Familiebijeenkomst in de ArtiChaud

Zoals altijd gingen we ook vandaag met Barts familie eten: zo hoort dat al sinds jaar en dag op Allerheiligen, en ik kan me daar volledig in vinden.

En zoals altijd werd dat voorafgegaan door een bezoek aan het kerkhof van Kruishoutem om even hallo te gaan zeggen aan Jeroom. Het is al tien jaar dat we hem moeten missen, al veel te lang tien jaar.

Daarna gingen we even langs bij nonkel Staf, om dan richting de ArtiChaud in Kruishoutem te rijden. Vroeger kwamen we hier vaak, nu was het even geleden, maar het eten is er alleen maar beter op geworden, heb ik zo de indruk. De porties zijn in elk geval niet kleiner geworden: eigenlijk was het lenghaasje met risotto al een hoofdgerecht op zich, en dan moest het hertenkalf met veenbes en amandelkroketjes nog komen.

Omdat we deze keer al om twaalf uur hadden afgesproken in plaats van het vroegere één uur, waren we nu tegen half vier al weer buiten, maar het was echt wel lekker en gezellig geweest, maar zeker ook lang genoeg voor Nelly.

Bart bracht haar naar huis, wij reden naar ons eigen huis, en we zagen dat het goed was, zo’n traditie.

Trick or treat!

Vorig jaar hebben de handelaars van de geplaagde Evergemsesteenweg – al bijna twee jaar onderbroken, nog een jaar te gaan – voor het eerst een halloweentocht op poten gezet, met groot succes. Dit jaar komt de route voorbij ons huis, dus hebben Merel en ik gedecoreerd met behulp van Kobe, kwamen drie vriendinnen om zelf mee te doen aan de tocht, en heb ik mezelf verkleed als heks om de kinderen schrik aan te jagen en snoep uit te delen. Ik denk dat er bijna 10 kilo snoep is doorgegaan, Bart heeft op den duur een zeteltje in het halletje gezet voor mij, en ik was doodop en zonder stem. Maar het was wel amusant, ja.

Het grappige was dat tegen negen uur Els en Jurgen, de ouders van Lieze, kwamen aanbellen om even hallo te zeggen, en dat een paar minuten later de meisjes terug waren, zodat iedereen bleef zitten in de woonkamer, zeker toen ook nog Kaat en Janne, de twee andere dochters, kwamen aanbellen om te trick or treaten. Het werd nog best gezellig, terwijl de meisjes zaten te tetteren, zeker toen ook nog de twee andere mama’s erbij kwamen.

Maar ik was wel blij toen het gedaan was: zoals gezegd is dat blijkbaar best vermoeiend, heksje spelen.

125

Uit te spreken: één twee vijf. Dat is namelijk de naam van een restaurant op de hoek van de Molenaarsstraat, vlakbij ons nieuwe appartement.

Gwen en ik hadden afgesproken om te gaan eten, en wonder boven wonder hadden we hier op maandagavond nog een plaatsje vrij gevonden, aan de bar weliswaar, maar dat stoorde niet.

We hadden elkaar wel vorige donderdag gezien, maar dat was in professionele capaciteit en dus konden we niet echt kletsen. Dat hebben we vanavond dan maar ingehaald, vergezeld van ronduit heerlijk eten.

Veel keuze is er eigenlijk niet: drie hapjes, drie voorgerechten, drie hoofdgerechten, drie desserts. Gwen en ik deelden dan maar de grijze garnaaltjes op een tempura van courgette en de kroket van eend met chilimayonaise als hapje. Fantastisch lekker en verrassend.

Een voorgerecht hoefde niet, als hoofdgerecht nam ik Pluma Duroc met bloemkool en dragon, en Gwen ging voor de portobello met quinoa en witte kool. Opnieuw een voltreffer, geloof me.

In alle desserten zat helaas lactose, en ook al wilde de keuken met plezier iets aparts maken, Gwen ging toch gewoon voor een theetje. Zelf kon ik de crême brûlée niet laten liggen, en het was een van de verrassendste en lekkerste die ik al gegeten had. De crême was iets heel luchtigs, het krokantje kreeg je erbovenop, en eronder zat een ijs van kokos met gepofte rijst. Opnieuw bijzonder lekker.

Maar tegen dan begon mijn rug te protesteren tegen het gebrek aan leuning, dus we rekenden af en wandelden tot aan ons appartement. Onze verdieping staat er dus al.

En toen bleken we, toen we aan de auto’s kwamen, nog lang niet uitgebabbeld en zijn we tot aan ’t Floeren Foefke gereden, aan de andere kant van de straat.

Al bij al was het dus toch nog na elven, maar het werd een bijzonder aangename avond. Zoals het hoort.

Geocachen op Linkeroever

Ik moest, na de dienst voor Veek, even alleen zijn, mijn hoofd laten uitwaaien. Ik had gelukkig heel veel larpers gezien met wie ik van gedachten kon wisselen, met wie ik kon meevoelen, maar soms doet alleen zijn ook minstens evenveel deugd.

Ik zocht eerst een cache in de buurt en ging daarna naar de oevers van de Schelde. De zon scheen, het waaide, ik kon doorstappen en mijn gedachten alle kanten uit laten gaan. Het deed deugd.

Tegen half vijf was het welletjes: de rug deed pijn, ik werd moe en ik kreeg ook wel wat honger, ja. De rit naar huis was andermaal pensief, maar al iets minder donker.

Hey Koen

Hey Koen

eigenlijk is het belachelijk dat ik je hier Koen noem. Iedereen zei Veek, altijd en overal. En zo zit je ook mijn geheugen, Veek. En ik ben kwaad op je geweest. Kwaad omdat je zomaar doodging. Terwijl we, die keer dat je voor me gekookt hebt en we de hele avond hebben zitten praten, afgesproken hadden dat je ons dit nooit ging aandoen. Dat ik en de rest van je vrienden en familie dit nooit gingen moeten doen.

Ik ben niet meer kwaad, chou. Ik heb intussen gehoord wat er gebeurd is, en ik weet nu dat je er niet zelf een eind hebt aan gemaakt. Toch niet rechtstreeks. Maar ik weet ook dat je op was. Gewoon: op. Je hebt het geprobeerd, al die keren in opname, al die keren in een instelling, vechten tegen de verslaving, tegen je demonen, zoals ze op je afscheidsdienst werden genoemd. Het waren donkere demonen, dat weet ik, en ze waren je trouwe vrienden. Helaas.

Beetje bij beetje namen ze de plaats in van je echte vrienden. Je hield ons sinds corona op een afstand, meer en meer. Ik heb het mezelf kwalijk genomen dat ik niet méér heb geprobeerd, dat ik niet vaker heb aangedrongen. Maar nu weet ik dat je niemand meer toeliet dat laatste jaar, dat je jezelf afsloot, jezelf opsloot met de drank en de demonen.

Het moet eenzaam geweest zijn, chou. Je zag je meisjes doodgraag, maar nam het jezelf kwalijk dat je zo’n slechte vader was. Zelfs in die liefde droeg je een schuldgevoel mee. En toen kwam de dood van Erik. Die klap was de spreekwoordelijke druppel, Veek. Dat hakte er zo ongelofelijk diep in, dat raakte je tot in de kern van je ziel. Je miste hem, chou, met elke vezel van je lichaam. En dat gemis liet een leegte achter die je niet meer opgevuld kreeg, met de beste wil van de wereld niet.

Je was op, lieverd. Ik snap het. We begrijpen het allemaal. Maar dat maakt het verdriet niet minder. Dat maakt ons gemis niet minder. Het enige wat een beetje troost brengt, is het besef dat je nu wel rust hebt. Dat je die demonen een laatste pint hebt gegeven en ze hebt laten vertrekken.

Je vroeg me ooit, zomaar uit het niets, na maanden stilte: “Ziet ge me nog graag?” Mijn onvoorwaardelijke “Ja” was genoeg voor jou om weer even verder te kunnen, zei je.

Het ga je goed, Veek, waar je ook bent. Jij was gelovig, ik ben het niet, maar zelfs ik hoop dat je nu nog onnozeliteiten vermengd met diepe gedachten kan wisselen met Erik.

IK mis je, gij godverdoms stom kalf.