Het was me al even niet gelukt om nog naar de Vampire te gaan: sneeuw en veel te moe, ziek, andere verplichtingen, dat soort dingen.
Maar vandaag stond ik in de Afkikker – dertig jaar niet binnen geweest – en heb ik me goed geamuseerd, ja. Ik heb nog steeds wat moeite met het personage dat ik moet spelen, omdat de meeste spelers het hele spelsysteem en de wereld pakken beter kennen dan ik, maar het begint te komen. Ik weet in elk geval wel dat ik blijkbaar wel op de juiste manier overkom, en ik heb een zalige medespeelster die het wel beter kent en veel dingen overpakt.
Samen zijn we blijkbaar een zeer indrukwekkend harpijencombo. Yup, ik ben nog niet uitgespeeld daar.
Net zoals vorig jaar kregen Merel en ik een verjaardagscadeautje van Marleen, en wat anders dan iets uit het Poëziecentrum? Ik was vorig jaar bijzonder opgetogen over de poëziekalender van Plint en wou die opnieuw, en Merel had toen een heel mooi bord gezien met een Merelgedicht, en had daar eigenlijk nog steeds haar zinnen op gezet.
Vandaag ben ik eindelijk in het Poëziecentrum geraakt, en jawel, daar lag netjes een pakketje op ons te wachten: de kalender en het bord!
Ik bleek dan ook nog eens op het ideale moment te komen, want gisteren was het Gedichtendag en het is nog de hele week Poëzieweek, en dan krijg je in het Poëziecentrum ook nog wat extra’s. Ik kocht dus nog een bundel, kreeg er het Poëziegeschenk bij – een bundeltje over Metamorphoses – en een poster. En ik, ik was helemaal happy!
De kalender hangt intussen al op in het toilet, het bord staat in de kast en voor de poster zoek ik nog een plekje.
Boek nummer twee van de leesclub werd het young adult-boek I’ll give you the sun van Jandy Nelson. Zelf had ik er nog niet van gehoord, maar er werd me verzekerd dat dit een goed boek was. Dat bleek ook te kloppen, en dan vooral door de ingenieuze vertelstructuur.
Het verhaal volgt een tweeling, Noah and Jude, die eerst heel erg close zijn, tot ze hun moeder verliezen en daardoor uit elkaar groeien. We krijgen eerst het verhaal van de dertienjarige Noah die blijkbaar de weirdo van de klas is: niet gepest maar ook niet geaccepteerd. Hij tekent alles wat hij ziet, heeft een enorm talent en denkt in beelden. Zijn zus Jude is dan weer het populaire surfende meisje dat het vaak voor haar broer moet opnemen.
Het volgende hoofdstuk geeft ons het vertelperspectief van Jude, drie jaar later. Op dat moment blijkt zij de vreemde eend in de bijt te zijn, gehuld in oversized kleren, zich afsluitend van de rest van de wereld. Noah is gestopt met tekenen – om een of andere vreemde reden is hij niet geaccepteerd in de kunstschool, en Jude wel – en is nu een doodnormale, populaire jongen die bij momenten zijn zus moet verdedigen.
De hoofdstukken en vertelperspectieven wisselen elkaar af, en in het begin is het soms vreemd. Maar dat is net wat iedereen zo boeiend vond: beetje bij beetje krijg je extra stukjes van de puzzel en valt het hele plaatje netjes in elkaar. Gaandeweg wordt duidelijk wat er in de drie tussenliggende jaren is gebeurd, wat het impact op zowel Noah en Jude is, en waarom het allemaal fout is gelopen. Een ding staat daarbij centraal: eerlijkheid. Ze hebben beiden gelogen, dingen verzwegen en feiten verdraaid. Dat zorgt voor de nodige plotwendingen en onverwachte onthullingen.
Wat mevrouw Rombaut een beetje jammer vond, was dat het echt allemaal een positief einde krijgt: eind goed al goed. Maar er werd haar verzekerd dat dat nu eenmaal de stijl is van de meeste young adult-boeken, waar zelden een open of halfopen einde is.
Niet iedereen had het boek helemaal uitgelezen, maar ze waren wel van plan dat zeker nog te doen, juist omdat het pas op het einde is dat alles helemaal duidelijk wordt. Iedereen was het er roerend over eens: het is een goed boek.
Op algemene aanvraag wordt het volgende boek The Song of Achilles van Madeline Miller, een boek dat we in 2022 al gelezen hebben met de leesclub, maar uiteraard zijn die leerlingen intussen al allemaal afgestudeerd. Toen oordeelden we dat dit een steengoed boek is, en blijkbaar leeft het nog steeds. We komen hiervoor samen op maandag 16 maart 2026 om 15.30 uur in lokaal 1.23.Â
Iedereen is welkom, ook ouders, grootouders en oud-leerlingen. Geef gewoon een seintje, en we zorgen ervoor dat er voldoende cake voorzien wordt.
Toen ik de aankondiging had gezien van deze Huiskamerkuren met Milo Meskens, had ik er niet op ingetekend: ik ken amper een nummer of twee van de man, en ik wist dat het een drukke week ging zijn.
Maar Jeroen liet in de loop van de namiddag weten dat Alexander toch liever bleef studeren en dat hij dus een kaart over had. Allez hup, ik tegen kwart voor acht naar Zomergem dus, samen met mijn broertje, zijn vrouw en hun dochter.
Zeggen dat ik er geen spijt van had, is ook nu weer een beetje een understatement, want ik durf beweren dat dit de beste huiskamerkuren is die ik al gezien heb, en dat wil wat zeggen, als je al Jan Hautekiet en Rick De Leeuw hebt gezien, of Klaas Delrue, Jan De Smet en nog wel enkele optredens.
Deze man is namelijk een rasmuzikant, en daarnaast een ongelofelijk sympathieke kerel. Maar echt. Voor zo’n jonge gast – hij is nog altijd maar dertig, en is al tien jaar bezig – stond hij vol zelfvertrouwen en zeker van eigen kunnen op het kleine podiumpje, en hij genoot zichtbaar. Zoals hij zelf zei: het was fijn om eens op zijn eentje te kunnen spelen en dus ook volledig zijn goesting te kunnen doen. Een echte setlist had hij niet bij: hij had een cursusblok gevraagd en gekregen, en daar een twintigtal nummers op gezet die hij eventueel wel zag zitten om te spelen. Maar op zich was het eerder op goed geluk: we mochten zelfs gewoon een cijfer roepen en dat nummer speelde hij dan. Hij liet zich echter ook gewoon leiden door de inspiratie van het moment, en van het feit dat er een piano stond: zelden iemand zo opgetogen gezien over een piano! Vol enthousiasme plofte hij achter dat klavier neer, begon te spelen, en stopte ook weer prompt: de cowboybotten die hij die middag had aangetrokken, waren blijkbaar geen ideale vestimentaire keuze om piano te spelen. Hij vroeg dan ook verschoning aan zijn publiek en ging vrolijk op zijn sokken verder. Het tekent Meskens: hij heeft de hele avond op zijn sokken staan spelen, piano, akoestisch gitaar, elektrische gitaar, het maakte niet uit: hij genoot van de schapenvelletjes onder zijn voeten.
Het zegt ook veel over de kwaliteit van zijn nummers – de meeste sowieso trage, melancholische melodieën – dat ze volledig uitgepuurd 100% overeind blijven. Hij bracht ze telkens met overtuiging, al twijfelde hij er soms luidop aan of het wel een goed idee was om een bepaald nummer op piano te brengen, terwijl het daar absoluut niet voor geschreven is. Hij gaf ook commentaar op die nummers: waarover ze gingen, hoe ze waren geschreven, hoe hij zich voelde tijdens corona en over de mentale problemen waarin hij verzeild was. Heel open, heel eerlijk, en bij momenten ook heel grappig en vooral spontaan. Echt, fantastische mens.
Al bij al heeft hij net geen twee uur gespeeld, veel langer dan eigenlijk de opzet is, gewoon omdat hij dat kon. En wou. En zich overduidelijk amuseerde. En het publiek, dat zei absoluut geen nee.
Euhm, ik geloof dat dit boek valt onder de noemer ‘kleppers’, en ik ben er eigenlijk nog steeds niet helemaal uit wat ik er nu van vond.
Het is een kleine 800 pagina’s en ik heb me er bij momenten moeten doorworstelen. De ik-persoon is Wilkie Collins, de auteur van The Woman in White, en vriend en tijdgenoot van Charles Dickens. Simmons emuleert de stijl van die tijd en schrijft dus in de barokke volzinnen van een Dickens, helaas zonder zijn genialiteit. Pas op, het is niet slecht geschreven he, maar zoals bij Collins zelf zou ik er toch vlotjes een derde uit geschrapt hebben. Hij gaat soms oeverloos door op details en beschrijvingen, terwijl je eigenlijk gewoon verder wil met het verhaal.
En dat verhaal, dat is er vooral eentje van jaloezie en hypnose. In Dickens’ tijd was hypnotiseren – mesmerize – zeer populair, en Dickens hield zich er ook zelf mee bezig. Het verhaal is volledig gebaseerd op echte personages, op echte gebeurtenissen en echt geschreven boeken en dergelijke, maar daar dan als extra laagje overgegoten. Je kan in de biografieën van beide heren perfect alle locaties, personages en boeken opzoeken, dat klopt volledig.
Dickens overleefde in 1865 the Staplehurst Rail Crash en had daar toen een sinister figuur gezien, ene Drood, die voor hem een obsessie zou worden (in het boek dan toch). Hij heeft het er uitgebreid over met Wilkie Collins, die uiteindelijk, wellicht onder opiuminvloed, die obsessie overneemt en zijn leven volledig laat bepalen door diezelfde Drood, een crimineel meesterbrein met occulte Egyptische krachten.
Het hele boek draait rond deze Drood, maar eigenlijk nog veel meer rond Charles Dickens en de professionele jaloezie die Collins koestert voor de ‘Onnavolgbare’. Eigenlijk is het een verkapte biografie van zowel Dickens als Collins, mocht je het Drood-verhaal weglaten. En vanwaar komt nu die naam? Het laatste, onafgewerkte boek van Dickens heet The Mystery of Edwin Drood.
Tsja.
Heb ik het graag gelezen? Goh… Ik heb het drie sterren gegeven, terwijl ik vaak vrijgeviger ben. Zou ik het aanraden? Alleen aan mensen die graag Dickens en co lezen, en bereid zijn zich door zo’n pil te worstelen. Want ik lees graag Dickens – ik heb zowat alles van hem gelezen intussen – maar deze Drood ging voor mij net iets te ver. Nope, Simmons, dit is niet zoals jouw excellente Hyperion, eerder zoals de veel mindere vervolgen daarop.
Gerhard Richter, dat is zo’n beetje als Rothko, vond ik. Die heb ik iets meer dan twee jaar geleden ook gezien hier in de Fondation Louis Vuitton, en daar was ik toen ondersteboven van, terwijl dat ’toch maar’ wat kleurvlakken zijn.
Richter kende ik van zijn streepjes, maar die man is zo gigantisch veel meer. Zoals Bart het stelde: dat is zowat de Picasso van onze tijd. Want ja, die man leeft nog, en heeft intussen een eigen museum in Duitsland en overal overzichtstentoonstellingen, zoals deze prestigieuze hier in Parijs.
De man kan fantastisch schilderen, en dat bewijst hij zelfs tijdens zijn abstracte periode door af en toe een schilderij te maken van zijn geliefde of van zijn dochter dat bijna fotorealistisch is. Maar hij tast de grenzen van zijn kunnen af, de grenzen van de schilderkunst en het is prachtig om zijn evolutie te zien. Het is ook onvoorstelbaar hoe de Fondation erin geslaagd is om al deze werken samen te brengen van over de hele wereld. Chapeau!
Sommige dingen spraken me minder aan, bij andere heb ik me ook echt neergezet om een tijdje te zitten kijken. Het heeft me niet zo diep geraakt als Rothko, maar geloof me, die streepjes zijn zoveel meer dan gewoon streepjes, als je ze in het echt ziet. En zijn reeks over de aanslagen van de R.A.F., die komt gewoon visceraal binnen.
Soit, tegen half negen hadden we onze spullen opgeruimd, waren we via het piepkleine – en dus claustrofobische – liftje naar beneden gegaan en zaten voor een croissantje.
We wandelden iets verderop om onze bagage af te geven en namen dan een Uber. Het is wel makkelijk zo: tegenwoordig bestaat er een service die aangeeft waar je overal je bagage in bewaring kan geven voor een dagje: voor 6 euro konden we ons valiesje afgeven om 9.00 uur en die dan later, rond een uur of vijf, weer gaan ophalen. Dat was in een gewoon kleiner hotelletje, maar ik kan me voorstellen dat die op een dag zo ook wel een fijne bijverdienste hebben. Handig!
Een dik half uur te vroeg stonden we dus voor de Fondation Louis Vuitton, zodat we nog een wandeling door het park achter het gebouw maakten. Wel, daar heb ik dus ook van genoten, zo aan de arm van mijn liefste.
En toen stonden we bij Gerhard Richter, maar die krijgt zijn eigen aparte blogpost. Die verdient dat.
Soit, we liepen nog eens door en rond het gebouw, verzeilden zowaar in het Aziatische pretpark dat daarnaast ligt, en namen de metro richting centrum.
Ons verblijfje lag pal tegenover de Samaritaine, maar we waren er niet binnen geweest. Dat euvel gingen we rechtzetten door er dan ook maar te gaan eten.
De bijzonder vriendelijke ober wist ons te vertellen dat er wel degelijk nog een terras was, maar tegenwoordig was dat gelinkt aan een poepchic hotel en was het ook niet open in de winter. Jammer.
En dan waren er de interieurs van de Orient Express…
Bart kwam me ophalen, we namen de Uber richting station, en dat was dat. Daar moesten we nog even wachten – liever te vroeg dan te laat -, installeerden ons op de trein, en tegen iets over negenen stonden we weer thuis.
Bart had een paar weken geleden geopperd om naar Parijs te gaan: er waren enkele tentoonstellingen die we wilden zien, vooral dan die van Gerhard Richter, en er was ook Minimalism in de Pinault, maar dan was dit het laatste weekend dat het kon.
Elk museum is tegenwoordig met tijdslots, en het is dan ook redelijk belangrijk om daar op tijd te zijn. Aangezien we toen al drie kwartier aan het stappen waren, namen we voor die laatste drie kilometer alsnog een Uber, zodat we netjes op tijd waren in het Picassomuseum, maar, zodra we er binnen waren, toch eerst een koffietje gingen drinken. Dat smaakte overigens, geloof me. En het museum was groter en viel beter mee dan verwacht, om eerlijk te zijn.
En toen was er meer dan tijd genoeg om rustig verder te wandelen langs Les Halles, uiteraard mijn favoriete beeld ‘Ecoute’ aan de Saint-Eustache, en dan nog een deftige koffie voor Bart, met een vleugje Epictetus, terwijl ik wat labcaches ging oppikken rond de kerk.
Tegen drie uur stonden we aan te schuiven aan de Bourse Commerciale, het gebouw van Pinault, voor de tentoonstelling rond Minimalisme. Die was, euh, minimalistisch. Ik kan niet zeggen dat het me echt aansprak, maar wat een gebouw zeg! Aan de binnenkant van de koepel heeft Tadao Ando een betonnen constructie gezet waardoor je het geheel nog veel beter kan bekijken. Knap!
Ons logement lag op vijf minuten stappen verder, aan de Rue de Rivoli, tegenover de Pont Neuf, dus gingen we eerst daar naartoe, want de rug begon het behoorlijk op te geven. Alleen stond onze bagage dus vier kilometer verderop. Meh. Bart had een schitterende locatie uitgezocht, maar over die bagage hadden we dus niet goed nagedacht. Soit.
Het appartementje – zitkamer-keuken in elkaar, apart toilet, slaapkamer met een soort open badkamer – moet vroeger de helft van een groter appartement geweest zijn, maar voldoet volledig aan de vereisten van een toerist. Het valt ook onder een hotelketen, en was dus voorzien van alle comfort en toiletbenodigdheden, maar met twee ruimtes, met zelfs een wasmachine, afwasmachine en diepvries. Niet dat we die nodig hadden, maar het was wel makkelijk dat er twee ruimtes waren.
Ik ging liggen en viel prompt in slaap. Bart was, zoals altijd, een schat en ging de bagage ophalen, waarna hij rustig nog een koffietje nam en een beetje schreef of zo.
Tegen zeven uur waren we verwacht in een chic Japans restaurant wat verderop, zodat we ons in het intussen nachtelijke Parijs begaven. En dat restaurant? Meh. We waren allebei echt niet onder de indruk, er was geen enkel gerecht dat echt de moeite waard was, het was alleen maar duur. Tsja. Dat weten we dan ook alweer.
Via een kleine omweg liepen we terug naar huis, zo rond kwart over negen, staken even de Seine over, en zagen dat het goed was. Paris Ville Lumière, wel degelijk.
Maar geloof me, we waren doodop tegen dat we in ons bed lagen, en we sliepen snel. Het was dan ook een lange, goed gevulde dag, zoals mijn echtgenoot pleegt te zeggen.