Lectuur: “De geniale vriendin” van Elena Ferrante

Ik loop precies een beetje achter met mijn boekbesprekingen, en dan heb ik de vorige negen nog in één keer besproken. Maar voor mij is het pas echt vakantie als ik het mezelf ook kan toestaan overdag te lezen.

Omdat we in de buurt van Napels op vakantie waren, was me de reeks van Elena Ferrante aangeraden, L’amica geniale. Maar Italiaans is me echt een brug te ver, ik moest dat misschien wel kunnen aan ’t unief, maar nee, bedankt.

Ik dacht: ik ga eens voor een Nederlandse vertaling gaan. Maar ugh… De vertaalster was duidelijk een Nederlandse en dat merk je. En ook de zinnen vond ik stroef, om eerlijk te zijn. Maar bon, ik was in het Nederlands begonnen, ik heb het dan ook uitgelezen in het Nederlands.

Het is een meeslepend maar tegelijk ook verbijsterend boek. Het verhaal speelt zich af in een bijzonder grauwe, arme wijk van Napels zoals we zelf ook al hadden gezien en waarvan we behoorlijk hadden staan kijken.
Het is ergens de jaren vijftig, relatief kort na de oorlog, de armoede is groot, het geweld regeert nog steeds. Vrouwen horen aan de haard, zorgen voor de kinderen, worden regelmatig afgetuigd door hun echtgenoten, en dat patroon herhaalt zich bij de kinderen. Al van in het begin gaat Ferrante het geweld tussen de kinderen onderling niet uit de weg. Het hoofdpersonage, Lenú, raakt als jong meisje bevriend met de enigmatische Lila. Hun vriendschap is van de wisselende maar zeer intense soort: ze zitten samen op school, spelen samen, maar Lila is… vreemd, en bijzonder intelligent. Alleen mag ze niet verder studeren, terwijl Lenú door haar keiharde werk en behoorlijk wat gelobby van haar leerkracht wel de kans krijgt.

Het is een… bevreemdend boek. Aan de ene kant heb ik het niet bijzonder graag gelezen, aan de andere kant kon ik het ook niet wegleggen en bleven de personages in mijn hoofd spoken: ik wilde weten wat er met hen ging gebeuren, en met de rest van de buurt, want ook al is het boek geschreven vanuit het standpunt van de intussen oudere Lenú, je leeft mee met het wel en wee van de hele buurt, de opkomst van de kruidenier, de mafia-invloeden, dat soort dingen.

Aanrader? Goh… ik weet het niet. Eigenlijk wel. Ik heb in elk geval ook de volgende boeken gelezen.

Parijs, dag vier

Virginie, de verhuurder van onze AirBNB, was zo lief geweest om ons dit dagje ook nog te gunnen. Normaal gezien was het de bedoeling dat we tegen elf uur de deur achter ons dicht trokken, maar we hadden gevraagd of we enkel onze koffers mochten laten staan. Dat kon, zei ze, die gingen niet in de weg staan. Maar deze morgen kreeg ik een berichtje: dat de volgende huurders pas op zaterdagmorgen aankwamen en dat ze zelf maar ging komen kuisen in de avond, zodat we gerust nog tot een uur of zeven in de kamer mochten.

Nu, we hadden alles al ingepakt, de koffers stonden gewoon opzij, de kamer was leeg, maar we hoefden tenminste niet de hele dag te zeulen.

Tegen een uur of negen liepen Merel en ik richting Sacré Coeur, want de eerste dag hadden we daar in de buurt echt wel een fijne bakkerij gezien, en Merel wou daar echt naar toe. Groot gelijk, het ontbijtje was voortreffelijk en niet duur. Daarna gingen we even naar de Wall of Love, een muur waar in meer dan honderd talen I love you op staat, ook in reeds uitgestorven talen zoals het Navajo of, jawel, het Latijn en het Oud-Grieks.

We namen andermaal de metro, zodat we ook voor de laatste keer de Batobus konden nemen: de tickets waren geldig tot half twaalf en die boot blijft zalig.

Afstappen deden we voor de laatste keer aan Hôtel de Ville, om richting Les Halles te slenteren. Was me dat een teleurstelling zeg! Die zijn volledig gerenoveerd, zodat het oude beeld van de watervallen weg is en er nu gewoon een groot afdak is. Afknapper dus.

Maar door de naam Eglise Saint-Eustache te zien staan, viel mijn euro dat ik daar normaal gezien altijd een foto neem met dat hoofd dat daar ligt. Compleet vergeten! Wij dus naar het hoofd…

In een van de toeristische straatjes daar aten we een kippenbout met frietjes, maar man, vettig! Wel lekker, daar niet van…

En toen kwamen we aan het Musée des Illusions, het enige museum dat Merel echt graag wilde doen. We konden onmiddellijk binnen, maar toen we terug buiten kwamen, stond er een serieuze wachtrij.

Maar toen hadden we er allebei genoeg van: moe, heet, zere voeten… En aangezien we ons kamer toch nog hadden, namen we de metro naar huis, waar we tegen een uur of vier waren. We moesten pas om half zes weg, tijd genoeg dus om eventjes languit te liggen, te rusten, te lezen.

Dik kwart na vijf namen we afscheid, sleepte Merel de koffers van de gammele trap en rolden we richting station. Om daar vast te stellen dat het er pokkedruk was omdat zowat alle internationale lijnen – het gros van de treinen die daar toekomt en vertrekt – een stevige vertraging hadden. Blijkbaar waren er spoorlopers…

Gelukkig hadden ze er een Starbucks en konden we daar een zitplaatsje bemachtigen, want overal in het station, tegen elk muurtje en op elk hoekje zaten reiziger. Merel maakte kennis met de frappucino en met het fenomeen vertraging: het werd een dik half uur.

Nog een chance: in Brussel-Zuid bleken we drie minuten te hebben om de eerstvolgende trein naar Gent te halen, en dat haalden we gewoonweg! Netjes!

Een fijne babbel met een Brusselse jongeman en een taxirit later stonden we thuis. Rond een uur of negen dus: net genoeg tijd om Wolf een knuffel te geven en hem te zien vertrekken met zijn maten naar Parkkaffee.

Een vermoeiende citytrip, kilometers afgelegd, liters water gedronken, maar ook fantastische herinneringen gemaakt. Merel vond het alvast super, en daar gaat het toch om.

Parijs, dag drie

Dat een nachtje goed slapen toch een wereld van verschil kan maken!

Ik had mijn neusspuiter gebruikt zodat ik niet lag te snuiven, ik sliep onder een laken en Merel onder het donsdeken en blijkbaar was dat voldoende voor een deftige nachtrust. Oef!

We gingen ontbijten op de Place Choron – beetje veel verkeer, maar bon – en liepen te voet richting Opéra, want dat gebouw wilden we wel even zien, én daar zijn ook de fameuze, of misschien zelfs eerder beruchte Galleries Lafayette met dat schitterende dakterras.

Man, we keken onze ogen uit. Ik herinnerde me inderdaad dat daar alle chique merken zaten, maar wist niet meer dat die koepel er was, en dat de prijzen er voor sommige merken zó exuberant waren! Geef toe, 880 euro voor een vestje voor een vierjarige, Dior of niet… We liepen rond, voelden ons verschrikkelijk underdressed en toeristisch maar genoten van het gebouw.

En toen was er natuurlijk ook het dakterras met het fantastische uitzicht…

En verder ging de tocht: de Opéra werd eens grondig bekeken aan de buitenkant – de binnenkant hoefde echt niet voor Merel – en we namen de metro waar het vol stond met van die kleine geschilderde figuurtjes.

En toen, toen kwamen we bij de Tour Montparnasse, een veiligheidscontrole, een bagagescan en een uitzicht om u tegen te zeggen. En heet, heet!

Omdat het etenstijd was, mijn jongedame echt hangry kan zijn en de broodjes in de toren zelf er best wel lekker uitzagen en schappelijk geprijsd waren, bleven we daar dan ook maar iets eten. Alleen hun idee van ‘bière gourmand’ is ietwat vreemd, toch?

We namen de metro terug naar de Jardin des Plantes, de laatste halte van de Batobus, gewoon omdat we het zo leuk vinden om op die boot te zitten. We hadden evengoed rechtstreeks de metro kunnen nemen naar ons doel, maar da’s maar de helft van de lol, toch?

Tijd voor het grote werk: we stapten uit ter hoogte  van Le Petit Palais, wandelden via de afgrijselijke tulpen van Koontz naar de Champs Elysées, en merkten dat het verschrikkelijk heet was. We gingen voor een ijsje – toevallig bij blijkbaar het beste ijs van Frankrijk, en die mens heeft eigenlijk niet overdreven, het was echt ongeveer het beste dat we ooit gegeten hadden – en probeerden waterfonteintjes op te sporen, maar er waren er een aantal buiten gebruik. Meh.

Enfin, we zagen de Arc de Triomphe en het drukke verkeer errond, maar geen zebrapad. Allez! We hebben ons dan toch maar tussen het verkeer door geschoten, om pas achteraf te merken dat er gewoon een voetgangerstunnel was. Kiekens dat we zijn!

Het plan was om dan te voet tot aan de Seine terug te wandelen en intussen onze waterflessen op te vullen, maar dat liep niet zo vlotjes. Merel werd moe, we hadden allebei dorst, onze voeten deden zeer… We liepen langs bijzonder chique hotels met nog chiquere auto’s, en aan de Seine moesten we nog tot aan de Eiffeltoren voor een boothalte. En ja, op mijn open data kaart van drinkfonteintjes vond ik er eentje, een kleintje, niet ver van de Eiffeltoren. Het plan was om onze flessen te vullen, leeg te drinken en opnieuw te vullen, en er stond ook niemand. Maar tegen dat we gedronken hadden, stond er dertig man, I kid you not!

Het drinken hielp wel wat, ja. We namen de boot, stapten af aan Gare d’Orsay en namen daar dan de metro in één rechte lijn naar Saint-Georges, onze halte. En thuis, daar was er water ad libitum en blijkbaar ook een brie die je gewoon als koekje kan opeten. Moet kunnen, toch?

Voor onze laatste avond gingen we niet ver, in de Rue des Martyrs, voor een pokébowl. Merel kende het niet maar is wel fan, ja.

Tegen negen uur waren we terug en we sliepen allebei bijna onmiddellijk. Parijs, da’s vermoeiend, jong!

Sorrento: dag zes

We konden nu toch niet in Sorrento zijn, vonden we, zonder op zijn minst eens te gaan kijken naar die wereldberoemde Amalfikust, waar zo veel liedjes zijn over geschreven en andere kunstvormen aan zijn gewijd.

Het plan was om zo rond half elf, na een rustig ontbijt, met de auto te vertrekken naar Positano, daar iets te eten, en dan nog wel te zien wat we zouden doen. Misschien die fameuze Bagni della Regina Iovanna?

Wel euh… De dertig kilometer naar Positano duurden anderhalf uur: de baan is echt uitgehakt in de rotsen, volgt de prachtige, prachtige kust, en je kan er dus zelden meer dan 30 rijden. Overal staan spiegels en je wil er vooral geen bus kruisen. Die buschauffeurs, trouwens: respect! Dat is niet gewoon next level driving, dat is zonder meer end game boss fight! Echt gewoon niet normaal wat die mannen kunnen.

We moesten dus wel eerst over de berg heen, en daar maakten we de fout van Waze te volgen in plaats van de wegwijzers: plots bevonden we ons in een dorpje met hellingen waarvan ik nu nog steeds het koud zweet krijg als ik eraan denk! Ik ben full force in eerste naar boven gereden, maar als ik daar een tegenligger had gehad of had moeten stoppen, dan hadden we zwaar in de problemen gezeten. Naar mijn aanvoelen was het daar ongeveer 30% hellingsgraad, ronduit niet normaal. Nog een jaar van mijn leven kwijt, en mijn ’trainingsminuten’ op mijn smartwatch – die volgens mij kijken naar je hartslag – piekten meteen. Serieus maat… Die wegjes hier, dat is buiten categorie.

Maar ook: er is dus vrijwel geen parking, zodat elk mogelijk plaatsje langs de baan volgeparkeerd staat. Eten in Positano was geen optie: we konden er gewoon niet parkeren.

We zijn dan maar verder gereden tot in Amalfi zelf, waar we wonder boven wonder een plaatsje vonden een eindje voor het stadje zelf: wellicht iemand die net was weggereden. Een korte wandeling en vooral een hoop trappen later liepen we in de haven van Amalfi en aten we daar ook iets. Dure boite, maar het uitzicht, de locatie was buitengewoon!

We liepen er nog wat rond, bekeken de kerk aan de buitenkant, aten er een ijsje, en reden toen terug. Ha ja, want verder rijden richting Salerno zou nog veel langer geduurd hebben.

Mijn linkerscheenbeen is trouwens helemaal stijf van het koppelingspedaal: na een jaar elektrisch rijden ben ik dat helemaal niet meer gewoon. Maar wat eigenlijk bijna neerkwam op anderhalf uur rijden, eten en rondlopen en anderhalf uur terug, dat was toch wel de moeite. Die kust, die is inderdaad prachtig, getuige ook de talrijke jachten die je overal ziet liggen. Ik kan me best wel voorstellen dat de George Clooneys van deze aarde naar hier komen op een gehuurd luxejacht…

Tegen een uur of vijf waren we weer thuis: tijd genoeg om eerst wat languit te liggen en de rug te laten rusten, want dat rijden hier is bijzonder inspannend: je moet ogen op je rug, je armen, je oren en zelfs je tenen hebben in dit geschifte Italiaanse verkeer. Maar toen was er wel nog tijd voor een klein uurtje zwemmen met de kinderen: ik was zelfs nog niet in het water geweest hier. Fijn zwembad, overigens.

Tegen zeven uur werden we er uit gejaagd – op een zeer vriendelijke manier overigens: het zwembad ging sluiten, maar ook de onweersdreiging werd weer zeer acuut.

We gingen dan maar nog een spelletje Uno spelen in de lounge, eerst buiten, en toen het begon te gieten, toch maar nog eventjes binnen.

Bart was, toen we aangekomen waren na onze rit, meteen nog naar beneden gelopen langs de trappen, naar de stad zelf, om er van die fantastische broodjes Caprese te halen in de delicatessenwinkel van de eerste dag. En terwijl het buiten aan het gieten was, hielden wij binnen een klein buffetje met de overschot van de pizza van gisteren en die broodjes. Dik in orde.

De kinderen hebben daarna op hun kamer nog een film gekeken, ik heb wat gelezen en ben eigenlijk vroeg in slaap gevallen. Hoe zou dat zo komen, hmm?

Sorrento: dag vijf

Merel liep echt moe, merkten we, en Kobe eigenlijk ook. Enfin, wij allemaal een beetje. Een rustdag was dus ideaal, maar we hebben maar drie dagen meer en we willen – ik toch – nog zoveel doen…

Het was de bedoeling dat de voormiddag gewoon rustig chillen was, maar dat was buiten de Italiaanse websites gerekend… Twee uur, twéé uur ben ik bezig geweest om tickets voor de Vesuvius te proberen bestellen. Er is geen kassa meer op de berg zelf, je moet dat dus op voorhand online boeken, samen met een parkingticket. Alleen… De site van de Vesuvius werkt met een ticketingsysteem dat voor buitenlandse banken geen QRcode toelaat, maar een bakske vraagt. Als in: een kaartlezer. Sorry, maar dàt hebben we nu echt niet meegebracht. Tsja… Ik heb het geprobeerd op de kamer, Wolf via zijn gsm, de balie heeft het op mijn computer geprobeerd, tweemaal, we hebben een soortement van Safepay geïnstalleerd – dat duurde eeuwen – om dan te lezen dat goedkeuring een werkdag of drie duurt, een medewerkster van het lokale reisbureau heeft het geprobeerd via haar computer, ik nog eens op mijn gsm… Niet dus. Noppes, nada, niente. Ik  was om uit mijn vel te springen, ik wilde al gewoonweg naar huis, na dat gedoe gisteren in Napels en nu dit.

Maar toen belde Wolf naar Arwen, en die betaalde ginder vanuit België probleemloos met QR-code. Ik was eigenlijk op hetzelfde moment hetzelfde aan het doen met Delphine, mijn schoonzusje, dus nog een chance dat we ze nu geen twee keer besteld hebben! De parking, dat ging dan weer in onder een minuut, mét QR-code. Zucht…

Maar bon, vrijdag gaan we de Vesuvius op dus. Als dat maar goed gaat…

Rond half een gingen we hier dan aan het zwembad iets eten – duur voor toch iets mindere kwaliteit, maar niet hoeven te verplaatsen telt ook voor veel.

Iets over twee zaten Bart, Wolf en ik dan in de auto voor een vlotte rit richting Pompeii. We parkeerden bij een restauranteigenaar die daar vlotjes 10 euro voor vroeg en gingen binnen: 16 euro voor Bart en mij, 2 euro voor Wolf. Wow, voor de prijs hoef je het dus niet te laten.

En toen voelde ik me als een kind in een snoepwinkel. Ik had Bart moeten beloven dat we het op ongeveer anderhalf uur gingen houden, maar dat is niet helemaal gelukt omdat we echt nog helemaal terug moesten. Kwart voor drie waren we binnen, tien over vijf waren we buiten. Tsja… Maar de omstandigheden waren er ook wel naar: door de onweersdreiging was er niet zo veel volk, en halverwege zijn we ook goed nat geregend. Een malse onweersbui, geen stortbui, en ook niet zo lang: we waren nat, maar niet doorweekt, en het deed eigenlijk ongelofelijk goed en verfrissend. De zon was dan ook wat weg en de temperatuur was meer dan draaglijk.

 

Langer mocht het voor mijn lijf ook niet meer zijn, maar ik heb genoten. Intens genoten. Minder aangenaam was de rit naar huis terug: megafile in de tunnels, we zijn meer dan een half uur kwijtgespeeld. Tsja.

En toen besloten we, ondanks de onweersdreiging – alweer – om toch ergens in ’t stad iets te gaan eten, maar dan wel met de auto. Wat verderop dan ons gewoonlijke toertje had ik een restaurantje gevonden met een zeer goeie score. Toen ik dan ook, in de lichte regen, een parkeerplaats vond daar niet al te ver van – parkeren is hier in Italië echt een hel – leek me dat ideaal. En toen gingen de hemelsluizen pas echt open en begon het gargantuesk te gieten. Maar echt… Toen het ietsje minderde, sprong Wolf uit de auto om te gaan kijken of er nog plaats was. Alleen… bleek hij in het verkeerde te staan, nadat hij nog een paar keer geschuild had.

Bart had geen geduld meer en sprong ook uit de auto, net toen het zowat op zijn hardst aan het regenen was. Hij was dan ook nat tot op zijn onderbroek. Hij liep wel tot aan het juiste restaurant dat volzet bleek te zijn, en we zijn dan maar gaan eten in dat wat Wolf voorstelde, en dat was zeker ook niet slecht. Kobe en Merel zijn gevolgd toen het begon te minderen, ik heb gewacht tot het nog een doodgewone regen was en ik niet zo nat werd. Lopen zit er namelijk niet in voor mij, dus ja.

Maar het eten was wel meer dan oké, al was de setting misschien ietwat vreemd.

Enfin, tegen negen uur waren we thuis, wrong Bart zijn kleren uit en nam een hete douche – na verloop van tijd was hij kou beginnen krijgen – en dat was dat. Elke dag een avontuur, toch?

Sorrento: dag vier

Eigenlijk waren we vandaag van plan om de Vesuvius op te gaan, maar wegens onweersdreiging werd ons dat afgeraden. Dat onweer is er inderdaad gekomen, maar pas om zes uur ’s avonds. Tsja…

Om tien uur zaten we daardoor in de auto richting Napels, en meer bepaald het Museo Nazionale Archeologico van Napels, een ronduit schitterend museum… dat dicht is op dinsdag. Juist ja. Ik kon mezelf wel slaan…

We zijn dan twee kilometer verder gewandeld, met ondertussen een lunchbreak, richtin de Castel Nuovo, een naar ’t schijnt prachtig kasteel… dat volzet was. Er mogen in dat gigantische kasteel maar 60 mensen tegelijk binnen door de coronamaatregelen die verder nergens meer gelden, zodat alles op was.

En de zeer vriendelijke jongeman die zich daarvoor verontschuldigde, wist ons te zeggen dat ook het Castel del’Ovo volzet was, net als de meest gekende Napels Ondergronds. We zijn dan maar per taxi naar een andere Napels Ondergronds gegaan, waar je in de koelte effectief nog een ganse hoop Romeinse overblijfselen kan zien onder de stad.

Toen zaten we middenin de toeristische buurt en zijn we nog een cache gaan zoeken in een straatje waar je het jaar door de meest waanzinnige kerststalletjes kan kopen. Van daaruit zijn we opnieuw naar de parkeergarage gegaan en dan maar naar huis gereden. Ha ja, want de prachtige Villa Poppea in Oplonti… is dicht op dinsdag.

Die parkeergarage, dat had nog wat voeten in de aarde op zich. Ik denk dat ik er een jaar van mijn leven ben kwijtgespeeld, mijn smartwatch geeft in elk geval een bijzonder goeie workout aan. Ik ben namelijk niet gewoon dat die Fiat zo’n ruime draaicirkel heeft en was dus eigenlijk niet ruim genoeg ingereden in het bijzonder smalle doorgangetje. Ik zat dus op een goeie vijf centimeter van de zijmuur en ging er niet geraken. Alleen… stond ik al behoorlijk op de helling naar beneden en merkte ik dat ik de handrem maar kon lossen door, jawel, op de rem te duwen, waardoor de truc met de handrem niet werkte. Ik probeerde dus achteruit te rijden maar bolde gewoon vooruit, tot op een centimeter van de muur, met bijzonder slechte vooruitzichten. Paniek, echt waar, dikke paniek.

Gelukkig zag een van de geranten van de garage dat, en toen ik hem zei dat ik het gewoon niet kon wegens ook die auto absoluut niet gewoon, gebaarde hij dat ik de auto moest uitzetten. Hij nam het stuur over en reed zonder een centje pijn de auto netjes achteruit en daarna binnen. Ugh. Een jaar van mijn leven, echt waar. Nochtans kan ik meer dan mijn mannetje staan in het hectische Italiaanse verkeer, geloof me. Ik zit er eigenlijk niet mee om in Napels en de rest rond te rijden, maar je hebt wel zeven ogen tegelijk nodig met al die brommertjes langs alle kanten, en zelfs verkeerslichten zijn puur indicatief voor sommigen. Serieus!

Enfin, tegen kwart voor vijf tuften we opnieuw Sorrento binnen en stelde ik voor om eerst een ijsje te halen en dan langs de supermarkt te passeren. We hebben allemaal deze middag deftig warm gegeten, Merel is moe, en elke keer moeten we toch een dikke 20 minuten bergaf en in het terugkeren bergop om te gaan eten in het superdrukke Sorrento. We zijn dan maar sandwichen en beleg gaan halen, en dat bleek een bijzonder goeie zet, want…

We waren eigenlijk nog aan het parkeren toen het begon te druppelen. En daarna… gieten. Maar echt gieten! Meer dan een uur aan een stuk heeft het immens hard geonweerd en gegoten, ons terras stond onder twee centimeter water, je zag zelfs de Vesuvius niet meer.

En daarna? Een pracht van een regenboog…

 

Sorrento: dag drie

Maandag en dus een iets vroeger ontbijt. We hadden dan ook meer plannen: Bart en ik gingen te voet, aan bijna de andere kant van Sorrento centrum, de huurauto ophalen. Een duur geval, maar dat heb ik er keihard voor over. Het is een Fiat 500 X geworden, quasi nieuw, en eigenlijk een wreed wijs ding om mee te rijden. Best wel groot ook, vind ik, en het bolt prima. Oh, en Sorrento in de ochtend is quasi verlaten…

Tegen twaalven zaten we samen in de auto richting Ercolano ofte Herculaneum. Aan een kant vond ik dat bijna indrukwekkender dan Pompei, gewoon omdat je veel beter kan zien hoe enorm dik die aslaag moet geweest zijn. We reden naar de ingang van de scavi en vonden er een klein restaurantje waar we gewoon gratis op de parking mochten staan en eigenlijk bijzonder lekkere en volledig handgemaakte pizza’s hebben gegeten. Het zag er wat sjofel uit maar was echt meer dan dik in orde.

En toen was het vooral bloedheet in Herculaneum. Maar echt: het was een graad of 35, maar het is vooral een vochtige warmte waardoor het zweet me continu in straaltjes afloopt. Ik heb zelfs een handdoekje bij om mijn gezicht te deppen. Het is er natuurlijk ook ronduit prachtig en indrukwekkend en mooi en… bloedheet. Uiteindelijk liepen we van schaduwplek naar schaduwplek en liep ik keihard te manken, zodat we het bezoek minder lang hebben gehouden dan dat ik in de lente zou gedaan hebben, gezond van lijf en leden.

Maar iedereen was wel blij dat we het gedaan hebben, al hoeft Pompei zelf niet meer voor Bart, Kobe en Merel. Wolf gaat wel nog meegaan met mij, zegt hij. Oef.

Thuis ben ik op bed gaan liggen en prompt in slaap gevallen, terwijl ik eigenlijk aan de kinderen had beloofd mee te gaan zwemmen, maar dat zal dus voor een andere keer zijn. Ach ja, ze kunnen dat ook echt wel zonder mij. En terwijl ik me dan douchte, gingen zij met Bart een spelletje Uno spelen in de lounge boven.

Tegen acht uur wandelden we, welja, naar beneden naar Sorrento stad om er opnieuw een plekje te vinden in hetzelfde restaurantje als gisteren. Het moest er maar zo goed niet zijn.

Een ijsje zat er deze keer niet in: we waren wat later en de rijen aan de twee grote, uitstekende gelateria’s waren immens.

Maar het was opnieuw een zeer fijne, zeer hete en zeer vermoeiende dag.

Op naar morgen!

Eén namiddagje Gentse Feesten

Ja, meer hoefde voor ons echt niet. De Gentse Feesten waren gewoon te druk. Te warm. Te veel mensen. Gewoon… te.

Ik had er al geen zin in om ’s avonds te gaan, ook al waren er een paar dingen die ik wel wilde zien. Ik had eigenlijk ook meer naar MiraMiro willen gaan, en naar het Puppetbuskers festival, maar ook daar kon ik me niet voor samenrapen. En daarbij, het was ook wel pokkewarm.

Maar vandaag gingen Merel en ik alsnog de fiets op rond een uur of drie, zodat we mooi op tijd waren voor de voorstelling van vier uur in het Augustijnenklooster. De voorstelling van Compagnia To Mateixa was… poëtisch en mooi, maar had eigenlijk weinig tot geen inhoud. Het deed zeer steampunkig aan met klokpoppen en dergelijke. Het heette misschien wel Cabineta de Curiosidades, het was meer een circus waarbij een oudere pop goocheltrucs deed, een andere pop koorddanste en een reeks klokhoofdjes zowaar de cancan dansten. Veel vaart zat er niet in, maar het was wel mooi om naar te kijken.

We hadden er honger van gekregen en vooral Merel genoot van de gigantische ijscoupe die ze kreeg, kijk maar naar de foto van de dag.

Er liep trouwens een knappe tentoonstelling van quiltkunstwerken – ja, ik kan het niet anders noemen – waar we nog even een kijkje gaan zijn nemen.

Daarna hebben we nog wat rondgelopen, even stilgestaan bij het GEJO straatorkestje – Kobe zit op scoutskamp want anders was hij er ook wel geweest – en bij een knappe poppenspeelster, maar tegen zeven uur was ons beider pijp uit. Ja, Camille speelde om 20.00 uur maar dat zagen we niet meer zitten: te moe, te warm, te druk.

Wij dus terug naar huis gefietst met de nodige buit van de Hema, en dat was dat.

Nee, de Gentse Feesten: heel jammer, maar niet meer voor ons.