Opruimfee

Merel kon de gigantische chaos op mijn bureau niet langer aanzien, en begon met goeie moed op te ruimen. Veel dingen kon ze wel al wegdoen: al mijn oorringen en kettingen op hun plaats, alle muntjes in een bak, alle kaarten op een stapeltje, dat soort dingen. En voor de rest schakelde ze ook mij in, redelijk streng ook: “Mama, nu doe jij je papieren, en ik zal je er wel bij helpen. Je zegt maar in welke kast alles moet.”

Euh… Vooruit dan maar, zeker? Maar het resultaat is echt wel schitterend:

Die dochter van me: ik denk dat ik ze ga houden.

Jefferson

Wie is dat nu weer, hoor ik u denken tot hier?

Wel…

Ik was zaterdag naar de Aveve geweest om croissants en om surfinia’s: dat zijn mijn favoriete bloembakbloemen die ik elk jaar opnieuw staan heb. Standaard koop ik de Blue Sky variant, en die hebben ze niet in de Brico, vandaar. Al vond ik het wel jammer dat er geen zwarte waren, want die vond ik de max.

Maar bon, gisteren wilde ik die dus uitplanten en vroeg ik aan Wolf om in het tuinhuis de zak met teelaarde te halen: die is te zwaar voor mij. Wolf, lief als hij is, liep naar het openstaande tuinhuis. En toen klonk er een vreemde gil en kwam een opgewonden Wolf teruggelopen: “Mama mama mama, er zat een egel in die zak met aarde, en die sprong eruit, en ik denk dat hij dood is, maar ik weet het niet zeker, en ik ben mij dood verschoten, en kunt ge eens komen kijken?”

Ik ben uiteraard mee gaan kijken, en inderdaad, een mooie grote egel die zich niet verroerde, maar wel duidelijk aan het ademen was. Ik gaf hem een duwtje en hij kroop onder een rek. Ah bon?

Maar egels worden niet verondersteld in tuinhuizen te zitten, dus Wolf legde wat kattenvoer in kleine hoopjes om hem naar buiten te lokken, en installeerde zelfs een heus egelplekje buiten in het achtertuintje, met bladeren en een donker hoekje en een kartonnen doosje en een afdakje.

Een paar uur later was het beest inderdaad verdwenen van dat plekje, maar hij kon evengoed ergens anders onder gekropen zijn, dus lieten we het tuinhuis nog gewoon even open, om zeker te zijn.

Vandaag wilden Merel en ik in de namiddag opnieuw gaan fietsen, en Merel tilde in de garage een grote plastiekzak op, met opnieuw een ietwat vreemde kreet: Jefferson – want zo hadden de jongens hem intussen gedoopt – was onder die plastiekzak gekropen. Euh, geen goed idee, beest! Ik heb een kartonnen doos genomen, hem daar voorzichtig ingerold, nog een vastgesteld hoe schattig zo’n luizenbeest eigenlijk wel is, en hem dan buiten gezet aan dat egelplekje.

We hebben hem sindsdien helaas niet meer gezien, en ook het kattenvoer wordt niet meer aangeraakt, hoewel hij de eerdere hoopjes had opgegeten.

Tsja.

Het was wel leuk geweest, zo’n egel in de tuin. Al was het maar om alle slakken op te vreten die standaard aan mijn aardbeien zitten.

Hadewig

Bij het begin van de coronacrisis vroeg Bart me een gunst: of ik het zag zitten om een vriendin van vroeger te begeleiden bij haar nieuwe blog? Concreet ging het om Hadewig, iemand die ook economie heeft gestudeerd en ik dus nog ken van in onze studententijd. Hey, ik ben zelfs nog een paar keer in haar studio geweest en zo.

Intussen is ze CEO van het Sint-Janziekenhuis, het grootste ziekenhuis in Brussel, en maakt ze dus van héél dicht bij de crisis mee. Je moet het haar nageven: ze heeft haar drie kinderen ondergebracht bij familie en vrienden omdat het risico en de werkdruk te groot zijn, en houdt contact online. Heel bewust dus, ook al mist ze hen keihard. En nee, onderstaand is een still, geen filmpje. Daarvoor moet je verder lezen.

Intussen heeft ze dus een blog opgezet over deze vreemde tijden. Ze neemt elke dag zelf een kort filmpje op, telefoneert elke dag met een ghost writer die haar gedachten in tekst omzet, en haar zus Katelijne maakt er zo goed als elke dag een “beeld” bij: een tekening, een gedachte, een foto.

Ik zet het filmpje en de dagtekening online en begeleid alles zo’n beetje, en verwonder me elke dag weer. En bewonder. Ze wil uitleg geven, een steun zijn in bange dagen, laten zien dat er ook hoop is.

Ik zou zeggen: ga eens kijken, ga eens lezen. Hadewig.be. De moeite.

And so it begins…

De hele week was er al onzekerheid rond dat coronavirus, en nu is dus de kogel door de kerk: scholen sluiten – allez ja, er worden geen lessen meer gegeven – cafés en restaurants gaan dicht, geen bijeenkomsten meer… Het is maar best ook, maar het zullen eenzame weken worden. Gelukkig heb ik een heel fijn gezin, maar hoe ik die vijf weken ga entertainen, valt nog te bezien.

Ik ging deze middag nog een laatste keer eten in Villa Ooievaar en zag dat het dik in orde was. En ik kreeg nog een dikke merci en een “Tot binnenkort hé!” erbij. Ik ga het missen…

En toen wilde ik mijn goede daad van de dag doen: boodschappen doen voor Marleen, mijn oud-lerares dictie en voordracht met wie ik altijd contact ben blijven houden. Ze woont tussen mijn werk en mijn huis, is intussen bijna 70 en is vooral al jaren zwaar ziek, onder andere CVS. In een gewone winter komt ze al vrijwel alleen maar buiten met een mondmaskertje omdat een griepje haar fataal kan worden. Nu heb ik haar ronduit verboden om buiten te komen en ben ik haar boodschappen gaan doen. Alleen… WTF is er aan de hand zeg? Hamsterwoede much????

Haar boodschappen waren alles behalve exuberant, maar geen diepvriesspinazie meer, geen craquottes of Parovita, geen kabeljauw, geen appels… En uiteraard ook geen wc-papier meer, geen idee wat daarmee aan het gebeuren is, maar het is hallucinant.

Voor haar is dat niet evident, want ze kan lang niet alles eten en/of verteren. Mja… Enfin, we gaan de komende weken goed voor haar zorgen.

Bon, het coronavirus is dus nog wel even een blijvertje. Ik sakker omdat de Omen mini is afgezegd, andere larps, rollenspelavonden, concerten, maar dat de OpenSchoolDag niet doorgaat, dat vind ik gelijk wat minder jammer.

Enfin, het is wat het is, we zien nog wel.

Djerba dag 6: nog veel meer cachen

Onze laatste volledige dag hier in Djerba, en de kinderen wilden het gewoon rustig houden. Ze hebben geluierd, gelezen en zelfs een half uur gezwommen in het koude water van het zwembad.

Maar ik heb geen zittend gat, luieren kan ik thuis ook doen, en er is nog zoveel te zien hier. En vooral: nog zoveel caches te doen. Om half negen zat ik aan het ontbijt, op mijn eentje, en tegen negen uur zat ik in de auto.

Ik reed vanuit Midoun zuidoostelijk naar beneden naar de kust, pikte een cache op, en deed toen de meest bevreemdende en tegelijk de mooiste cache van de 1400 exemplaren die ik al gedaan heb. Nu, de cache op zich was niks speciaals, de omgeving was dat des te meer. Daar in het zuidoosten van het eiland is er een landtong die eigenlijk pure woestijn is. Het is een zandvlakte waar kleine struikjes groeien van amper een 20 centimeter hoog, en dat is alles. Een echte weg is er niet, gelukkig toonden de cacheinstructies waar ik de asfaltbaan moest verlaten, want zelf had ik het niet gezien. Ja, er zijn bandensporen, en dat is het zowat. En daar rij je dan 6 kilometer door, moederziel alleen. Ik mocht het niet gedroomd hebben dat ik daar zou stilgevallen zijn. Aan de andere kant: zelfs daar was er gsm-bereik.

Ondertussen zie je een vreemde blok opdoemen en dichter en dichter komen: de complete ruïne van Borj El Kastil, een vroeger fort ter verdediging. Het ligt volledig in puin, wordt niet onderhouden, en ligt – zoals de rest van Djerba – vol met afval. Maar het geeft wel prachtige zichten, en er waren zowaar mensen aan het vissen.

Helemaal onder de indruk reed ik de zes kilometer terug naar de bewoonde wereld en reed de brug over die naar het vasteland leidt om er halverwege een cache te zoeken, maar helaas. Het kleinood was verdwenen, ofwel zocht ik misschien niet heel erg grondig tussen de stapel vuile luiers die daar uitgekieperd was. Ugh.

Ik reed terug het eiland op en zocht de volgende cache langs een klein aardewegje. Man, ben ik blij dat daar een cache lag, want: zowaar een Romeins graf! Niks aangeduid, geen uitleg, maar gelukkig wel wat uitleg bij de cache-omschrijving. Heerlijk! En heel indrukwekkend om te zien.

Ik reed verder waar ik nog in Guellala even genoot van het uitzicht maar de cache niet vond, en me dan terug richting riad repte om er te eten met de kinderen. Maar na de middag wilden zij nog steeds chillen en had ik nog steeds de noord- en westkant van het eiland niet gedaan. Ik dus weer in de auto, maar naar de noordkust. Eerst pikte ik een cache op in een verlaten kleine moskee en zette ik even een hotel op stelten omdat ik dringend naar het toilet moest.

We hadden er de eerste dag een pracht van een strand gezien, maar met een cache een kilometer verderop. Ik had er toen verschillende auto’s gezien die het strand waren opgereden, en ik dacht: dat kan ik ook. Ik reed tot waar het mulle zand herbegon en ploeterde dan tot aan twee verlaten huizen die daar op het strand staan en die vooral knappe graffiti hebben.

En toen reed ik terug. Dacht ik. Want jawel, ik zat bij het draaien vast in het zand. Goed gedaan, Rombaut. Gelukkig was ik niet de enige op dat strand en sprak ik een familie aan. “Pas de problème, madame!” zei de ene, sprong in mijn auto, startte, probeerde even, en reed gewoon weg. Uh? En ik die redelijk diep zat en al plastiek zakken en al onder mijn wielen had gestoken. Volgens die man was het een kwestie van gewoonte. Euh, zal wel, zeker?

Bon, ik rij dus het hele strand af en wil terug de baan op rijden. Alleen was het me niet helemaal duidelijk waar ik dat precies moest doen, en jawel… mul zand, op twee meter van het asfalt, en opnieuw vast. Ugh. Daar was een redelijk jonge vader met zijn zoontje – knappe vent, overigens – en die sprak nog een paar man extra aan, en samen hebben ze de auto gewoon weer achteruit geduwd, vlot gekregen, en me gezegd dat ik zo’n 50 meter verderop dan de baan op moest. Oef! Lang leve de Djerbezen!

Toch wel een beetje opgelucht reed ik verder, ging nog eens zoeken bij het fort in Houmt Souk waar ik de vorige keer niks had gevonden en nu wel, reed verder langs de kust voorbij de flamingo’s, probeerde een fort te spotten dat blijkbaar eigenlijk een gewoon huis was, zocht vruchteloos naar twee caches op prachtige locaties, en vond uiteindelijk wel de laatste aan een prachtige baai terwijl het avondlicht al gouden werd.

En toen repte ik me dwars over het eiland naar huis om er met het gezin te gaan eten. Een douche later zei Bart dat hij het “beste” restaurant van het eiland had uitgekozen, blijkbaar in een groot casino. Alleen hadden we niet door dat het zo chic ging zijn, of Arwen en ik hadden beiden wel een kleedje aangetrokken.

Enfin, het was traditioneel maar lekker eten, en zowaar een heuse buikdanseres die ons vergastte op een show. Moh!

Meteen wel een mooie afsluiter van onze week.

 

Nieuwjaren

Eind februari nog nieuwjaren, faut le faire. Maar de enige zondag in januari dat de drie kinderen konden, kon ons pa zelf niet. En we hebben blijkbaar alle drie nogal volgeboekte agenda’s. Tsja.

Maar vandaag zaten we allemaal rond twaalven in de Scheve Zeven in Zomergem. Er was lekker eten, de kinderen speelden mooi samen, en wij probeerden te praten in de nogal luidruchtige omgeving.

Mijn broer ging op een bepaald moment toch weer aan het stoken, waarop ons pa tegen mij begon te roepen, en ik kan dat momenteel écht niet hebben: ik zit op mijn tandvlees, kijk ongelofelijk uit naar volgende week, en dus ging ik gewoon even in de auto zitten. Allez ja, liggen, want de rug doet het niet onder al die stress.

Bon, Jeroen kwam vragen om terug binnen te komen, en toen ook Bart dat vroeg, deed ik dat maar. Na het dessert trokken we dan naar ons pa zijn woonkamer om daar nog de nieuwjaarsbrieven te lezen.

Missie geslaagd, en dat nog vóór eind februari :-p

Oeps.

Net zoals vorig jaar was er ook deze week een verwenweek, volgens het principe van Secret Santa.  Jammer genoeg heeft een aantal collega’s niet deelgenomen net omdat het momenteel te druk is, de reden waarom we een verwenweek houden. Tsja…

Ikzelf moest een jonge collega van sport in de bloemetjes zetten, en die kerel werkt halftijds omdat hij ook nog personal trainer is. Hij heeft net zijn huis verbouwd en is  zijn sportzaal aan het installeren. Ideaal dus, om de eerste dag een set dumbbells van 4 kilo elk op zijn bureau te zetten. Enfin, ik heb dat zelf niet gedaan, ik heb dat moeten vragen want ik kan dat zelf niet tillen. In zijn vakje heb ik dan ook nog een potje zelfgemaakte fruitsla gezet.

Op dinsdag en woensdag is hij niet op school, maar op donderdag kreeg hij een setje van die handvaten om mee te pompen. Allemaal gevonden in de Lidl en dergelijke, dus duur is dat niet, wel handig. En op vrijdag is een collega een foam roll gaan afgeven in zijn klas, netjes ingepakt en met wat snoep in het midden, die uiteraard over de grond van zijn lokaal rolde zodra hij het openmaakte. Die foam roll had ik destijds gekocht voor Wolf op aanraden van de orthopedist, maar Wolf heeft die nooit gebruikt, en het ding lag dus onder het stof. Win-win dus. En ja, hij vond het leuk!

Mijn verwenner was Hanne, een jonge  collega van economie. Op maandag lag er een hele fijne Latijnse brief in mijn vakje, ik vond dat geniaal. Dinsdag was er een pakketje fleurige stiftjes in mijn favoriete kleuren, die helemaal pasten bij het kleedje dat ik net maandag en dinsdag aan had. Opmerkzame collega!

Woensdag was Hanne niet op school, en donderdag kwam ik mijn lokaal binnen en stond er een cakeje, een Gini en een kaartje klaar. En iets later kwam er een leerling een cadeautje afgeven: een fish eye lensje voor mijn GSM. Moh! Ik vond een beetje overkill, twee dingen op hetzelfde moment.

Alleen… bleek achteraf, toen ze vandaag vertelde dat zij mijn verwenner was, dat die moelleux helemaal niet van haar kwam. Ik ging op onderzoek uit en blijkbaar zat het eerste uur normaal gezien een collega in het lokaal, die vandaag naar de computerklas was getrokken. Het tweede uur staat het lokaal leeg, en het derde uur vond ik dus die verwennerij en dacht ik natuurlijk dat het voor mij was. Soit, het cakeje heeft gesmaakt, en ik zal dan wel eens een nieuwtje bakken voor mijn collega.

En vrijdag kreeg ik zowaar nog een soezentaartje en een grote glimlach! Verwenweek en positief gevoel meer dan geslaagd!