Net zoals vorig jaar kregen Merel en ik een verjaardagscadeautje van Marleen, en wat anders dan iets uit het Poëziecentrum? Ik was vorig jaar bijzonder opgetogen over de poëziekalender van Plint en wou die opnieuw, en Merel had toen een heel mooi bord gezien met een Merelgedicht, en had daar eigenlijk nog steeds haar zinnen op gezet.
Vandaag ben ik eindelijk in het Poëziecentrum geraakt, en jawel, daar lag netjes een pakketje op ons te wachten: de kalender en het bord!
Ik bleek dan ook nog eens op het ideale moment te komen, want gisteren was het Gedichtendag en het is nog de hele week Poëzieweek, en dan krijg je in het Poëziecentrum ook nog wat extra’s. Ik kocht dus nog een bundel, kreeg er het Poëziegeschenk bij – een bundeltje over Metamorphoses – en een poster. En ik, ik was helemaal happy!
De kalender hangt intussen al op in het toilet, het bord staat in de kast en voor de poster zoek ik nog een plekje.
Toen ik de aankondiging had gezien van deze Huiskamerkuren met Milo Meskens, had ik er niet op ingetekend: ik ken amper een nummer of twee van de man, en ik wist dat het een drukke week ging zijn.
Maar Jeroen liet in de loop van de namiddag weten dat Alexander toch liever bleef studeren en dat hij dus een kaart over had. Allez hup, ik tegen kwart voor acht naar Zomergem dus, samen met mijn broertje, zijn vrouw en hun dochter.
Zeggen dat ik er geen spijt van had, is ook nu weer een beetje een understatement, want ik durf beweren dat dit de beste huiskamerkuren is die ik al gezien heb, en dat wil wat zeggen, als je al Jan Hautekiet en Rick De Leeuw hebt gezien, of Klaas Delrue, Jan De Smet en nog wel enkele optredens.
Deze man is namelijk een rasmuzikant, en daarnaast een ongelofelijk sympathieke kerel. Maar echt. Voor zo’n jonge gast – hij is nog altijd maar dertig, en is al tien jaar bezig – stond hij vol zelfvertrouwen en zeker van eigen kunnen op het kleine podiumpje, en hij genoot zichtbaar. Zoals hij zelf zei: het was fijn om eens op zijn eentje te kunnen spelen en dus ook volledig zijn goesting te kunnen doen. Een echte setlist had hij niet bij: hij had een cursusblok gevraagd en gekregen, en daar een twintigtal nummers op gezet die hij eventueel wel zag zitten om te spelen. Maar op zich was het eerder op goed geluk: we mochten zelfs gewoon een cijfer roepen en dat nummer speelde hij dan. Hij liet zich echter ook gewoon leiden door de inspiratie van het moment, en van het feit dat er een piano stond: zelden iemand zo opgetogen gezien over een piano! Vol enthousiasme plofte hij achter dat klavier neer, begon te spelen, en stopte ook weer prompt: de cowboybotten die hij die middag had aangetrokken, waren blijkbaar geen ideale vestimentaire keuze om piano te spelen. Hij vroeg dan ook verschoning aan zijn publiek en ging vrolijk op zijn sokken verder. Het tekent Meskens: hij heeft de hele avond op zijn sokken staan spelen, piano, akoestisch gitaar, elektrische gitaar, het maakte niet uit: hij genoot van de schapenvelletjes onder zijn voeten.
Het zegt ook veel over de kwaliteit van zijn nummers – de meeste sowieso trage, melancholische melodieën – dat ze volledig uitgepuurd 100% overeind blijven. Hij bracht ze telkens met overtuiging, al twijfelde hij er soms luidop aan of het wel een goed idee was om een bepaald nummer op piano te brengen, terwijl het daar absoluut niet voor geschreven is. Hij gaf ook commentaar op die nummers: waarover ze gingen, hoe ze waren geschreven, hoe hij zich voelde tijdens corona en over de mentale problemen waarin hij verzeild was. Heel open, heel eerlijk, en bij momenten ook heel grappig en vooral spontaan. Echt, fantastische mens.
Al bij al heeft hij net geen twee uur gespeeld, veel langer dan eigenlijk de opzet is, gewoon omdat hij dat kon. En wou. En zich overduidelijk amuseerde. En het publiek, dat zei absoluut geen nee.
Gerhard Richter, dat is zo’n beetje als Rothko, vond ik. Die heb ik iets meer dan twee jaar geleden ook gezien hier in de Fondation Louis Vuitton, en daar was ik toen ondersteboven van, terwijl dat ’toch maar’ wat kleurvlakken zijn.
Richter kende ik van zijn streepjes, maar die man is zo gigantisch veel meer. Zoals Bart het stelde: dat is zowat de Picasso van onze tijd. Want ja, die man leeft nog, en heeft intussen een eigen museum in Duitsland en overal overzichtstentoonstellingen, zoals deze prestigieuze hier in Parijs.
De man kan fantastisch schilderen, en dat bewijst hij zelfs tijdens zijn abstracte periode door af en toe een schilderij te maken van zijn geliefde of van zijn dochter dat bijna fotorealistisch is. Maar hij tast de grenzen van zijn kunnen af, de grenzen van de schilderkunst en het is prachtig om zijn evolutie te zien. Het is ook onvoorstelbaar hoe de Fondation erin geslaagd is om al deze werken samen te brengen van over de hele wereld. Chapeau!
Sommige dingen spraken me minder aan, bij andere heb ik me ook echt neergezet om een tijdje te zitten kijken. Het heeft me niet zo diep geraakt als Rothko, maar geloof me, die streepjes zijn zoveel meer dan gewoon streepjes, als je ze in het echt ziet. En zijn reeks over de aanslagen van de R.A.F., die komt gewoon visceraal binnen.
We waren vroeg op, omdat we om 10 uur aan de Fondation Louis Vuitton moesten staan, en die ligt buiten het centrum, voorbij de péripherique, aan de Bois de Boulogne. Gisterenavond was dat drie kwartier per auto, vandaag bleek dat – maar dat zagen we pas toen we al op waren – amper 25 minuten.
Soit, tegen half negen hadden we onze spullen opgeruimd, waren we via het piepkleine – en dus claustrofobische – liftje naar beneden gegaan en zaten voor een croissantje.
We wandelden iets verderop om onze bagage af te geven en namen dan een Uber. Het is wel makkelijk zo: tegenwoordig bestaat er een service die aangeeft waar je overal je bagage in bewaring kan geven voor een dagje: voor 6 euro konden we ons valiesje afgeven om 9.00 uur en die dan later, rond een uur of vijf, weer gaan ophalen. Dat was in een gewoon kleiner hotelletje, maar ik kan me voorstellen dat die op een dag zo ook wel een fijne bijverdienste hebben. Handig!
Een dik half uur te vroeg stonden we dus voor de Fondation Louis Vuitton, zodat we nog een wandeling door het park achter het gebouw maakten. Wel, daar heb ik dus ook van genoten, zo aan de arm van mijn liefste.
En toen stonden we bij Gerhard Richter, maar die krijgt zijn eigen aparte blogpost. Die verdient dat.
Soit, we liepen nog eens door en rond het gebouw, verzeilden zowaar in het Aziatische pretpark dat daarnaast ligt, en namen de metro richting centrum.
Ons verblijfje lag pal tegenover de Samaritaine, maar we waren er niet binnen geweest. Dat euvel gingen we rechtzetten door er dan ook maar te gaan eten.
De bijzonder vriendelijke ober wist ons te vertellen dat er wel degelijk nog een terras was, maar tegenwoordig was dat gelinkt aan een poepchic hotel en was het ook niet open in de winter. Jammer.
Voor Bart was het stilaan welletjes, zodat we nog langs de oevers van de Seine liepen en hij zich dan, halverwege de Île de la Cité, achter een koffie parkeerde, terwijl ik vrolijk op het eilandje een eind weg ging cachen. Blijkbaar had ik nog wat adrenaline over.
We gingen de bagage ophalen, kwestie van dat achteraf niet meer te moeten doen, en schoven tegen vier uur aan bij het Musée des Arts Décoratifs, maar dat was duidelijk de verkeerde volgorde: het valiesje mocht niet mee binnen. Hmpf. Bart ging dan maar in de Starbucks zitten daar tegenover het Louvre, terwijl ik het museum deed, en daarna wisselden we om.
Ik ben zot van Art Déco en had uitgekeken naar de tentoonstelling, maar… ook al was het met tijdsslots en werd het publiek zogezegd beperkt, het was er zeer onaangenaam druk. Als in: ik heb bepaalde vitrines gewoon overgeslagen omdat er drie rijen mensen voor me stonden. Bepaalde gangen kon je alleen door al schuifelend, het was aanschuiven en wachten. Blah. Op een goeie drie kwartier stond ik weer buiten, terwijl ik daar anders wellicht een uur of twee had doorgebracht. Teleurstellend, maar wel enkele prachtige dingen gezien.
En dan waren er de interieurs van de Orient Express…
Bart kwam me ophalen, we namen de Uber richting station, en dat was dat. Daar moesten we nog even wachten – liever te vroeg dan te laat -, installeerden ons op de trein, en tegen iets over negenen stonden we weer thuis.
Bart had een paar weken geleden geopperd om naar Parijs te gaan: er waren enkele tentoonstellingen die we wilden zien, vooral dan die van Gerhard Richter, en er was ook Minimalism in de Pinault, maar dan was dit het laatste weekend dat het kon.
Euh, wij dus deze ochtend om half zeven per auto richting Rijsel, en dan om acht uur de TGV op. Ja, het was vroeg, maar dat stoorde niet: in die trein kan je lekker chillen. Iets over negen namen we een Ubertje richting de plek waar we onze bagage konden droppen – onze slaapplek was nog niet beschikbaar – en dan ging het te voet, doorheen het op dat moment nog rustige Parijs, richting het Picassomuseum een heel eind verder. We wandelden een heel eind parallel met de Champs Elysées, over de Place de La Concorde, doorheen de Tuileries, en zagen dat het dan nog een dik half uur was, en dat we het niet op tijd gingen halen.
Elk museum is tegenwoordig met tijdslots, en het is dan ook redelijk belangrijk om daar op tijd te zijn. Aangezien we toen al drie kwartier aan het stappen waren, namen we voor die laatste drie kilometer alsnog een Uber, zodat we netjes op tijd waren in het Picassomuseum, maar, zodra we er binnen waren, toch eerst een koffietje gingen drinken. Dat smaakte overigens, geloof me. En het museum was groter en viel beter mee dan verwacht, om eerlijk te zijn.
Iets na twaalven liepen we rustig door de Marais, keken even in de Marché des Enfants Rouges, liepen verder en waaiden een klein Japans – in elk geval Aziatisch – restaurant binnen voor een bentobox.
En toen was er meer dan tijd genoeg om rustig verder te wandelen langs Les Halles, uiteraard mijn favoriete beeld ‘Ecoute’ aan de Saint-Eustache, en dan nog een deftige koffie voor Bart, met een vleugje Epictetus, terwijl ik wat labcaches ging oppikken rond de kerk.
Tegen drie uur stonden we aan te schuiven aan de Bourse Commerciale, het gebouw van Pinault, voor de tentoonstelling rond Minimalisme. Die was, euh, minimalistisch. Ik kan niet zeggen dat het me echt aansprak, maar wat een gebouw zeg! Aan de binnenkant van de koepel heeft Tadao Ando een betonnen constructie gezet waardoor je het geheel nog veel beter kan bekijken. Knap!
Ons logement lag op vijf minuten stappen verder, aan de Rue de Rivoli, tegenover de Pont Neuf, dus gingen we eerst daar naartoe, want de rug begon het behoorlijk op te geven. Alleen stond onze bagage dus vier kilometer verderop. Meh. Bart had een schitterende locatie uitgezocht, maar over die bagage hadden we dus niet goed nagedacht. Soit.
Het appartementje – zitkamer-keuken in elkaar, apart toilet, slaapkamer met een soort open badkamer – moet vroeger de helft van een groter appartement geweest zijn, maar voldoet volledig aan de vereisten van een toerist. Het valt ook onder een hotelketen, en was dus voorzien van alle comfort en toiletbenodigdheden, maar met twee ruimtes, met zelfs een wasmachine, afwasmachine en diepvries. Niet dat we die nodig hadden, maar het was wel makkelijk dat er twee ruimtes waren.
Ik ging liggen en viel prompt in slaap. Bart was, zoals altijd, een schat en ging de bagage ophalen, waarna hij rustig nog een koffietje nam en een beetje schreef of zo.
Tegen zeven uur waren we verwacht in een chic Japans restaurant wat verderop, zodat we ons in het intussen nachtelijke Parijs begaven. En dat restaurant? Meh. We waren allebei echt niet onder de indruk, er was geen enkel gerecht dat echt de moeite waard was, het was alleen maar duur. Tsja. Dat weten we dan ook alweer.
Via een kleine omweg liepen we terug naar huis, zo rond kwart over negen, staken even de Seine over, en zagen dat het goed was. Paris Ville Lumière, wel degelijk.
Maar geloof me, we waren doodop tegen dat we in ons bed lagen, en we sliepen snel. Het was dan ook een lange, goed gevulde dag, zoals mijn echtgenoot pleegt te zeggen.
Het was al van in de paasvakantie geleden dat ik Véronique had gezien, en we vonden beiden dat we dat dringend moesten rechtzetten. Toen ik dus voorstelde om samen te gaan cachen, zei ze meteen ja. We lieten ons oog vallen op Roubaix: behoorlijk wat caches, ideaal voor koud weer want dan kan je ergens binnen gaan zitten, en vooral: cultuur! Want ja, daar is ook onder andere het prachtige museum La Piscine in een voormalig art nouveau zwembad.
Ik pikte haar op in Ronse, en iets voor twaalf stonden we in Roubaix. Ik hoop alleen dat ik er geen boete krijg, want blijkbaar heb je nu niet alleen voor de grote steden, maar ook voor de kleinere steden een ecovignet nodig, en dat wist ik dus niet. We gingen meteen het museum binnen, liepen rond en wilden rond één uur daar ter plekke in het restaurant eten, maar blijkbaar was het overvol en konden we pas om twee uur eten. Tsja, dan eerst maar verder museumen, zeker?
Tegen twee uur kregen we een tafeltje, kozen we voor de stoverij met frietjes en een koffie met een echte Meertse wafel erbij.
Eigenlijk hadden we nog niet het volledige museum gezien, maar we wilden vooral nu naar buiten, want de zon scheen – het was wel koud, tegen het vriespunt – en we wilden nog een aantal caches doen, vooral dan rond street art. Daar is er wel wat van in Roubaix, zo blijkt. We deden eerst nog de binnentuin, liepen rond, genoten van de stad, genoten van elkaars gezelschap en vonden onze laatste cache zelfs in het donker bij de lichtjes van onze gsms. Maar wat een prachtige dag…
Ik zette haar af en was tegen acht uur terug in Wondelgem. Moe, maar man, zo mentaal opgeladen!
Deze stond al lang op de planning maar hadden we wegens redenen al een paar keer uitgesteld. Vandaag trokken mijn lief en ik dus wél richting het MSK, en we waren zeker niet de enigen: het was er druk, en we moesten zelfs geluk hebben met het parkeren. Maar het was De Moeite. Zoals ik al iemand had horen zeggen: je ervaart er de zee meer dan wanneer je zelf aan zee staat.
Vanfleteren is magistraal, zijn captatie van de zee in al haar facetten nog magistraler. Als je het nog niet gezien hebt: doen! Ook de juxtapositie met schilderijen van diezelfde zee heeft een meerwaarde. Als ik nog eens in de buurt moet zijn tijdens de openingsuren van het MSK, spring ik zeker nog eens binnen. Met zo’n Museumpas is het toch gratis…
En nee, de foto’s hier doen de foto’s daar uiteraard geen recht, maar ik doe toch een poging.