Geraardsbergense emolumenten

Jawel, het derde concert van de drie was eigenlijk ook wel best in orde, denk ik zo.

Vandaag zaten we in Geraardsbergen, de thuishaven van het koor waarmee we dit project hebben opgezet. Er waren prima broodjes, het was een fijne kerk om in te zingen, en we hadden er wel zin in, ja.

Na afloop was er opnieuw een receptie, maar ik ben echt geen sociale, dus ben ik in mijn bevroren auto gestapt om in de plaats daarvan nog wat te geocachen in de buurt. De kou deert me totaal niet, het donker is niet altijd even praktisch. Zeker niet als je dan vaststelt dat het rondje dat je op het oog had, eigenlijk midden in een villawijk ligt. Waar men het meestal niet zo op prijs stelt als je rond elf uur ’s avonds begint te zoeken en te speuren met het lichtje van je gsm.

Toen ik bij cache nr. 3 met een licht ambetant gevoel stond te zoeken in een doodlopende straat bij een bord van een speelplein, zag ik plots in de hoofdstraat een combi heel traag passeren met zijn schijnwerpers op. En jawel, een paar tellen later passeerde die weer in achteruit en reed de straat in. Ik stelde me al te wachten, en traagjes stopte de combi naast me, terwijl de agent zijn ruit naar beneden draaide.

“Goeienavond! Nog op wandel, dan?”
“Goh ja, ik heb net een concert in de Machariuskerk gezongen en moet nog een beetje de adrenaline kwijt voor ik terug naar Gent rij.”
“Moh, uit Gent? Da’s nog een eindje terug. En dan hier in deze wijk op wandel?”
“Wel euh… Kent u het spel Geocaching?”
“Geocaching? Ja hoor… Ahh! Ligt er hier enen misschien?”
“Yup, en ik vind de ambetanterik maar niet!”
“Haha, veel succes dan! Oh, enne… heeft u niemand zien passeren met een zwarte vest en een rood petje?”
“Euh… nee? Ik heb al de wijk rondgereden voor verschillende caches en niemand gezien.”
“Geen probleem! Nog een fijne avond!”

En weg waren ze, met hun grote schijnwerpers op. Voor mij was de lol er toen wel helemaal af, moet ik zeggen.

Ik ben dan maar in de auto gestapt en naar huis gereden. Ziet dat ik die man met zijn rood petje nog was tegengekomen, zeg!

Villa Ooievaar

Eind 2018 had ik het al eens gehad over Villa Ooievaar, het sociale restaurant dat op de baan van school naar huis ligt. Een collega wist me te vertellen dat de chef eigenlijk vroeger een topchef was, en dat hij kookt met lokale producten en marktoverschotten. Als je weet dat de bediening gebeurt door mensen met een verstandelijke beperking, dan weet je dat je je niet schuldig hoeft te voelen als je er gaat eten.

Ik heb dan ook voor mezelf een klein vrijdags momentje gecreëerd: ik heb dit jaar op vrijdag gedaan met lesgeven om 12.05 uur, en als ik dan niet op larp vertrek of andere plannen heb, en als er ook niks meer in de koelkast staat – wat inderdaad niet vaak het geval is op vrijdag – dan trakteer ik mezelf op een dagschotel in de villa. Tien euro, en de karaf met kraantjeswater en de glimlach krijg je erbij.

Zo ook vandaag, en het prachtige park krijg je erbij, al moet ik zeggen dat de zijroute nogal zompig is ^^

Voorbeeldjes van het eten van vorige keren:

Haute cuisine is het niet, maar je hebt wel altijd keuze tussen twee schotels en een vegetarisch volwaardig alternatief.

Pas op: tegenwoordig moet je eigenlijk al bijna reserveren, wil je een plekje. Ze hebben intussen meer en meer kamers in de villa in gebruik genomen, en ik zat vandaag aan tafeltje 37, terwijl al de rest al volzet was.

Dik in orde, zou ik zo zeggen.

Rockband

Voor wie nog illusies koestert over de samenstelling van een rockband volgens negenjarige meisjes: vandaag kwam Merel af met het verhaal dat ze met haar vriendinnen rockbandje had gespeeld op de speelplaats. Ha ja, want daar hebben ze een aantal houten speelpodia die druk gebezigd worden. Ze heetten Rudolph, zei ze, en ze hadden de instrumenten verdeeld. En blijkbaar heb je in een hedendaagse band drums, keyboard, gitaar en de combinatie zang/DJ.

Juist ja.

Lectuur: “Red Country” van Joe Abercrombie

Dat ik een fan ben van Joe Abercrombie, heb ik hier al meermaals beleden. Na de trilogie van The First Law en de losse boeken The Heroes en Best Served Cold restte me enkel nog het losse boek – nu ja, los, wel volledig gezet in dezelfde wereld met verwijzingen naar de andere boeken en met een van de hoofdpersonages uit de trilogie – Red Country. Het is fantasy als in: met zwaarden en een min of meer middeleeuwse setting, met nauwelijks magie en een gezonde dosis realisme. Maar waar Best Served Cold een enorme Venetiëvibe had en The Heroes precies wel de eerste wereldoorlog leek, is dit pure western. Allez ja, zonder geweren en met zwaarden en zo, maar qua sfeer? Oh ja…

Het gaat om een mijnstadje met twee rivaliserende bendes, een gold rush, en uiteraard prachtige hoofdpersonages die geen helden zijn, allesbehalve, maar die diep gaan om toch te bereiken wat ze dromen.
Voeg daar nog Abercrombies prachtige proza bij, en ik geniet. Intens.

Dus hou je van fantasy? Dan is dit een gigantische aanrader.

Getting too old for this shit…

’t Is dat ik zo graag larp he, want ik geef het u op een briefje: het is een immens gedoe. En dan moet ik nog niet eens zelf mijn gerief in en uit mijn auto sleuren – bedankt, lieve familie en vrienden – maar dat opruimen he… Deze cartoon vat het immens goed samen: