Paniek om Saruman

Nee, geen orken uit Isengard, wel dikke paniek om Saruman, onze kleine witte kater.

Eergisteren, bij het opstaan, kwam Kobe me in allerijl roepen: er was heel duidelijk iets mis met Saruman. Hij stond te zwijmelen op zijn pootjes alsof hij zat was, sloeg af en toe door zijn achterpoten, viel zelfs gewoon omver, liep overal tegen, en miauwde onophoudelijk, behalve wanneer ik hem vast hield. Zijn hele lijfje schokte als met elektrische schokjes, en daartussen rilde hij.

Ik was in paniek, ik geef het toe: kwart voor acht ’s morgens, de dierenarts ging pas open om half negen, en dit was, volgens mij, iets dat niet echt kon wachten. Gelukkig herinnerde ik me dat een vader van een van de leerlingen, politieagent hier in Wondelgem, me gesproken had over zijn nieuwe dierenarts, een oudleerlinge van mij, Ulrike. Zij had nog geen vaste praktijk, deed huisbezoeken, en hij vond haar een hele goeie. Aan dat laatste twijfelde ik geen moment, Ulrike kennende, en dus stuurde ik haar in paniek een berichtje via FB Messenger. Waarop zij prompt antwoordde: ze moest om half negen een vervanging doen in Mariakerke, moest vrijwel aan ons deur passeren, en ging Saruman komen ophalen. Oef!

Ik had vooral schrik voor een vergiftiging met een of ander neurotoxine, want hier in de buurt is er een dierenhater aan het werk, die op openbare pleintjes – tot zelfs in privétuinen van hondeneigenaars toe – bolletjes gehakt legt met rattengif in. Ulrike ging het bekijken, maar ze ging de doodsbange kat eerst en vooral een infuus geven en vooral heel erg grondig in de gaten houden.

Tegen de avond stuurde Ulrike me het volgende:
“Hey! Hij is algemeen rustiger dan deze morgen. Het probleem op dit moment is dat hij bijna niets ziet, heeft bloed ter hoogte van de ogen. 3 mogelijkheden: – acute hypertensie – hoofdtrauma of infectieus. Krijgt alle nodige medicatie en we moeten zeker 48u de tijd geven.”

Ik bleef serieus ongerust, en niet onterecht. Maar hij was al niet erger geworden, en dat was een goed teken, vond ze.

Gisterenmorgen, op Hemelvaart, stuurde ze me een filmpje van Saruman die al fluks op een behandeltafel sprong en nieuwsgierig alles begon te bekijken. Zo kennen we hem, en hij was dus duidelijk al een pak beter. Oef!

Bon, ze wil hem voor de zekerheid nog houden tot morgen, maar het doet in elk geval deugd om hem terug springlevend te zien. En jawel, ik kreeg nog een filmpje vandaag, waarin hij klagend voor een venster zit en naar buiten wil. Wat een toewijding, zeg!

Nu de rekening nog :-p

Even schrikken

Om niet te zeggen: paniek.

Ik had de voorbije dagen al wat last van vermoeidheid en spierpijn, en vorige week had ik ook al serieus koppijn gehad. Dokter, zegt u? Ik had de jongens al op sleeptouw genomen naar de logopedist en de tandarts, ik vond dat ik nog wel een paar dagen kon wachten tot ze op kamp waren, om dan in alle rust naar de dokter te gaan. Lees: op dinsdag, na het lang weekend.

Mijn lijf vond van niet.

Deze morgen maakte Bart me rond half tien wakker met de boodschap dat Merel net wakker was geworden, en of ik haar kon doen, want hijzelf zat met een serieus zere rug. Geen probleem. Fluks wipte ik uit mijn bed, om kreunend vast te stellen dat dat niet zo’n goed idee was: mijn handen en voeten deden pijn en stonden helemaal dik. WTF? Zuchtend en steunend daalde ik de trap af – dat gaat niet zo vlot als uw gewrichten pijn doen – en viste Merel uit bed, goedlachs maar met een immense kakbroek. Ik dropte haar op de luiertafel en begon haar te verversen – en werd toen gigantisch misselijk, in die zin dat ik me op de grond gelegd heb om niet helemaal flauw te vallen. Ik riep Bart te hulp, en deelde vanop de grond mee dat een dokter of zelfs ziekenhuis me geen raar idee leken. Intussen was ik rechtgekrabbeld, om na een minuutje of zo opnieuw languit op de grond te gaan liggen.

Uiteindelijk ben ik naar beneden gegaan om me in de zetel te leggen, en daar ben ik effectief flauwgevallen. Compleet met koud zweet, braakneigingen en alles erop en eraan. Twee maal zelfs.

Bart en de jongens waren tegen dan in paniek, of toch zo ongeveer. Bart ging de 100 bellen, maar ik stelde mijn moeder en de dokter van wacht voor, en zo geschiedde. Ma to the rescue, en iets later ook de dokter. Die vertrouwde het absoluut niet, en sommeerde me naar de spoed te gaan voor verdere onderzoeken. Ik heb me min of meer aangekleed, en mijn ma heeft me naar het Jan Palfijn gebracht. Daar namen ze de klachten echt wel serieus, vooral dan de kleine rode vlekjes – petechiën – die over mijn ganse lijf waren opgedoken. De inderhaast opgetrommelde neurologe was formeel: ik moest een nachtje in het ziekenhuis blijven, ter observatie. Ik vermoed dat ze vooral bang was voor meningokokken, ofte hersenvliesontsteking. HEt oedeem en de bijhorende gewrichtspijn vonden ze blijkbaar minder erg, al mocht ik gerust pijnstilling vragen.

Bon, tegen twee uur lag ik dus op een kamer in zo’n ziekenhuishemdje, met een ‘poortje’ in mijn arm en ettelijke buisjes bloed minder. Heerlijk rustig, dat wel. Ik heb geslapen, gelezen, geslapen, tv gekeken en geslapen. En onnoemelijk veel goesting gehad in chocolade.

En de onderzoeken op mijn bloed? Die wezen uit dat alles perfect normaal was, en dus hadden de artsen geen touw om ergens aan vast te knopen. Ze hebben geen idee wat er aan de hand is, maar willen toch zeker zijn dat het niks ernstig is, en dus blijf ik hier een nachtje.

Yay. Not.