Allerheiligen

Bart wil graag een nieuwe traditie opstarten: met het hele gezin, en dan later ook met de partners en kinderen, samen gaan eten op 1 november. Dan hoeft voor hem het nieuwjaren op zich niet, dat is sowieso een drukke periode.

Vandaag gingen we dus met zijn allen – Arwen kon niet mee – naar het kerkhof, waar voor het eerst ook Nelly lag. Het deed vreemd…

We reden voor het eerst ook eens door naar Wannegem, om daar het graf van de tanten te groeten, en dan door te rijden naar een uitstekende bistro, Het Landhuys, in Nokere. Bijzonder lekker, en ook echt wel aangenaam zitten. Het deed ook deugd om de kinderen zo ongedwongen om ons heen te hebben, zonder extra volk en zonder dringende besognes.

Het duurde allemaal wel wat langer dan we gehoopt hadden, zodat Wolf nog een vergadering begon te volgen vanuit de auto en we hem rechtstreeks afgegooid hebben aan de Loods, waar zijn fiets toch nog stond.

Tegen vier uur waren we opnieuw thuis in ons eigen comfortabele huis en kon de rest van de vreemde zaterdag zijn beloop hebben. Het voelde zondag aan, met als plus dat we morgen dus nog een dagje hebben. Oef.

Afscheid van Nelly

Het ging al lang niet zo goed met Nelly, Barts mama. Ze had veel pijn door de vorm van reuma die ze had, de pijnmedicatie werkte niet meer zoals het hoorde, en door de cortisol was ze opgezwollen. Zij die altijd overal voor iedereen had gezorgd, voor iedereen in de bres was gesprongen, iedereen had geholpen, was nu bijna volledig afhankelijk geworden van anderen, en was daardoor ook niet echt vrolijk geworden.

Enkele maanden geleden had ze de knoop doorgehakt: het was genoeg geweest. Het traject had nog even geduurd, maar vorige week is ze dan, in het bijzijn van haar zonen, volgens eigen wens en naar eigen keuze ingeslapen.

Vandaag was er de uitvaart, en ook daar hoorden we het vaak: een bijzonder zorgende, actieve vrouw met een heel eigen wil. Het deed deugd om haar vriendinnen te zien, want doorheen die meer dan dertig jaar dat ik een deel uitmaak van Barts leven, heb ik ook die vriendinnen leren kennen. Samen hebben we afscheid genomen.

Nelly, ik wil je bedanken voor alles, maar in het bijzonder voor die fantastische, onvoorstelbaar fijne en even zorgende zoon van jou. Het ga je goed, waar je ook bent.

Gelukkige tachtigste verjaardag, ma!

Hey ma,

ik bel om u ne gelukkige verjaardag te wensen he! Tachtig, een schoon getal. Ik denk dat ge nog altijd een wreed kranig geval zoudt geweest zijn, waarschijnlijk wel met last van uw knieën, maar toch niet opgevend en wellicht nog altijd op wandel aan het Sas.

Ik kan me nog altijd niet indenken dat ik u al negen jaar moet missen, ma. Ge zoudt zo mega trots zijn op uw drie kleinkinderen, maar geloof me, pa is dat in uw plaats. Elke keer als hij ze ziet, begint hij te glunderen. Elke week is Merel gegroeid, elke keer is Kobe ne langen en Wolf nen breden. Ja, hij komt hier nog elke zondag eten en de kousen sorteren en mijn blog lezen.

’t Is wel een gemak nu: sinds eind maart zit hij hier letterlijk om de hoek in een WZC, de Vroonstalle. Is het ideaal? Goh, er valt wellicht overal wel iets op aan te merken, maar ik heb er in elk geval een goed gevoel bij, en hij is er wel graag, zegt hij. Het is natuurlijk niet thuis, maar hier hoeft hij zelf ook nergens aan te denken en moet hij ook niet bang zijn dat hij iets vergeet: hij krijgt er drie deftige maaltijden per dag, koffie met iets bij, en vooral: hij krijgt zijn medicatie zoals het hoort, en daar liep het vroeger al eens fout. Hij eet ook geen ganse week meer van hetzelfde bord, maar zijn kleren, dat is nog altijd niet helemaal comme il faut: hij zou nog steeds een hele week met hetzelfde aanlopen, als ik er niet op aandrong om te wisselen. Hij moet nochtans zijn was niet doen of laten doen: ik pak die elke week mee, en vaak krijgt hij die dezelfde zondag nog terug. Verder kijkt hij tv en leest hij vooral veel. Het is nooit ne wreed sociale mens geweest, en dat verandert ook nu nog altijd niet: de activiteiten, dat ziet hij blijkbaar niet zitten.

Hij heeft wel – gelukkig – de cafetaria beneden ontdekt en gaat er af en toe eens in de tuin zitten om een ijscrème te eten, als er is. Daar ben ik blij om, want zelf initiatief nemen, dat is moeilijk.

Ach ma, ge zoudt hem onder zijn voeten geven en ge zoudt gelijk hebben ook.

Intussen staat het huis in Zomergem leeg, en ma, ik kijk er absoluut niet naar uit om het te moeten leeghalen. Man, maar gulder hebt rommel verzameld! Aan de andere kant zijn er ook miljoenen kleine dingetjes die mij aan u doen denken en waarvan ik het dus moeilijk heb om ze weg te doen. En er zijn dan ook nog heel veel dingen die nog altijd bruikbaar zijn. Het zal kringwinkel worden, denk ik dan. Gelukkig is er geen haast bij: het huis zal verkocht worden en wellicht afgesmeten om plaats te maken voor een appartementsblok, maar we hebben het geld niet nodig, en het wordt dus een werk van lange adem. Eerst moet Jeroen zijn eigen brol uit de garage halen voordat we daar kunnen beginnen verzamelen en sorteren. En dan mag iedereen langskomen om mee te nemen wat hij of zij wil. De jongens en ik gaan zeker nog eens langsgaan om de kast uit Roelands kamer mee te nemen voor Wolf zijn kamer op kot, en wellicht ook de wasmachine voor ginder. En dan nog wat kleine spullen, vermoed ik.

Ach ma…

Het zijn zo allemaal van die praktische dingen, maar ik zou er verdomd veel geld voor geven om nog echt ne keer met u aan telefoon te kunnen hangen. Pakt een uurke of twee dan, en ik denk dat we nog niet uitgetetterd zouden zijn.

Maar weete? Het is nen wreed schonen dag vandaag, de zon schijnt, de witte rozen in mijnen hof bloeien, en ik denk met weemoed terug aan u. Ge waart een straffe madam, een speciaal geval, een zotte doos, en een wreed goeie moeder. Geniet maar van uwen verjaardag, ma’tje. En ge hebt de groeten van Bart en de kinderen.

Afscheid van nonkel Staf

Vandaag hebben we afscheid genomen van nonkel Staf, Barts peter en de jongste broer van Nelly. Hij was de enige nonkel van Bart met wie ik ook echt contact had: zelfs in het prille begin, toen we nog niet lang samen waren, ben ik een paar keer gaan meehelpen op de boerderij om er hekkens, de pomp en vooral ook een dikke 15 op de brievenbus te schilderen. En stuurde hij me prompt om het lunkijzer, iets dat dus niet bestaat en waarmee ik algemene hilariteit over me heen kreeg.

Het was een beer van een man, maar dan wel van de gezellige, goedlachse soort, ne wijze mens in het plat Kruishoutems. En ik vond het dan ook jammer om hem stilaan te zien wegdeemsteren: eerst toen hij verhuisde van de boerderij naar zijn huis wat verderop, maar toch bleef meehelpen. Het was niet hetzelfde, echt niet. En toen werd het fysiek moeilijker en verhuisde hij naar een WZC in Zingem. En daar zagen we dat het ook mentaal achteruit ging: bij momenten was alles nog heel helder, op andere momenten was dat echt wel wat minder.

Staf ging ook niet meer mee op de etentjes voor kerstdag en dergelijke, dat hoefde al eventjes niet meer voor hem. Vaak zagen we hem dus niet, af en toe gingen we eens langs.

Tot Bart zondag het bericht kreeg dat er iets mis was met zijn maag en dat hij richting ziekenhuis was gevoerd, naar de afdeling intensieve. Maandag kwam dan de boodschap dat hij de ochtend niet had gehaald. Plots.

Maar eerlijk? Liever dit dan dat langzame wegzinken in dementie, zoals we bij zijn tantes hebben gezien. Staf was vrolijk, was graag gezien, was graag onder de mensen, en zo zal ik me hem ook herinneren. Een warme, hartelijke, soms strenge maar doorgaans bijzonder aangename mens, eenvoudig, simpel, rechtuit en eerlijk.

Stafke, waar dat ge ook zijt: het ga u goed. En drinkt er nog enen op, nen dreupel, maar dan enkel enen van Filliers. Zo hoort dat.

Acht jaar…

Hey ma

ik dacht, ik bel nog ne keer, want het is al zo lang geleden… Acht jaar, ma, ik kan het me soms niet voorstellen, maar ja, het is al acht jaar geleden dat ik u heb moeten afgeven. En toch kan ik u nog altijd horen lachen, horen proesten, maar ook verontwaardigd horen snuiven als ik weer eens iets doms heb gezegd. Of gedaan, dat ook. Ik zie u nog altijd in zo veel kleine dingen, ma. Neem nu daarnet: ik zag passeren dat er een nieuw seizoen is van Downton Abbey, en ik dacht onmiddellijk dat we dan weer commentaar konden geven op de kleren. Ik zie u ook soms zo hard in mezelf. Onlangs deed ik voor een larp lippenstift op, en ja, ik zag daar onmiddellijk u in. Blijkbaar hebben we dezelfde mond. En ook dezelfde manier van doen, dat hoor ik nog vaak.

Soms komt het ook keihard binnen, nog altijd, na acht jaar. Ik kan nog altijd niet zonder meer naar “Chan Chan” van de Bueno Vista Social Club luisteren, en toen het vorige week eindelijk eens mooi weer werd, kwam Merel beneden in uw vrolijk zwierige kleurrijke zomerkleedje. Dat hing in mijn kast omdat ik daar geen afscheid van kon nemen, en zij heeft het gepikt. En ze ziet er zo goed mee, ma, ge hebt er geen gedacht van. Ja, dat kwam efkes binnen. Ach, ze wordt zo groot ma, ge zoudt er zo veel deugd van hebben om ze te zien. Ze is nu al groter dan gij, met haar grote blauwe ogen en haar blonde haar, en het is zo een wijze. Eigenlijk zijn ze dat alle drie, maar over Kobe zoudt gij ook af en toe uw hoofd schudden. En hem een preek geven zoals alleen een oma dat kan, dat ook.

Van preken gesproken: ik heb dat daarnet ook nog bij ons pa moeten doen. Hij ligt weer in het ziekenhuis, ma, en hij kan er echt niks aan doen. Hij heeft een slikprobleem, dat weet ge, en het ging de laatste week totaal, maar ook totaal niet meer, hij hield zelfs geen glas water meer binnen en dus ook zijn medicatie niet. Blijkt dat hij littekenweefsel heeft op die slokdarm en dat daardoor alles blokkeert. Hij mag voorlopig niks, totaal niks eten totdat alles volledig genezen is en ze een dilatatie kunnen uitvoeren. Maar die eerste dagen – we hebben hem vrijdag binnengevoerd – kreeg hij puddinkjes die hij netjes opspaarde in zijn ijskastje. Toen hij na de diagnose geen eten meer kreeg – wees gerust, ma, hij krijgt genoeg via baxter – nam hij zijn toevlucht tot die puddinkjes, en de dokter snapte aan geen kanten waar hij die puddinkjes vandaan haalde. Ge hadt hem moeten zien blinken, daarjuist, toen hij dat vertelde. Serieus, ma, er zijn misschien kosten aan zijn lijf, maar die blinkoogskes, die is hij nog altijd niet kwijt.

Ik mis u, ma. Gewoon om tegen te kletsen, om mijn stommiteiten aan te vertellen, om ne keer goed tegen te kunnen zagen, zelfs om onder mijn voeten te krijgen dat ik weer ne keer iets vergeten ben of dat ik zo dik aan het worden ben. Maar voor één ding ben ik blij: dat ge dat weer van de afgelopen maanden – wat zeg ik: afgelopen jààr – niet hebt meegemaakt. Maat, maar gij zoudt daar nogal ne keer over gezaagd hebben! Het is nu weer aan het regenen en het gaat de komende dagen nog meer van dat zijn. Het heeft eigenlijk nog vrijwel niets anders gedaan dan regenen, behalve hier en daar ne keer nen beteren dag, en ge zoudt stilaan onnozel aan het worden zijn daarvan.

Maar den hof groeit en bloeit, en Bart heeft witte klimrozen geplant en die zijn nu aan het bloeien en ze hangen voor mijn venster, en elke keer dat ik ze zie, moet ik aan u denken, ma. Ik zou zo graag nog ne keer met u gaan wandelen rond het sas en ondertussen maar kletsen. Ik zou zo graag u nog gewoon ne keer zien, ma. Ik zou u vastpakken en efkes gewoon niet meer loslaten.
Maar ondertussen bel ik nog af en toe ne keer. En ook al kunt gij niet meer zelf antwoorden, ik weet wat ge zoudt zeggen, en ik glimlach al op voorhand.

Allez ma, ik ga u laten. Tot in den draai hé.

Saluuuu!