Het is vreemd: ik kan me ergeren aan deze reeks van telkens toch wel 800 pagina’s per boek, en toch kan ik ze niet wegleggen: ik wil echt weten wat er gebeurt met de talloze personages, ik wil weten hoe het afloopt, hoe de verschillende verhaallijnen samen zullen komen en hoe de grote plot uiteindelijk opgelost wordt.
Ondanks het feit dat ik dus serieus kan kritiek geven, lees ik deze reeks echt wel graag. Alle problemen die beschreven worden door anderen, zijn er wel degelijk: het is soms repetitief, het is soms met geen stokken vooruit te krijgen, het is soms, ondanks het feit dat bijna alle machthebbers vrouwen zijn, misogyn, en Jordan is niet de beste karakterbeschrijver, dat klopt. Maar er is wel degelijk een reden dat deze reeks tot de klassiekers binnen de fantasy gerekend wordt, en dat is omdat ze gewoonweg goed is.
In dit deel voel je de spanning gewoon opbouwen: je weet dat Jordan er niet voor terugdeinst een van zijn hoofdpersonages op te offeren, het is dus niet als in een vervolgverhaal dat je weet dat ze het sowieso zullen redden omdat anders de reeks ophoudt te bestaan. Rand bokst op tegen zowat de rest van de wereld, maar wordt zelf meer en meer opgeslokt door het duister. En waar zal dat eindigen? En kan Egwene zich ooit nog bevrijden uit de terreur en de folteringen van de Witte Toren? Hoe gaat ze dat oplossen? En kan ze de Black Ajah ontmaskeren voor die haar uitschakelen?
Ik heb onmiddellijk na de lectuur dit boek vijf sterren gegeven. Dat is zeker niet onverdiend.
De straatborden zijn hilarisch! De Canadezen zijn zeer creatief in hun verkeersborden: wanneer er bijvoorbeeld nieuwe lijnen worden geschilderd, zie je niet alleen een bord dat er werken zijn, maar staat er ook effectief een bord van een verfborstel. Bij sommige borden moesten we ook echt nadenken over wat ze precies bedoelden. Ik geef er u hieronder enkele mee die Bart en Wolf voor mij hebben getrokken, want ik zat altijd aan het stuur.
Je zou denken: ze waarschuwen voor elanden, herten en schildpadden, maar nee hoor, dat laatste vertelt je te vertragen. Juist ja. En dan zijn er ook deze:
Nu we toch over dat soort dingen bezig zijn: verkeerslichten. Ze waarschuwen altijd als er onverwacht verkeerslichten aankomen met een standaard verticaal bord. Maar de meeste verkeerslichten staan er horizontaal. . Ergens is dat logischer voor de afslapijlen, maar in het begin is het echt verwarrend. En vreemd om te zien, dat ook. .
Paddenstoelen. Massa’s in alle groottes en formaten en soorten. Ik heb er echt veel gezien, zeker omdat het nog volop zomer is en dus pokkewarm. .
Water. Veel. De beelden van de verschillende watervallen hebben dat wellicht ook al duidelijk gemaakt, maar je kan echt geen tien kilometer rijden zonder over een riviertje of rivier te rijden. Er zijn – niet langs de Saint-Lawrence, maar eerder in het binnenland – ongelofelijk veel meren, ook in alle formaten. Er zijn van die kleintjes die je bijna een vijver zou kunnen noemen, en dan zijn er zoals het Lac Saint-Jean, dat een derde van Oost-Vlaanderen beslaat. Een lake house is dan ook geen uitzondering, maar zie je heel vaak. En dan ook vaak watervliegtuigen, want dat is de snelste manier om ergens te komen, en met al dat water heb je geen startbaan nodig. .
Nog zoiets waarvan er meer dan overvloed is: bomen. Miljoenen. Wat zeg ik? Miljarden, wellicht. De meeste huizen zijn dan ook in hout gebouwd, en dat snap ik volledig. Zover je kan kijken – zodra je buiten de stad bent – staan er bomen. Alle soorten, en ook loof- en naaldbomen door elkaar. .
Wat je ook niet ziet, is vee. Als in: geen enkele koe gezien op die veertien dagen, en we zijn nochtans mastodonten van boerderijen gepasseerd met hectà ren aan graan en mais en zo. En ja, met grote veestallen, maar alle beesten zelf stonden binnen. Misschien door de grote warmte, maar dat lijkt me niet, want je zag ook geen omheinde weiden. Vreemd.
Over vreemde dingen gesproken: de centrale stofzuiger. Ja, ik had dat al gezien in Amerikaanse films en reeksen, maar in de chalet hadden we dus zelf zo eentje. Je haalt een gigantische slang uit de berging, plugt die in in een gat in de muur, en begint te stofzuigen. In de berging hangt een groot ding dat de motor en de opvangzak voorstelt. .
Nog even terug naar het verkeer: de auto’s. Alles is hier groot, en dus ook de auto’s. Je ziet massa’s van die gigantische trucks zoals je die als kind ook tekent, en daarnaast van die pickups waarvan je je afvraagt hoe ze die in hemelsnaam in de stad geparkeerd krijgen. Want ja, ook in de steden zie je die heel vaak. Daarnaast ook veel patserwagens: meer Porsches en dergelijke dan bij ons.
Ook: quads. Dat blijkt daar een heel normaal vervoermiddel te zijn en je ziet ze overal: mensen gaan er gewoon mee naar de winkel. Ik vermoed dat ze ze zien als sneeuwbestendige motors.
Aan de andere kant zijn er ook overal waarschuwingsborden voor sneeuwscooters, dus ook die zal je hier in de winter vermoedelijk overal zien. .
Zowat alles is hier groot: koffie krijg je dus in een soepkom, de porties zijn enorm, de auto’s overdreven groot, maar er is ruimte. Heel. Veel. Ruimte. En ja, als je vanuit België komt, valt dat wel op, ja. Maar het zit ook in kleinere dingen: literflessen water kan je eigenlijk alleen per stuk of per 24 kopen. Zakken chips bestaan in buitenmaatse formaten, met de gemiddeld aangeboden brownie heb ik genoeg voor een hele dag, dat soort dingen.
Kwart voor twee zaten we in de auto, kwart over twee was onze trouwe PRNDL goedgekeurd en liepen we de luchthaven binnen.
Je moet er zelf inchecken: zelf je boarding pass uitprinten, zelf je bagagelabels uitprinten en bevestigen, zelf je valiezen op de band zetten. En dus ook zelf nog wat gewicht verdelen, want ze waren behoorlijk streng, die machines.
Soit, al bij al gingen we bijzonder vlug door het systeem, zodat we nog meer dan twee uur zaten te koekeloeren. Maar ik zocht en vond een nieuw bandje voor mijn Apple Watch, Merel vond zowaar een fanmagazine over Taylor Swift, en allemaal hingen we wat rond en viel het nog mee.
En de vlucht? Ook die viel bijzonder goed mee, bijna twee uur korter dan in het heengaan, en ik heb zelfs een dik uur geslapen. En vooral: ik voelde me zo fris als een hoentje! Mocht ik me altijd zo voelen na een vlucht, ik had er geen probleem mee. Zelfs geen greintje misselijkheid, ik snap het zelf niet.
Al bij al een zeer aangename manier om de reis af te ronden.
Die hittegolf, dat eist wel wat van een mens, ja. Thuis zou je gewoon binnen blijven en pas ’s avonds buiten komen, maar dat is hier geen optie.
We sliepen blijkbaar allemaal als een roosje en zaten om tien uur aan het ontbijt in het hotel, Ã la carte. Terwijl wij allemaal een zeer uitgebreid ontbijt hadden, bleek Merels bestelde bagel wel heel klein uit te vallen, waardoor ze helemaal triest werd. Ons Merel en eten, dat is een combo die je best niet verstoort. Maar ze kreeg nog extra fruit en een broodje en zo van ons, zodat het allemaal nog iet of wat meeviel. En die soepkom koffie, dat was ook best indrukwekkend. Kijk maar naar het bestek ernaast…
Het operafestival was in volle gang en dan staan er overal zangers het beste van zichzelf te geven op kleine podia en dergelijke.
Toen waren we allemaal oververhit en werden Merel en Bart hangry, dus zochten we een plaatsje in een Italiaans restaurantje. Buiten, helaas, want binnen zat vol. Al bleek dat achteraf de betere keuze, want er woei een windje doorheen het straatje en binnen stond de pizzaoven een goeie imitatie van de hel te geven.
Na het eten wilden we met de funiculaire terug naar boven, maar daar bleek een praktisch probleem: enkel cash, geen betaalkaarten, en we hadden maar 10 Canadese dollar meer. De heren waren zo galant om de eer aan Merel en mij te geven om in het tandradtreintje te gaan, terwijl zij de net geen 400 trappen beklommen in de volle hitte. En toch waren ze nog eerder boven dan wij, want wij moesten eventjes wachten.
Boven liepen we nog even rond, en dan was het plan om naar het Museum van Schone Kunsten te gaan. Dat lag 2 km verderop langs het grote park in Quebec, Parc du Champs de Bataille, met halverwege ons hotel. Kobe ging sowieso naar het hotel gaan, Wolf en Merel wilden wel mee met ons.
Alleen… het was echt bijzonder warm, het museum was grotendeels dicht voor renovatie, en Bart zag het niet meer zitten. Ze zijn naar het hotel teruggekeerd, Wolf ging nog even shoppen wat verderop in een bepaalde winkel, en ik, ik bleef ronddwalen door het park om er caches te zoeken.
Na een tijdje begon het te overtrekken, wat eigenlijk behoorlijk veel deugd deed, moet ik toegeven. Ik deed er nog een uurtje of twee bij, zag nog een stukje opera begeleid door draaiorgel, hoorde het eerste nummer van een U2-covergroep en genoot.
Ik liep even het museum binnen om af te koelen en even naar het toilet te gaan, en las overal de plaatjes op de banken.
Toen was het vijf uur en was vooral ook de batterij van mijn telefoon (lees: GPS) beetje plat, zodat ik ook even terugkeerde naar het hotel, daar wat afkoelde, mijn voeten liet rusten en vooral ook een deugddoende douche nam.
Om half acht tekenden we allemaal, netjes opgekleed, present in Le Ciel, het ronddraaiende restaurant boven op ons hotel. De zonsondergang was prachtig, en Bart had zijn GSM tegen een tafelpoot gezet om een timelapse te nemen van een volledig rondje.
Een hele mooie avond om een hele mooie reis mee te besluiten.
Vandaag werd een overgangsdag met extra veel water: we ontbeten op de kamer met cornflakes en zaten tegen tien uur in de auto. Een half uurtje later stonden we al aan de eerste halte: de waterval aan Baie-Saint-Anne, waar je met diverse hangbruggen over het water kan en je ook de Air Canyon kan doen over diezelfde waterval. Je wordt met 50 km per uur over de waterval geschoten, op een zeer respectabele hoogte. Dat deed Merel en mij meteen besluiten om dat NIET te doen, maar de heren zagen dat volledig zitten.
Ondertussen liepen Merel en ik al wat verder over de waterval zelf, en ja, die is indrukwekkend. Wat een massa water, wat een lawaai! Vandaar ook de bijhorende filmpjes, het was echt wel de moeite. Bij het derde filmpje overigens echt kijken tot het einde.
Bon, het was nog geen twaalf uur en het was ook maar een half uurtje rijden naar de volgende stop: de waterval van Montmorency, aan de rand van Quebec stad. Daar was het nog een pak toeristischer, maar we moeten niet zagen: we liepen er per slot van rekening ook.
Daarna gingen we de waterval zelf van dichtbij bekijken, toch van boven uit.
We liepen ook nog even beneden tot aan de waterval (en werden goed nat) en toen was ook dat welletjes, vonden we.
Een dik kwartier later stonden we aan hotel La Concorde in Quebec zelf, een van de zeer herkenbare torens aldaar, met bovenaan het ronddraaiende restaurant Le Ciel.
De kinderen zaten op de 23ste verdieping, wijzelf op de 21ste: ruime, gerieflijke kamers in een toch wel wat ouder gebouw, ja. Er stonden twee grote bedden op de kamer, en Bart en ik hebben dan elk maar eentje gekozen, gewoon om eens zot te doen. En rustig te slapen, met elk een eigen donsbed, dat ook.
Als er, na al het rondgeloop van de voormiddag, nog zin was geweest om nog meteen Quebec te gaan verkennen, dan werd die ons door waterval drie eventjes ontnomen: het begon te gieten, maar echt te gieten: het water kletterde zo hard tegen de ruit dat het zelfs binnenstroomde via een lek bovenaan.
Maar tegen zeven uur waren we weer allemaal wat uitgerust en afgekoeld en trokken we de stad in, op zoek naar een deftige poutine. Ha ja, want we waren intussen veertien dagen in de provincie Quebec en hadden dat nog niet eens geproefd. Wolf leidde ons feilloos naar Poutineville, een keten die uitstekende recensies krijgt. Euh… het was niet slecht, maar poutine is niet mijn ding, vrees ik. Alleen Kobe zag dat echt helemaal zitten, maar die eet thuis dan ook al graag eens een kapsalon.
Toen was de rest moe en wilden ze terug naar het hotel, maar ik had nog wat energie over – ADHD much? – en liep rustig nog wat rond in de stilaan donker wordende stad om geocaches en labcaches te zoeken. Dat laatste verliep niet zo vlot, omdat er verschillende festivals aan de gang waren: een operafestival, maar vooral ook een festival van La Nouvelle France, waarbij een park en verschillende straten volledig waren afgesloten met podia en dergelijke, betalend. Tsja… Maar het gaf wel extra sfeer, ja.
En toen was er ook nog het uitzicht vanuit onze kamer over de nachtelijke stad.
We sliepen heerlijk in deze prachtige hotelkamer, maar zaten om half negen al aan het ontbijtbuffet. Dik in orde, overigens, we hadden ook niets anders verwacht. En het weer, dat was weer helemaal opgeklaard, klaar voor opnieuw een bloedhete dag. Ook de Canadezen zelf vinden het warm, dit blijkt ook voor hen een hittegolf te zijn.
We aten dus op ’t gemakje, hielden het rustig – deze namiddag kajakken, vandaar – en spraken af om om half elf even in het stadje zelf te gaan rondlopen, boodschappen te doen voor een picknick – we hebben het stilaan gehad met het vetrijke restauranteten – en dan tegen half twee naar de kajak te gaan. Wel, Baie-Saint-Paul – of Charlevoix, ik ben er nog niet uit wat het precies was – is bijzonder toeristisch: overal volk, allemaal restaurantjes met dezelfde stijl goedkoop eten zoals burgers en frieten en ribbetjes, souvenirwinkeltjes en vooral heel veel kunsttoestanden, of toch would-be-kunst. Blijkbaar zou het een kunstenaarsdorp moeten zijn. Best wel charmant, maar alweer bloedheet…
Achter de parking van het hotel ligt een heerlijk voetgangersstraatje met picknickbanken en zelfs hele leuke picknicktafels met stoeltjes, maar die lagen in de zon, die hebben we dus overgeslagen. Hoe fijn de hotelkamer ook is, er is niet bepaald een tafel waar je met vijf aan kan zitten, vandaar.
En toen bracht ik de rest van het gezin naar het strand – letterlijk, aan de samenvloeiing van Saguenay en Rivière Saint-Laurent, op 800 km van de echte zee – waar ze zich met een busjes en de kajaks 8 km verderop lieten droppen om dan terug te varen.
Zelf zag ik dat absoluut niet zitten, dit is een beweging die voor mijn rug aan geen kanten verantwoord zou zijn, en dus ging ik maar geocachen. En het is ongelofelijk op welke plekjes je dan allemaal komt, zoals doorheen een park, en dan wat naar beneden door bos om aan een strand van diezelfde Saguenay uit te komen. Ik zag het niet zitten om te wachten tot ze hier met de kajak gingen voorbijkomen, maar mooi was het wel. En dan minder mooie plekjes, dat ook, maar wel caches. En ook zowat de vreemdste locatie ooit: temidden van de steenwoestijn van een gigantische parking voor verschillende grote winkels ligt een oase. Als in: enkele bomen, een heuse picknicktafel, een monumentje, een beeld en zelfs nog oude kerstversiering. En rondomrond dus de immense leegte van die parking. Bizar!
Om half vijf mocht ik hen opnieuw ophalen, aten we een ijsje om te bekomen en keerden we terug naar het hotel om af te koelen en wat bij te komen – zij althans, voor mij hoefde dat eigenlijk nog niet.
En tegen zeven uur liepen we terug naar het centrum om daar – na even wachten – eigenlijk bijzonder lekker te eten in een van de lokale toeristenvalletjes op het terras. Bart koos zelfs de lokale poutine: een typisch Quebecaanse (?) vorm van fastfood: frieten met een dikke bruine saus – denk stoverijsaus zonder het vlees – en stukjes kaas, in de stijl van haloumi of feta. Beetje vreemd, lijkt wat op een kapsalon.
Soit, we waren steendood, hadden allemaal te veel gegeten, een ijsje hoefde dus niet, en we keerden terug naar ons hotel, waar de kinderen wel nog gingen zwemmen in het grote buitenzwembad.
We stonden op om acht uur, zaten om negen uur aan een ontbijt à la carte maar nog best betaalbaar, en stapten om iets over tien, gepakt en gezakt, in de auto. In de gietende regen, jawel.
De baan ging op en neer, heen en weer, langs de Saguenay maar ook gewoon door de heuvels/bergen, soms vrij hoog, soms bijzonder steil, en dus de hele tijd nat. Zo’n twee uur. We stapten even uit aan Baie Sainte-Marguerite, maar hadden niet de tijd om ook echt een wandeling te maken tot aan het water om eventueel beluga’s te spotten. Maar het was er wel mooi, en het druppelde nog amper.
Bizar was ook dat er mist hing over de baai, terwijl we nergens anders mist hadden gezien. Het ene moment kon je vrij ver kijken, tien seconden later zag je niks meer. En dat zullen we geweten hebben: we zijn het water op gegaan in toch wel redelijk dikke mist.
Want ja, we zijn dus walvissen gaan spotten daar op het water van de Saint-Lawrence rivier, waar de Saguenay er in uitkomt: dat geeft blijkbaar zeer veel voedsel in het water waardoor er veel walvissen komen voeden. Alleen… er hing al twee weken een dikke mist, en dat heeft zijn voor- en zijn nadelen. Het nadeel is dat je geen zak ziet en je dus moet luisteren of er ergens een walvis boven water komt en spuit in plaats van dat je de spuit ziet. Het voordeel is dat de zon niet in het water schijnt, waardoor de krill meer aan de oppervlakte hangt en de walvissen dan ook meer aan de oppervlakte komen voeden.
Eerst gingen we in de zodiac met een rotvaart ervandoor, en al snel waren we allemaal jaloers op Merel, die vooraf had staan zweten in T-shirt en vestje onder dat knaloranje visserspak. Maar op die boot werd het al snel berekoud…
Na nog een tijdje proberen en de aankomst van verschillende andere boten zijn we uiteindelijk weggevaren, de Saguenay op: we wilden de plaats aan de andere laten, en wellicht ging de walvis door het geluid van de boten toch ondergedoken zijn.
Op de Saguenay hebben we geen beluga’s kunnen zien, wel een hele reeks zeehonden die lagen te zonnen – enfin, voor zover er zon was tenminste. Maar daar was de mist wel wat beter.
Na dik twee uur waren we terug, een mooie ervaring rijker. En nee, ik ben niet misselijk geworden in dat ding, oef.
Bon, we gingen terug naar de auto, knabbelden nog iets en vertrokken richting Baie-Saint-Paul, een twee uur rijden, maar eerst nog een gigantische ferry voor alle verkeer.
En wat graadt ge? Het begon inderdaad opnieuw te regenen zodra we vertrokken, en het bleef gemeen regenen tot op bestemming, waar het gelukkig net gestopt was. Beetje chance…
De kinderen slapen wel in een andere blok, maar erg vinden ze dat niet: ze hebben een kamer met een dubbel bed – dat Kobe meteen geconfisqueerd heeft – en dan een stapelbed, met Merel bovenaan, maar wel de chique versie.
We waren lichtjes moe, zou je kunnen stellen, en we hadden dan ook geen zin om nog ’t stad in te trekken om nog iets te eten, zeker nu er beneden ook een gewoon deftig brasserierestaurant was. We moesten wel nog wachten tot acht uur, maar dat konden we wel overleven. En de plaatsen waren buiten, maar achteraf bleek dat zelfs nog de betere optie te zijn: veel minder lawaai en een bijzonder aangename temperatuur. Het was gestopt met regenen, maar we zaten sowieso overdekt. En ja, lekker gegeten.
Tegen half tien waren we op ons kamer, pompaf, maar een enorme ervaring rijker. Man, hoe fijn kan zo’n vakantie zijn!