Meet Saruman The White…

Wolf vroeg het al meer dan een jaar: dat hij dolgraag een nieuw katje wou, na het vroegtijdig heengaan van Radagast. Hij wou dat eigenlijk zelfs als communiecadeau…

Nu ja, Bart was niet echt te vinden voor het idee, hij is niet bepaald een kattenmens. Maar ik speelde wel met het idee. En toen een maand of twee geleden bij een vriendin uit de rugby een allerschattigst spierwit kitten voorbijkwam, tsja… Ik polste even heel terloops bij Bart, en er kwam geen gedecideerde nee uit, dus… zette ik gisteren op het boodschappenlijstje kattenbakzand en kittenvoer. Barts wenkbrauwen gingen even tot aan het plafond, maar bon…

Gisteren zijn we hem gaan afhalen, hier een kilometer of twee verderop. Het beestje is ongelofelijk tam, heeft amper een beetje gemiauwd, en vooral gigantisch veel rondgesnuffeld. En tegen een uur of tien durfde hij zich aan mijn voeten installeren. En nog iets later? Gewoon bovenop Wolf.

Dat komt helemaal goed, dat beestje. We hebben al een Gandalf de Grijze, we hadden eventjes een Radagast de Bruine, en nu is er dus Saruman de Witte.

Alleen moeten we nu nog zien te voorkomen dat er zich een episch gevecht ontwikkelt tussen beiden.

Slaap zacht, Radagast…

Daarstraks, rond een uur of zeven, ging de bel. Tot mijn grote verbazing stond de buurvrouw voor de deur, in haar pyjama met een jas over. Of ons kleine bruine katje binnen was? Ik aarzelde, zei dat ik het niet wist, want dat dat beestje binnen en buiten loopt naargelang ze zin heeft. Meteen ging een alarm af in mijn hoofd. En jawel, de buurvrouw nam me mee naar het exact zelfde plekje waar ik destijds ook Poetin aantrof, en waar Sander lag… In twee stappen zat ik naast het kleine hoopje bruine bont geknield, en kon ik enkel nog haar natte vachtje strelen. Ik herkende haar meteen, aan haar bleekbruine pootje, aan het halsbandje, aan haar blote buikje waar het haar nog niet was teruggegroeid na de sterilisatie van vorige week… Haar kopje wilde ik niet bekijken, want daar was ze geraakt door een auto. De man en het zoontje van de buurvrouw hadden het zien gebeuren, door de auto voor hen die veel te snel wegstoof, en het wellicht zelfs nooit gemerkt heeft.

Ik tilde haar voorzichtig op uit de plas bloed te midden van de straat – ze was nog warm –  en legde haar in de tuin, op het vroegere tuinpad, terwijl ik heftig probeerde de krop in mijn keel weg te slikken. Ik dankte de buurvrouw, en ging naar de kinderen.

De verslagenheid was groot. Merel snapte het volgens mij niet meteen, Kobe begon te snikken, en Wolf kon alleen maar “Oh nee! Oh nee!” stamelen.

Ze wilden haar niet meer zien. Ze wilden haar herinneren zoals ze was: speels, onnozel, en ongelofelijk hard ronkend wanneer ze op hun benen lag, of tegen hen aangevleid.

Kleine lieve Radagast, het heeft niet mogen zijn. Iets meer dan drie maanden heb je bij ons gewoond, en ik denk dat je het hier best wel naar je zin had. Het was dat of het asiel, waar je een zekere dood wachtte, want je was ondervoed en nog behoorlijk klein toen we je in onze houtstapel ontdekten. Deze middag lag je nog prinsheerlijk te slapen naast me op mijn bureau, en ik genoot daar intens van.

Morgen ga ik je begraven in de tuin, naast Osiris, die ook al door een auto is gegrepen.

Je bent mijn vijfde kat die hier is doodgereden, Rada. Hoe lang zal het duren voor het slachtoffer een kind is? En de stad eindelijk die verkeersdrempel wil leggen waar de straat al zo lang voor ijvert?

Slaap zacht, Rada. We zullen je niet vergeten, kleine pluizenbol.

366 – 17 september

365-260

En toen lag de kat te slapen op mijn schoot terwijl ik aan mijn bureau zat, gleed hij plots weg, probeerde ik hem nog vast te grabbelen, en probeerde hij dus hetzelfde. Juist ja.