We weten eigenlijk niet meer vanwaar we elkaar kennen: ergens in den uitgang in de Overpoort tijdens onze studententijd, maar hoe of wat? Geen idee meer.
Maar bon, we waren elkaar uit het oog verloren, alleen nog een connectie op Facebook. En toen stierf Vic en lag Bart in het ziekenhuis met een geopereerde, kapotte knie door een val met de moto. Ik zocht toen, in 2015 dus, last minute een babysit en zij had zich spontaan aangeboden, al hadden we elkaar al 20 jaar niet meer gezien. Het bedankingsetentje volgde, tot mijn grote schaamte, pas in 2019 maar toen was het wel ronduit de max!
En toch zagen we elkaar niet vaker. Tot ze me een paar weken geleden vroeg of ik niet meeging naar het concert van Fa.Si.Nant hier in Wondelgem. Toen hadden we geen tijd om honderduit te kletsen en dus legden we meteen een datum vast om bij te tetteren in een restaurant. Dat werd L’ Autre Vie in Sint-Martens-Latem, langs de steenweg, maar ik kende het niet.
Bart werd 51 vandaag en dat kon ik nu toch niet zomaar voorbij laten gaan? Peper was een van die restaurantjes waar we al vaak waren gepasseerd en waar we telkens zeiden dat we er eens naartoe moesten. Bij deze dus.
Het is eigenlijk een hip eigentijds restaurant met een Indische kaart en een wijntap. Als in: ge krijgt een kaart en die steekt ge in de machine, en dan kan je bij een van de vele soorten wijn of je gaat voor een proefje, een half glas of een vol glas. Naargelang de soort wijn en de hoeveelheid wordt er een bedrag op de kaart aangerekend, en aan het einde van de maaltijd reken je gewoon af.
Bart vond dat wel amusant en heeft een paar soorten wijn uitgeprobeerd.
Een voorgerecht hoefde voor ons niet: aangezien het vrijdag was, waren we allebei nogal moe. Ik nam een zachte curry met kokos en scampi, Bart nam iets vegetarisch met linzen, en we waren allebei toch wel zeer aangenaam verrast.
En ja, ik ben er eigenlijk nog altijd trots op dat ik een volledig bord scampi kan pellen zonder mijn handen vuil te maken.
Gwen en ik hadden deze avond ook al vastgelegd de vorige keer, maar eigenlijk waren we allebei vergeten om te kijken voor een restaurant. Ik heb dan maar nog een aantal dingen afgebeld, maar veel is blijkbaar ook dicht op woensdag. Tsja.
Het werd dan gewoon nog eens de Griek: altijd goed, altijd gezellig, altijd open, en altijd parkeerplaats. Wat moet ne mens nog meer hebben? Fijn gezelschap, zo blijkt, en dat was er.
We hebben, zoals altijd, honderduit gekletst over vanalles en nog wat, zelfs over het werk deze keer.
Ik ben vooral blij dat we zowat een regelmaat hebben gevonden in onze etentjes, want we zagen elkaar echt veel te weinig…
Naar aloude traditie – allez, toch in onze familie – gingen we ook vandaag eten met Nelly en Koen en Else, en daarna naar het kerkhof. De keuze was gevallen op de Bonaparte in Eke omdat dat net iets minder ver is dan ’t Konijntje tegen Ronse, maar het was er toch ook net iets minder, vonden we. Niet dat het niet goed was, maar het zat er stampvol waardoor het ook allemaal nogal traag verliep. En het eten was goed, maar ook niet meer dan dat. Tsja.
Wolf zit ergens in Duitsland, die was dus niet mee, zodat we nog met negen waren. Kobe dronk vrolijk mee een niet-alcoholische cocktail: hij wordt ook echt al groot…
Nelly doen lachen op een foto, dat is me helaas nog steeds niet gelukt.
Tegen een uur of vier reden we met zijn allen naar het kerkhof van Kruishoutem: ook Nelly was deze keer mee in de rolstoel, waardoor we even met zijn allen hallo konden zeggen tegen Jeroom. Ik vind het zo ongelofelijk jammer dat Merel zich hem niet meer herinnert, ze was zo zot van hem als kleutertje en vice versa. En ik weet dat ze hem een fantastische opa had gevonden…
Een paar maanden geleden las ik een bijzonder goede bespreking van een nieuw restaurant op het Vanbeverenplein, hier vlakbij dus. Ook ons pa had het gelezen en had me er zelfs speciaal voor gebeld. Ik probeerde dus een reservatie te maken en dat lukte warempel, weliswaar drie maanden later, maar bon.
Nadat ik de meisjes had geschminkt voor hun Halloweentocht door de Lange Velden, reden Bart en ik dus per fiets naar het Vanbeverenplein, richting Elders.
Wel euh…
Laat me beginnen met te zeggen dat het eten echt wel lekker was:
Een vast menu, niet goedkoop maar ook niet overdreven, en een paar zeer lekkere combinaties.
Maar…
Daar eindigt ook een beetje onze positieve ervaring van de avond. Het begon al bij het binnenkomen: we kregen een tafeltje toegewezen, maar na een vijftal minuten vroeg ik om te mogen wisselen: we zaten ongeveer onder een box en de muziek stond echt gewoon luid, onaangenaam luid.
Maar vooral: het was er bijzonder, bijzonder luid: we konden eigenlijk geen gesprek met elkaar voeren, de muziek blèrde over alles heen en ik kreeg er koppijn van. Ik heb toen mijn iPhone bovengehaald met de decibelmeter, en ik weet dat die vrij correct is. Pas op, ik heb het op een drietal verschillende momenten gedaan omdat ik het zelf bijna niet kon geloven, maar het resultaat was elke keer hetzelfde:
Een gemiddelde van 95 dB, wat zelfs ronduit illegaal is want de bovengrens is 85 in een restaurant, en zelfs dat is heel erg luid.
Om eerlijk te zijn: we waren blij dat we weg konden en dat we ons hoofd even konden leegmaken op de fiets. Ik wist dat het een succesvol concept was – Bockie de Repper zat aan de toog – maar dit had ik niet verwacht.
De volgende keer gaan we – bad pun coming up – gewoon elders.
Voor ons, goh, maandelijks kan ik het niet noemen maar we doen ons best, etentje met Gwen had ze deze keer geluk gehad in Alberte in de Dendermondsesteenweg: ze wilde er al lang eens gaan eten maar had nog nooit een reservatie vastgekregen. Maar een doordeweekse maandag leverde blijkbaar minder problemen op.
Het is duidelijk een hipsterrestaurant: vaste kaart, veel alternatieve dingen, de sfeer van bij je grootmoeder en toch ook weer niet… Het was er goed zitten en het eten was ook echt wel lekker. Het exacte menu weet ik niet meer en kan je ook nergens terugvinden, helaas.
Er zaten veel groenten in, wat zeer aangenaam was. Iets met een risotto, een bouillonsoepje, bijzonder lekkere witte asperges, een visgerecht, vlees en twee desserts. Eigenlijk gewoon te veel gegeten, maar het was inderdaad zeer lekker.
En het fijnste was natuurlijk het gezelschap. Tegenwoordig proberen we echt elke maand af te spreken en leggen we de volgende datum gewoon vast tijdens het eten, maar het lukt niet altijd.
Blij dat deze wel gelukt was, want het was andermaal een zeer fijne avond.
Bart houdt ervan om me te verrassen. Alleen hou ik niet altijd van verrassingen, en dat weet hij na 26 jaar huwelijk gelukkig wel. Dus stelt hij me gewoon voor voldongen feiten, maar zegt hij die me wel op voorhand.
Nu kreeg ik vorige week dus te horen – er stond al veel langer ‘verrassing’ in onze agenda – dat we vandaag naar Durbuy gingen rijden om er te eten in Wagyu, en dan te gaan slapen in een boomhut.
Say what???
Mijn lief in een boomhut? Dan moest het wel iets speciaals zijn. Ik zocht even op de website en was inderdaad behoorlijk onder de indruk: een design boomhut op tien meter hoogte, met alle comfort en vooral in alle stilte.
Deze ochtend zwaaiden we ons kroost dus uit en reden richting Durbuy. Dat blijft een alleraardigst klein stadje en gigantische toeristenval, maar bon. Met mijn grote bek reed ik de auto gewoon op de parking van het hotel en kreeg zowaar valet service, de eerste keer ooit. Wel wijs! Maar ik denk dat het vooral aan Barts felrode elektrische Mustang lag, maar bon, de auto stond toch maar lekker tussen de chique Mercedessen, BMW’s en Porsches.
Het eten zelf was inderdaad behoorlijk de moeite voor onze innerlijke carnivoor: het vlees was ronduit succulent! Maar een dessertje hoefde dus niet meer, geloof me.
Daarna deden we in het prachtige weer een ommetje doorheen Durbuy, met als hoogtepunt natuurlijk de anticlinaal. De watte? Ja, dat zei ik ook, terwijl ik de cache aldaar zocht. Blijkt het een wreed wijs geologisch fenomeen te zijn.
Enfin, verder doorheen het piepkleine stadje, de labcaches aldaar oplossen en het occasionele verdwaalde potje zoeken.
En toen waren we wel rond, ja. We lieten de auto voorrijden – gnigni – en reden richting Humaine. Alleen wilden we daar nu ook weer niet te vroeg gaan zitten, zodat we eerst nog naar de tweede grootste stad van de provincie Luxemburg reden. Euhm… Marche-en-Famenne blijkt ongeveer ter grootte van Zomergem? En er valt zo een beetje evenveel te zien. Gelukkig viel er nog een labcachereeksje te rapen, of het was helemaal zielig geweest, al smaakte de koffie wel. En mooie beelden, dat ook, ja.
Dus reden we wat later fluks richting onze boomhut. Toen we de bosweg insloegen, viel ook onze telefoon- en internetverbinding weg, een vreemd gevoel, al was het maar omdat ook de GPS eraan was voor de moeite.
Vanaf de parkeerplaats was het nog zo’n kleine tien minuten stappen, en dan valt je mond gewoon open van verbazing.
Het ding is dus niet ecologisch, dat beweren ze ook op geen enkel moment. Het is wel de ideale locatie bij een zombie-aanval: je zit tien meter boven de grond en je trap is uitschuifbaar en klapt daarna weer in. Serieus. De energie is volledig met herlaadbare batterijen, je hebt een beperkte hoeveelheid (warm) water en verwarmen en koken doe je met een houtkacheltje. Met andere woorden: elke dag komt de firma tussen elf en drie de batterijen vervangen door volle exemplaren, de watertank aanvullen, de houtvoorraad stapelen en het campingtoilet – jawel, zo’n chemisch geval – schoonmaken.
Op de benedenvloer is er dus een zetel, een minitafeltje, een minikeuken en een toonbankje. Er staat een houtkacheltje, en aan de achterkant is er een douche en een ingewerkt chemisch toilet.
Met een laddertje ga je naar boven naar het ruime, gezellige bed, met daarnaast een volledig verticale ladder naar een luik dat naar het dakterras gaat. En alles rondomrond bestaat uit ramen, maar gelukkig ook met gordijnen rond het bed, zodat je kan slapen.