Met mijn vijfdes zit ik bijna altijd in een redelijk onbestemd, ongezellig lokaal, de 1.06. Omdat ik niet met gewicht kan zeulen en toch vaak mijn woordenboeken nodig heb, liet ik de leerlingen er voldoende halen in het kleine vaklokaaltje om ze hier dus in de kast te leggen.
Toen ik een van die kasten opentrok, vond ik er – naast tal van oude, voorbijgestreefde wiskundeboeken – een steen. Niet zomaar een steen, eentje die ik zelf niet eens kan dragen wegens zo zwaar. Graniet, misschien?
Geen idee waarom die ene steen daar netjes in de kast staat. Maar mijn vijfdes hadden er meteen een idee voor: waarom hem niet tot mascotte maken? Ik ging akkoord, maar dan wel op Latijnse wijze: de Lar van het lokaal.
FYI: een lar is een Romeinse plaatsgebonden god. Elke locatie die iet of wat een ziel heeft, heeft een lar. Dat kan een kruispunt zijn, een bron, een speciale boom, maar dus ook een huis. Elk Romeins huis had een lararium, een klein altaartje gewijd aan de huisgoden (lares) en familiegoden (penates).
Ze gingen zelfs zo ver dat ze in de pauze even tot bij mevrouw Declercq gingen, want die heeft altijd wel googly eyes in haar lokaal liggen.
En dus presenteer ik u: de Lar van de 1.06!

