Dat dus. Sinds twee jaar heten de onderzoekscompetenties eigenlijk generieke doorstroomcompetenties. Lees: de leerlingen moeten weten hoe ze in het hoger onderwijs aan een project of paper moeten beginnen, welke fases ze moeten doorlopen en hoe ze dat dan ook moeten presenteren voor een lekenpubliek in een beperkte tijd. Een niet-vakgebonden vaardigheid voor als ze richting hoger onderwijs gaan, ofte een generieke doorstroomcompetentie dus.
Dit jaar had ik dus maar één leerling die voor Latijn ging: de invloed van de Romeinse wereld op de hedendaagse filmwereld. Nu, hij had wel moeten bijsturen want dat is een thesisonderwerp op zich. Hoewel zijn verdediging op zich wel goed was – het is een vlotte prater, dat kan hij dus echt wel – vond ik zijn onderwerp niet voldoende uitgediept. Hij had vijf films gekozen op nogal arbitraire wijze en die keuze ook niet echt gemotiveerd. En de verwerking? Goh… Ik had liever gehad dat hij bij één film was gebleven en dat dan ook grondig had uitgezocht, maar helaas…
Pas op, niet slecht, maar ook niet goed te noemen. Gemiste kans, want ik had echt wel meer willen leren.
