Ugh.

Euhm.

Die extra lesuren, zoals ik eerder schreef, hangen precies wel aan de ribben. Naast mijn eigen leerlingen heb ik dus nog drie extra klassen erbij. En ik stel vast dat het lesgeven zelf eigenlijk nog best meevalt, die zeven extra lesuren, dat blijkt nog te gaan. Ik heb het ook gewoon gekaderd aan de leerlingen dat mijn rug het lastig heeft, en ik geef nu dus regelmatig al zittend les, iets wat ik anders niet zo vaak doe eigenlijk.

Ik heb gewoon mijn eigen twee klasjes eerstes, en ja, ça va uiteraard.

De tweedes zitten vier uur per week met 35 in mijn les. Als lokaal heb ik dan de studiezaal, want er is geen enkel lokaal dat die 35 kan herbergen op een ietwat comfortabele manier. Gelukkig zijn het eigenlijk gewoon schatjes. Allez ja, nu toch nog :-p Ze doen wat ze moeten doen, ze luisteren, ze maken oefeningen en taken, en toetsen zullen ook wel lukken. Het is vermoeiender dan normaal, dat wel. Het feit dat ik hen tussendoor ook nog moet voorzien van nieuw cursusmateriaal is niet zo evident.

De derdes heb ik normaal gezien niet, maar nu dus wel. Met een nieuw leerplan en een nieuwe cursus, maar ’t is niet alsof dat nu zo moeilijk is.

De vierdes, dat is een ander paar mouwen. De ene groep kan ik 3 van de vier uur lesgeven, de andere groep valt helaas volledig samen met mijn eigen lessen. Ik probeer dus taken te plannen voor in de studie, maar als ze nog niks gezien hebben, is dat niet bepaald evident, geloof me. Ik ga binnenkort kijken of ik toetsen kan plannen voor mijn eigen vijfdes en zesdes en die in de studie kan laten afnemen, zodat ik ondertussen les kan geven aan dat ene vierde. Hmm.

Mijn vijfdes en zesdes zijn gelukkig mijn eigen klassen, daar heb ik weinig werk aan, en al zeker geen voorbereiding aangezien ik destijds die syllabus zelf geschreven heb.

Maar het lastige is dus dat plannen, die taken en zo. Ik ben elke dag ongeveer een uur kwijt met mijn schoolagenda en het plannen van alles alleen al. Ik moet dan nog alles zien uit te schrijven, op tijd gekopieerd krijgen, en van verbeteren, daar spreken we voorlopig nog niet eens van.

En daarnaast is er natuurlijk ook nog de website en de communicatie, die valt natuurlijk ook niet stil.

Hmmm.

Ik hoop echt dat er nog ergens een interimaris uit de lucht valt, want dit hou ik geen twee maanden vol, dat voel ik nu al. Er is ergens een vage hoop op een gepensioneerde collega die dat misschien wel zou willen doen, tijdelijk, maar dat is nog absoluut niet concreet.

Vacature…

Hmmm…

Het waren herdeliberaties op school vandaag, en er was eigenlijk niet zo’n goed nieuws: mijn collega Latijn moet volgende vrijdag geopereerd worden en zal wellicht twee maanden out zijn. Op zich niet zo’n probleem, ware het niet dat er geen leraars Latijn meer op de markt zijn, en dat het wellicht bijzonder moeilijk wordt een vervanging te vinden.

Ik heb met de personeelsverantwoordelijke samen gezeten en gekeken wat ik eventueel kon doen om tijdelijk een oplossing te bieden. Ik heb zelf 16 uur les en 4 uur communicatie, waardoor ik nog wel wat vrije momenten heb in mijn rooster. Bon, we hebben er zeven extra lesuren kunnen aan toevoegen: 3 in het 4de, 4 in het derde. Haar tweedes en mijn tweedes liggen parallel geroosterd, zodat ik ze eigenlijk samen kan nemen. Een groep van 35 dertienjarigen in de studiezaal – want we hebben geen lokalen die groot genoeg zijn voor die groep – dat wordt nog een uitdaging. Twee uurtjes parallel in het eerste jaar kan een jonge collega nemen die een van de zeer zeldzame exemplaren bachelor Latijn is. Hij geeft echter wiskunde bij ons, open uren voor het hele jaar, dus nee, hij kan die uren niet overnemen. Tsja…

Het probleem is ook dat er een nieuw leerplan is voor het derde en we dus een nieuwe cursus gebruiken, iets waar ik me nog totaal moet in inwerken. Ook het vierde is een andere cursus dan wat ik vroeger gaf, al zijn er veel dezelfde teksten. En voor het tweede moet ik de cursus nog schrijven, want daar ging ik wel tijd voor hebben… Neem daarbij alle administratie, en het wordt nog een hele klus.

Het ene vierde gaat helaas geen enkel lesuur krijgen – hun uren liggen op de momenten dat ik les aan het geven ben in vijf en zes. Het andere vierde krijgt één uurtje studie per week, dat is wel doenbaar. Maar bon, ik ga proberen taken te voorzien en te redden wat er nog te redden valt, en hopelijk vinden we snel een vervanger.

Of mijn rug deze extra uren gaat zien zitten, dat valt nog te bezien…

Maar bon, op hoop van zegen dus…

Soep voor de olympiade

Tegenwoordig zorg ik dat er altijd verse soep in huis is: een kwestie van warme drank en vitaminen, zou ik zeggen.

Daarnaast is het deze middag Latijnolympiade, en ook al heb ik maar twee deelnemers, ze mochten kiezen welke ‘snack’ ik meebracht. Zoals elk jaar zijn ze voor de soep gegaan, en dus kreeg Bart de opdracht van mij: “Breng ne keer soepgroenten mee?”

Blijkbaar was dat iets te vaag om goed te zijn, en dus bracht hij een soeppakket mee om pompoensoep te maken. In tegenstelling tot wat ik dacht zijn dat dus geen afdankers qua groenten, een manier om hun ‘oude’ groenten weg te werken – zoals dat thuis eigenlijk wel het geval is – maar wel kraakverse ingrediënten, in casu een kleine flespompoen, twee wortels, drie sjalotten, een stukje gember, 2 bouillonblokjes en – tot mijn verbazing – een appel en een appelsien. Vooral naar die twee laatste was ik benieuwd, maar ik moet zeggen: best wel een lekkere soep, zij het vrij zoet. Ik ga er een volgende keer geen ganse appelsien meer bij doen.

En de olympiade? Er werd gezwoegd en gezweet, en een van de twee gaf halverwege op, het vlotte aan geen kanten. De andere had er net twee uur  chemie olympiade op zitten maar ging ook voluit voor het Latijn.

Blij trouwens dat ik die soep bij had: het was daar ferm koud, met de ramen open en zonder verwarming…

Van tandartsen, kappers en cursussen.

Dat het gisteren een goed gevulde dag was, en dat mijn rug het zal geweten hebben!

Ik kon gelukkig wel nog uitslapen en op het gemak ontbijten, maar tegen half twaalf zat ik bij de kapper om het vorige week ontdekte gaatje te laten repareren. Echt, ik prijs me gelukkig met mijn tandarts: no nonsense, een zeer gerichte uitleg en verder niks. Geen pijn, geen overbodig iets, gewoon in orde.

Bon, thuis had Bart gekookt en tegen één uur stonden Merel en ik bij de kapper. Bij haar moesten gewoon de puntjes eraf, bij mij wilde ik terug naar mijn oude kapsel: lang aan beide kanten werkt niet voor mij. De ene kant krult onverbeterlijk alle kanten uit, en ik vind dat ik eruit zie als Charlotte Kiekeboe.

Nog wat later kwam mijn collega Latijn op werkbezoek: we hebben een nieuw leerplan en dus moeten we ook een nieuwe cursus hebben. Ik heb gelukkig al het materiaal van een collega uit Deinze kunnen krijgen, maar nu moeten we dat nog naar onze eigen hand zetten. We zijn een goed paar uur bezig geweest, maar het resultaat van hoofdstuk één mag er wel al zijn. Gelukkig maar.

En toen, toen ben ik plat gegaan. Het is Bart die Wolf naar en van de rugby gebracht heeft, voor mij was het welletjes.

Ik ga proberen dinsdag te starten, maar dan gaat de rug toch nog iets beter moeten zijn dan nu: dit hou ik (nog) niet vol.

Hmpf.

Integratie

Yup, zo’n jaarlijks terugkerende post, dat van de introductielesjes voor de zesdestudiejaartjes. Ik had gisteren en vandaag dus weer prijs, en mijn collega maandag al. Elk jaar zijn er precies meer en meer van die lesjes: zowel gisteren als vandaag vier keer die uitleg van 45 of 37.5 minuten. Ugh.

Ik doe dat dus echt niet graag, maar het vormt bij ons vak wel een uitstekende recrutering, en dus gaan we er voluit voor. Zelfs als er groepen zijn bij wie we alle vier – ikzelf en mijn collega’s van de andere vakken – sterk onze twijfels hebben of die kinderen wel geschikt zijn voor onze school. Ik bedoel maar: als er kinderen zijn die moedwillig een glas olie – waarmee ze lavalampen aan het maken zijn – op de grond gieten, en dan nog verbaasd zijn als je hen daarop aanspreekt en zeggen: “Ik doe toch niks?” Tsja…

Maar bon, ik ben weer goed voor een jaar, en mijn eigen leerlingen hebben in de studie netjes hun taken gemaakt. Meh…

Mars

In het tweede jaar moeten de leerlingen voor de les Latijn in duo een god of godin voorstellen. Dat mag via een toneeltje, een filmpje, een poppenspel, een interview of een andere creatieve vorm. Sommigen doen dat heel goed, bij anderen is het nogal statisch of gewoon slecht uitgewerkt.

Wat ik dit jaar vreemd vond, is dat niemand me om materiaal heeft gevraagd. Kobe natuurlijk wel, dat is vrij logisch, en hij en zijn maatje waren dan ook deftig aangechareld. Maar verder? Niemand, en dat is jammer.
Het zoontje van een van de collega’s zit in de parallelklas, en hij was me wel degelijk komen vragen naar gerief om de god Mars te kunnen spelen. Ik heb vanalles meegegeven en hij zag er prachtig uit. Ik heb dan ook een fotootje gekregen van hem.

Oh, en er lag ook iets in mijn vakje als bedankje. Ik ben in de lach geschoten.

Ikigai

Ikigai. Een principe waar ik eigenlijk al wel een paar keer bij stil heb gestaan, en waarvan ik denk / hoop / durf zeggen dat ik het eigenlijk wel bereikt heb.

Ikigai is eigenlijk het ultieme doel dat je zou moeten kunnen bereiken in je beroepsleven, namelijk een beroep dat je graag doet, waar je goed in bent, waar je voor betaald wordt én waar de wereld op zit te wachten.

Lesgeven, en meer bepaald nog het Latijn, is effectief iets wat ik zeer graag doe, dat lijdt over het algemeen geen twijfel. Als ik afga op wat mijn leerlingen zeggen, ben ik er ook vrij goed in, als ik zo onbescheiden mag zijn. Ik word er gelukkig ook voor betaald, en met mijn  universitair diploma en mijn anciënniteit is dat ook meer dan behoorlijk, daar heb ik hoegenaamd geen klagen over.

Zit de wereld erop te wachten? Goh… Daar blijven de meningen verdeeld over: is Latijn nog wel een nuttig vak? Maar ik had het erover met Bart, en die zei: “Goh, jij geeft eigenlijk geen Latijn, jij geeft Gudrun.” Ik moest daarmee lachen, maar in feite heeft hij wel gelijk: ik probeer toch altijd veel meer in mijn lessen te steken dan enkel Latijn. Dat dat soms ontaardt in de meest vreemde verhalen, tsja…

Maar ik, ik voel me er in elk geval bijzonder goed bij: ik heb totaal geen zin om te veranderen van werk, ik ben elke eerste september opnieuw goed gezind. En ja, soms zal ik wel eens kankeren op mijn werk, zoals iedereen, maar beter kan ik het eigenlijk niet treffen.

Ikigai. Ik mag mijn beide pollekes kussen, denk ik.

Euroclassica

Elk jaar wordt er een conventie gehouden van classici, afwisselend in twintig verschillende landen van de EU, blijkbaar. Om de twintig jaar is dat dus in België, en laat het nu vandaag in Antwerpen zijn. Lid zijnde van het certaminacomité kon ik eigenlijk niet niét gaan, en dus stond ik tegen acht uur in het station van Dampoort. Nu, dat klinkt iets vanzelfsprekender dan het eigenlijk was: Bart had me de avond voordien, maar blijkbaar al lachend, gevraagd wanneer hij me wakker moest maken. Kwart voor zeven, had ik gezegd, en ik had mijn wekker dus niet gezet. Alleen… ik ben wakker geschoten vijf over zeven, in sneltempo gedoucht, raprap een boterhammetje binnengestampt en om vijf over half acht zat ik op de fiets richting Dampoort. Blijkbaar kunt ge dus wreed rap fietsen als het echt moet. Ik had nota bene nog dik tien minuten over en was zelfs eerder in het station dan Gwen.

Al tetterend stapten we naar het perron, en zodra de trein aankwam, stapten we op. Een dikke vijf minuten later zie ik staan: “Volgende halte: Beervelde”. Huh? Zaten wij niet op een intercity? In al ons getetter hadden we er niet bij stilgestaan dat er blijkbaar vertraging op de lijn zat, en dat er eerst nog een trein naar Lokeren halt hield, ene die inderdaad te laat was geweest. Zucht. Maar gelukkig waren we eigenlijk, zo wist een medereiziger die ons had horen sakkeren te vertellen, de trein naar Antwerpen gewoon voor en ging die vijf minuten later wel stoppen in Lokeren. Oef, toch nog op het gewenste schema.

We stapten in Antwerpen gezwind naar het universiteitsgebouw en waren nog mooi op tijd om de mensen te helpen opvangen. Ha ja, Gwen was ingeschakeld en ik hielp dan ook maar mee.

Eerst waren er drie sprekers in plenum. Professor Mark Janse had echt wel de max van een verhaal. Hij was Cappadocisch gaan bestuderen, een taal die verwant is met het Grieks maar toch een eigen taal is. Overal staat die taal geattesteerd als intussen uitgestorven: de laatste paar sprekers zijn overleden. De Cappadociërs woonden oorspronkelijk in huidig Turks gebied.  Er is in 1924 een gedwongen switch geweest tussen christenen die in Turkije leefden en moslims in Griekenland. Daardoor voelden die mensen zich eigenlijk helemaal ontheemd: ze spraken een andere taal dan de rest, wel verwant, maar alla, en ze verborgen die taal eigenlijk. In Turkije stierf ze effectief uit, maar groot was de verbazing toen Janse in Griekenland toch onder oude mensen nog de taal ontdekte. Een heilige graal, als het ware! De max, toch?

De tweede spreker was, goh, in het Frans en is me niet eens bijgebleven. De derde spreker was prof. Christian Laes die het had over polyglotten in de oudheid, maar dan wel in het… Latijn! Die mens spreekt eigenlijk even vlot Latijn als ik Engels: hij sprak voor de vuist weg en met ontegensprekelijk gemak. Zo wijs, maat!

Enfin, er was lunch, er waren de nodige computer- en beamerproblemen waarbij ondergetekende een handje toestak, en ik volgde nog twee seminaries, eentje over een onderzoek waarom veel leerlingen na het tweede jaar afhaken, en eentje over hoe je eigenlijk best gewoon les geeft in het Latijn, uiteraard zelf ook in een rad en humoristisch Latijn.

Eigenlijk ben ik gewoon jaloers op die mensen!

Ik dronk nog snel een glas op de afsluitende receptie, had tijd voor een snelle ice tea in de Geek Street Summer Bar, en repte me naar het station. Alwaar mijn trein afgeschaft bleek en ik alsnog een half uur zat te koekeloeren. Ik was beter wat langer in de Geek Street blijven hangen, me dunkt!

Enfin, zware dag, interessante dag, maar of hij daarom 100 euro waard was? Hmm…