat besef alleen al, doet pijn. Dat vond ons ma ook het ergste: dat ze de kinderen niet meer ging zien opgroeien, en dat Marne zich haar wellicht nooit meer bewust zal herinneren.

Ik heb ons pa afgezet en ik ben nog gaan cachen in Deinze. Gewoon, op mijn eentje, uitwaaien, alleen met mijn gedachten. Ik had dat even nodig, en gelukkig begrijpt Bart dat ook.

Want soms, soms gaat het diep.

Rust zacht, nonkel Wim.