Lezing: “Het vrouwelijk perspectief; de oudheid door de ogen van vrouwen”

Ik durf al eens naar een lezing te gaan, doorgaans die van het NKV, het Nederlands Klassiek Verbond. Vroeger ging ik vaker naar die van het Griekenlandcentrum, dat vooral over de cultuur in het huidige Griekenland rapporteert. Ons ma was daar grote fan van, vandaar.

Maar nu heeft het Griekenlandcentrum een reeks lezingen die me wel kan boeien, enfin, de meeste toch.

Ik moest me behoorlijk reppen want ik kwam pas met Merel thuis van de muziekles om half zeven, moest nog snel koken en wilde dus om half acht op de Blandijn staan. Het is me net gelukt, oef.

De Nederlandse Jacqueline Klooster had het over hoe, in de vierde feministische golf, de klassieke mythes herverteld worden, maar vanuit het standpunt van de vrouwen die doorgaans enkel een rol in de marge spelen. Neem nu het boek “Lavinia” van Ursula Le Guin: om haar hand – en het bijhorende koninkrijk, dat ook – wordt in de Aeneis een heuse oorlog gevoerd, maar zij komt niet aan het woord. Meer nog, in de hele Aeneis komt ze met moeite ter sprake, tenzij als veroverbaar object. Klooster vroeg zich af hoe dat komt, en gaf meteen ook een hele lijst boeken die inderdaad een ander perspectief geven, vanuit het standpunt van Penelope, Medusa, Kassandra, Klytaimnestra, Circe…

Ik ga die boeken hier even oplijsten, zowel voor mezelf als voor wie er interesse in zou hebben. Klooster gaf aan dat het zowat begon met de Penelopiad van Atwood, maar dat er sindsdien een heuse stormvloed aan hervertelde mythen is, niet alleen de klassieke.

Bon, best een interessante avond gehad. En dus opnieuw een stevig pak lectuur, al heb ik er wel al een paar van gelezen – die zijn gelinkt naar de bespreking.  Pas op, Klooster waarschuwt wel dat dit geen waardeoordeel bevat, alleen het onderwerp.

* The Penelopiad van Margaret Atwood (2005)
* Lavinia van Ursula Le Guin (2008)
* The Song of Achilles van Madeline Miller (2012)
* Galatea van Madeline Miller (2013)
* For the most beautiful van Hauser (2016)
* Circe van Madeline Miller (2017)
* The Children of Jocasta van Haynes (2017)
* For the winner van Hauser (2017)
* The Silence of the Girls van Pat Barker (2018)
* For the Immortal van Hauser (2018)
* A thousand ships van Haynes (2019)
* Wake Siren van MacLaughlin (2019)
* Ariadne van Saint (2021)
* Daughters of Sparta van Heywood (2021)
* The Women of Troy van Pat Barker (2021)
* Medusa van Burton (2021)
* Medusa van Hewlett (2021)
* Greek Myths van Emily Higgins (2021)
* Stone Blind van Haynes (2022)
* Electra van Saint (2022)
* Ithaca van Claire North (2022)
* Wrath Godess Sing van Deane (2022)
* Athena’s Child, Queens of Themiscyra, A Spartan’s Sorrow van Hannah Lynn (2022)
* Atalanta van Saint (2023)
* The Shadow of Perseus van Heywood (2023)
* Clytemnestra van Casati (2023)
* House of Odysseus van Heywood (2023)
* Lies we sing to the Sea van Underwood (2023)
* Phaedra = The Heroines van Shepperson (2023)
* No Season but the Summer van Leyser (2023)
* Psyche and Eros van MacNamara (2023)
* Spin van Caprara (2023)
* Medusa’s Sisters van Bear (2023)

* Gender Swapped Greek Myths van Karrie Fransman en Jonathan Plackett
* God of Fire van Helen Steadman
* Argos van Ralph Hardy
* The Just City van Jo Walton

 

“Nu ben ik Medea”

Een tijdje geleden riep het Griekenlandcentrum op om samen naar een toneelstuk te gaan in het NTG: Khadija El Kharraz Alami met ‘Nu ben ik Medea’.

Het stuk is een monoloog en is al meermaals bekroond. Ik zag dat volledig zitten en nam Gwen mee, en Sam en Lucie, twee collega’s van op school, en drie leerlingen waarvan er maar eentje kwam opdagen. Hmm.

En toen het stuk begon, wist ik eerst niet goed wat ik moest denken. Khadija is, zoals ze het zelf stelt, nogal heftig. En zelfs dat is een beetje een understatement, denk ik. Ze is een echte Rotterdamse maar met Marokkaanse roots, wat voor een stevige spagaat zorgt: ze voelt zich nergens echt thuis, is nergens echt welkom. En daarin vergelijkt ze zich dan met Medea, die ze gaat personifiëren als ware het een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Wat ze eigenlijk, tussen de woordenvloed en de idiote spelletjes door, probeert te zeggen is: was Medea eigenlijk wel mentaal gestoord, zoals ze vaak wordt afgeschilderd? Per slot van rekening laat ze alles wat ze heeft, gewoon achter, vermoordt ze zelf haar eigen broertje, om die vreemdeling te volgen naar Griekenland. En daar blijft ze altijd zelf de vreemdelinge, ook al heeft ze twee kinderen met Jason. Wanneer die dan besluit haar te dumpen en met een ander te trouwen omwille van de macht, staat ze helemaal alleen. Ze wordt verbannen met haar kinderen, en nog liever dan hen dat statenloos gevoel te geven, dat verlies van identiteit, doodt ze ook hen.

Is dit dan wel zo gek? En in hoeverre is dit anders dan de vele ontheemden die noch hier, noch in het thuisland van hun voorouders thuis horen? Pijnlijk zijn de momenten waarop ze haar situatie schetst en een conversatie nabootst: “Goh, wat spreek jij goed Nederlands!” – “Nee, wat spreek JIJ goed Nederlands!” Ze is er toch verdomme geboren?

Jammer dan dat het stuk heel inconsistent is qua niveau. Zo doet ze er veel te lang over om één persoon, een Jason, uit te pikken. Het werkte met 80 mensen in de zaal, maar duidelijk niet meer met 200, wanneer ze zegt: “Iedereen die lang haar heeft, gaat zitten. Iedereen die een blauwe pull draagt, gaat zitten”, enzoverder. Datzelfde spelletje herhaalt ze tot drie keer toe, en nee, het heeft geen verdere betekenis om bijvoorbeeld privilege aan te duiden of zo.

Het vreemde is dat ik niet gemeend kan zeggen dat ik het een goed stuk vond, maar toch blijft het hangen: het doet je nadenken, het kruipt onder je – parelwitte – huid, het doet je beseffen wat het moet zijn om je nergens thuis te voelen. Om zelf Medea te zijn. En om dan gek genoemd te worden, al 2500 jaar lang…