Lectuur: ‘Ilium’ en ‘Olympos’ van Simmons en ‘De Avonden’ van Reve

Op algemeen aanraden van mijn geeky vrienden las ik, na ‘Hyperion’ en ‘The Fall of Hyperion” (en de twee mindere vervolgen erop) ook ‘Ilium’ en ‘Olympos’ van Dan Simmons.

Dit is een bizarre mengeling van hard science fiction – compleet met ruimtereizen, zwarte gaten, een ras van machines en quantum teleportation – en een verregaande fascinatie voor het verhaal van Homeros, compleet met de vertelstijl van het Oud-Grieks, alle helden en vrouwen en vooral de goden uit de Griekse mythologie. Doe daar nog een fikse scheut filosofie bij, nihilisme, vermengd met een wereld gebaseerd op The Tempest van Shakespeare, en je krijgt een vreemd meeslepend verhaal van in totaal meer dan 1500 pagina’s.

Net zoals in Hyperion en vervolgen krijg je compleet aparte verhaallijnen die zich na verloop van tijd toch op een of andere manier gaan vermengen en een coherent geheel beginnen vormen.

Mja.

Ik vond Hyperion eerlijk gezegd echt wel stukken beter, hier had ik het soms lastig om verder te lezen. Aan de andere kant was ik geïntrigeerd door hoe het verder zou gaan, en hoe de auteur uiteindelijk alle lijnen ging samenbrengen.

Een aanrader? Als je van scifi houdt, ja hoor. Maar er is beter, vind ik.

Dan ging ik maar naar de compleet andere kant van het spectrum: “De Avonden’ van Gerard Reve. Tot mijn grote schande moest ik toegeven dat ik dit nog steeds niet had gelezen, terwijl het intussen uitgeroepen is tot het beste boek van Nederland. Bart heeft het als jonge gast een zestal keer gelezen, telkens rond de kerstperiode, want dat was toen in literaire middens nogal salonfähig, vermoed ik :-p

Dit boek had me meteen mee. Eigenlijk gebeurt er geen halve zak, het gaat over een cynische, vooral zeer nihilistische jonge gast van 23 die in de jaren na de tweede wereldoorlog een manier zoekt om zijn dagen, en dan vooral de avonden tussen kerst en nieuwjaar door te brengen, en te ontsnappen aan het gezin dat door zijn ouders wordt gevormd.

Eigenlijk is dit vooral een deprimerend boek, en toch… Het heeft iets, het heeft meer dan iets. Ik kan me voorstellen dat jonge gasten dit nu niet meer zo kunnen smaken, maar ik vind het jammer dat ik het nooit eerder gelezen heb.

Cunctus

Ik geef nu al 24 jaar les, en al 24 jaar lang stel ik vast dat er één woordje is van alle Latijnse woordjes die mijn leerlingen van buiten moeten blokken, dat niet blijft hangen.

Niet.

Ik waarschuw er hen zelfs voor, van in het eerste jaar: dit woordje zal niet blijven hangen. “Ah mevrouw, maar nu ge dat gezegd hebt, blijft dat toch wel hangen?” Niet dus. Ook niet als ze zeggen: “Challenge accepted”.

Vandaag in mijn zesdes was het weer van dat:
– “Cunctus, cuncta cunctum, iemand?”
– “Ooh mevrouw, da’s dat woord dat niet blijft hangen!”
– “Juist. En wat betekent het?”
– …

Is er iemand die mij daar een rationele verklaring voor heeft?

Poppies…

Ze bloeien niet nu, dat is voor het mooie lenteweer, wat het gevoel nog schrijnender maakt.

Maar gisteren was het 100 jaar geleden dat eindelijk de wapens zwegen. Toch voor even, en na vier intense jaren. Mijn grootmoeder wist zich de angst nog te herinneren, ze was toen amper vijf jaar oud. Nooit meer oorlog, zeiden we toen. Helaas…

Het moment om even stil te staan, opnieuw, bij John McCrae…

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved and were loved, and now we lie
In Flanders fields.

Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

– John McCrae

Acht jaar…

Lieve lieve Merel van me

wat ben je op een jaar tijd toch veel veranderd! Vorig jaar schreef ik je nog dat je zo onzeker was, en dat ik dat niet snapte…

Intussen ben je lang zo onzeker niet meer, al heb je nog je momenten. Maar meestal ben je ongelofelijk rad van tong en gevat, met een stevige dosis sarcasme zelfs. Geen idee waar je dat nu toch vandaan zou kunnen halen, lieverd. Je beseft intussen gelukkig zelf dat je stevig wat in je mars hebt, en dat je nu eenmaal een compleet ander iemand bent dan je broers. Al moet je qua punten echt niet voor hen onderdoen: ik denk dat je rapport zelfs beter is dan dat van hen, liefje.

Je weet vooral heel erg goed wat je wil en wat je niet wil. Als je geen honger hebt, eet je gewoon geen vieruurtje, bijvoorbeeld, en als je een T-shirt met korte mouwen aan wil in de winter, dan doe je gewoon een extra gilet aan. Je hebt ook een heel logisch verstand, heb ik zo de indruk: even verstandig als je broers, maar veel en veel praktischer. “Ha ja”, zei je ooit, toen ik daar eens een opmerking over maakte, “ik ben dan ook een vrouw”. Ik kon je wel platknuffelen, muizie!

Verder ben je nog steeds een echt meisje-meisje, met je strikjes in je haar, je poppen, je toneeltjes, je jufspelen of bibliotheek of kantoor of winkel of… Je bent al zowat alles geweest, en dat is prachtig om zien. Aan de andere kant doe je dapper stoer mee met je broers, en ook dat is fijn om zien: je laat je door die twee echt niet koeioneren, gelukkig maar.

Deze morgen gingen je oogjes open en kroop je meteen, zoals elke ochtend, bij mij in bed. Ik knuffelde je bijna plat, en daarna gingen we samen naar beneden. Ik weet niet hoeveel gilletjes je hebt geslaakt bij het zien van alle versiering en van je cadeau en je kaarsjes en zo, maar ik weet wel dat je een keer of tien bij mij komen knuffelen bent met een dikke “Dankjewel mama, oh dankjewel!”

Ik lakte nog snel je nageltjes, blijkbaar had ik precies de kleur gekozen die ook in je kleedje zat, en je was helemaal in de wolken. Met een groot hart vertrok je naar school, waar blijkbaar al je vriendinnetjes je ook zowat omver geknuffeld hebben, wist je me te vertellen. En de cake viel enorm in de smaak, dat ook.

’s Avonds ging ik pannenkoeken bakken, maar je papa wist je te overhalen om voor frietjes te kiezen, wel wetende dat die pannenkoeken dat alleen maar uitgesteld waren. Daarna moest ik helaas naar school, en kroop jij lekker dicht bij je papa onder een dekentje en keken jullie samen naar een film.

En dan wist je me te vertellen dat je een hele fijne verjaardag had gehad, en je bedankte me oprecht. Weet je, liefje, ik zie jou nog het liefst van al om jouw zonnige, dankbare humeur. Je bent altijd vrolijk, altijd aan het zingen of dansen, en je bent vooral ook dankbaar voor de meest onnozele, kleine dingen. Ik breng een paar nieuwe kousjes mee, en je geeft me een welgemeende dankje, of ik bezorg je een envelopje voor iets, en je schenkt me je stralendste glimlach.

Weet je, muizie… Ik hoop dat je die ingesteldheid de rest van je leven mag behouden: dankbaar zijn om de kleine dingen des levens. Het zal je zó gelukkig maken, liefje…

Gelukkige verjaardag!

 

Kaboutercontact

Yup, vanavond weer oudercontact, en eerst nog een vergadering over de GWP’s van het vijfde, want die worden dit jaar weer opgestart. Tsja…

Maar de term “kaboutercontact” blijft hier toch wel meegaan, da’s intussen blijkbaar een huisklassieker geworden. En het zorgt nog steeds voor gegniffel bij de kinderen.

Ik wou dat het kabouters waren, in plaats van bezorgde ouders. Die zijn iets makkelijker gerust te stellen of de les te lezen over het gedrag van hun kind. Van die boze ouders die komen klagen, daar heb ik eigenlijk nog maar zelden last van gehad: de meeste ouders zijn oprecht bezorgd en vol goede wil. Ik zit natuurlijk op een ASO-school, dat kan ook wel schelen, ja.

Trouwens, wie zegt dat kabouters een goed karakter hebben? Wil ik daar eigenlijk wel contact mee? Misschien toch even aan Rien Poortvliet moeten vragen, in een ander leven.

Een jaar.

Hmm. Een jaar geleden lag ik nu al twee dagen in het ziekenhuis, doodsbang om ook maar een teen te bewegen. Eergisteren, een jaar geleden dus, ben ik met de ambulance op de spoed verzeild en na een paar uur wachten platgespoten.
Waarna dus het gevreesde woord “Spondylolysthesis” viel.

Een jaar. Jawel. Met ups en downs.

De dokter had gezegd dat ik een kantje-boordje geval was: qua verschuiving was het eigenlijk een tweedegraadsgeval, maar aangezien mijn tenen niet tintelden, zaten er dus geen zenuwen echt gekneld, en wilde hij niet opereren. Ik moest minstens zes maanden wachten en zien of ik ermee kon leven. Een operatie zou een behoorlijk risico met zich meebrengen door de lage plaats van de verschuiving, geen garantie op verbetering geven, en een lange revalidatie met zich meebrengen.

Na vier maanden ben ik halftijds aan het werk gegaan, drie maanden later heel voorzichtig dus voltijds. En na een dikke maand kwam de grote vakantie, waarin ik genadeloos opnieuw plat ben gevallen. Intussen ben ik opnieuw voltijds aan het werk, en – hout vasthouden – dat lukt. Ik moet geen domme dingen doen, ik moet vooral doseren en echt niks van gewicht optillen, maar het gaat. Heb ik pijn? Ja. Vrijwel continu, maar ik let er niet altijd op, het is een constante in mijn leven. Ik heb de rug van iemand van 85, en daar moet ik mee leren leven. Er zijn momenten dat ik heel veel kan, en daar dan ook van geniet, zoals die fietstocht van gisteren. Maar er zijn ook momenten waarin ik keihard tegen mijn beperkingen aanloop. Heb ik dan medelijden met mezelf? Goh, wellicht wel een klein beetje – zoals iedereen – maar ik ben vooral realistisch: het is wat het is, het zal nooit meer goedkomen, en het maakt nu een deel uit van wie ik ben. Ik kan nog steeds heel veel – ik ben ook nog maar 46 – en ik maak er het beste van.

Maar soms, soms is dat lastig, ja.

Een jaar, gedekke. Een jaar.

Introvert versus extravert

Wie me niet echt kent en me uitbundig hoor tateren of lachen, denkt meteen dat ik een extravert persoon ben. Ik heb er ook helemaal geen moeite mee om sociale contacten te leggen of tegen een wildvreemde op de bus te beginnen babbelen, maar…

Ik zou mezelf absoluut niet extravert noemen, maar ik kon eigenlijk niet uitleggen waarom. Tot ik een goed jaar geleden een artikel in De Standaard Weekblad las (Mama zkt pauzeknop) van Kelly Deriemaeker.  Dat artikel is heel erg lang blijven nazinderen bij mij. Tsja, we zijn een jaar later, en ik denk er nu nog steeds over na.

Zij gaat daarin in op de definities van extravert versus introvert, en die zijn eigenlijk heel simpel: een extravert is iemand die energie krijgt van sociale contacten, en een introvert is iemand die daar net heel veel energie moet insteken.

Yup.

Ik ben dus helemaal geen extravert, wel integendeel. Ik hou hoegenaamd niet van recepties of feestjes, en als ik kan, zal ik zelfs de leraarskamer mijden. Dat houdt me niet tegen om, als ik er dan eenmaal toch ben, het hoge woord te voeren en me best wel te amuseren. Maar het kost me echt veel moeite om mezelf zo ver te krijgen om ernaartoe te gaan. Neem nu de Gentse Feesten vorig jaar. We hadden eigenlijk met een grote bende larpers afgesproken, al weken op voorhand. Wel, ik heb de avond zelf nog afgezegd: ik zag er gigantisch tegenop om te moeten gaan. Heb ik die mensen dan niet graag? Dat heeft er geen barst mee te maken, er zaten veel mensen tussen die ik echt als vrienden beschouw. Maar laat me gewoon één op één met hen gaan eten, en ik verheug me daar enorm op. Of dat ze gewoon koffie bij mij thuis komen drinken: zalig! Maar in groep? Nee, bedankt!

Na elk intens sociaal contact – of het nu een feestje of een restaurantbezoek is met meerdere mensen, in familieverband of met vrienden – moet ik bekomen. Liefst in absolute stilte, in mijn eigen vertrouwde omgeving. Ik moet dan echt eerst weer even tot rust komen. Neem nu de ongelofelijk fijne Halloweenfeestjes van Bart en Birgit in Antwerpen. Ik weet dat ik, als ik er ben, gewoon zelfs veel te lang ga blijven plakken en dat ik me echt amuseer. En toch wil ik altijd weer afzeggen de dag zelf. En als ik dan toch rond een uur of drie naar huis rijd en dus thuiskom om kwart voor vier, kan ik nog niet meteen in mijn bed. Dan moet ik nog even op mijn computer, of nog wat lezen. Gewoon, time out, of ik doe geen oog dicht.

Bart weet dat gelukkig wel van me, overhaalt me dan om te gaan, en laat me gelukkig thuis ook even bekomen. Hij is het type dat dan meteen in zijn bed kruipt en binnen de tien seconden slaapt, en ik volg hem dan een kwartier later. Vaak lig ik dan nog een tijdje wakker, en dan brengt mijn boek me soelaas.

Datzelfde geldt overigens ook voor de kinderen. Ik zie ze doodgraag en heb ze heel graag in mijn buurt, maar de grote vakantie is telkens weer een ware uitdaging. Want dan heb ik ze twee maanden rond mijn oren en geen momenten voor mezelf, zoals tijdens het schooljaar. Dan zijn er sowieso gaten in mijn lesrooster waar ik gewoon thuis ben. Dan werk ik doorgaans wel voor school, maar in volledige stilte en op mijn eigen voorwaarden. Zonder volk om me heen. In de vakantie valt dat al eens tegen, dat alleen zijn. Daarom geniet ik ook zo van dat, bij voorkeur avondlijk wegens minder volk op straat, geocachen: alleen je ding doen, zonder energievretende conversaties. Ja, er zijn mensen die met plezier mee mogen, maar zo zijn er niet heel veel: mijn vader, Wolf, Véronique en Bart uiteraard. Dat zijn mensen die volledig op mijn golflengte zitten, en die geen energie vragen, wel integendeel. Daarnaast zijn er mensen met wie ik graag eens rondloop, dat zeker, en daar geniet ik dan ook intens van, maar toch vragen ook die weer energie.

Laat je me dus kiezen tussen een avondje thuis, helemaal alleen, met een goed boek of een Britse crimi, in mijn zetel onder een dekentje, of een lawaaierig feestje waar ik niet al te veel mensen ken, en ik twijfel geen moment. Echt waar. Ondanks mijn vlotte babbel. Ik heb er ook geen enkele moeite mee om een week lang geen levende ziel buiten mijn gezin te zien. De eerste week van juli is dat zelfs zeer bewust het geval, en mijn vrienden weten dat. Dan is mijn kop zodanig zotgedraaid door barbecues, voetbalwedstrijden, deliberaties, oudercontacten en proclamaties, dat ik geen volk meer wil zien. En dat heeft niks met u te maken, maar alles met mijn eigen hoofd. Een goeie vriendin noemde me de meest asociale persoon die ze kent, en daarin zou ze wel eens gelijk kunnen hebben.

Dus nee, ik ben niet extravert. Dank u, Kelly, om me eindelijk uit te leggen hoe dat komt.

Bedenkingen bij de vakantie in Rhodos

Er waren zo’n aantal losse bedenkingen en gedachten bij de afgelopen vakantie in Rhodos. Ik verzamel ze hier even.

  • Rhodos is een toeristenmuite. Quasi 100%. Alle mensen die in en rond het hotel werken, werken er zeven dagen op zeven. Het seizoen begint er eind april, en eindigt eind oktober. Ze werken dus zes maanden kei-, maar keihard. De andere zes maanden is er namelijk geen werk en zitten ze gewoon thuis, werkloos te wezen. De werkloosheidsuitkering is 100 euro voor drie maanden, wist een van hen me te vertellen. Marios, de barman boven, was sinds eind april non-stop aan het werk met één keer een halve dag vrijaf omdat hij naar de dokter moest. Poeh… En hetzelfde geldt voor alle hotels, winkeltjes, buschauffeurs, taxichauffeurs, autoverhuurders, wasserijen, boottochten, noem maar op. In de winter is Rhodos gewoon doods, behalve dan misschien de stad zelf. En dan nog.
  • De muziek in het hotel was op zijn minst vreemd te noemen. Enkel in de buitenbar in de namiddag kon je er gewone muziek horen, als in: niet al te recente popmuziek. Voor de rest was er continu overal een soort loungemuziek, de meest vreemde versies van bekende nummers. Poker Face van Lady Gaga in een zeemzoete versie, of – godbetert! – een salsaversie van In between Days van The Cure. Of wat dacht u van een zalvend gezongen versie van Cocaine van Clapton, of een countryversie, stijl de themesong van Firefly, van Killing in the Name of van Rage against the Machine.
  • Grieken rijden op zijn Grieks: ze snijden bochten af, rijden door het rood, steken op de meest onmogelijke plaatsen voorbij, dragen geen motorhelm of autogordel, en zitten het liefst de hele tijd te bellen. Maar vreemd genoeg houden ze zich wel zowat de hele tijd aan de snelheidslimiet. Snappe wie snappen kan.
  • De kamer werd twee keer per dag schoongemaakt. Allez ja, één keer werd er echt volledig schoongemaakt, gedweild, stof afgedaan, tot en met de randen van de schutting rond het zwembad afgewreven. Uiteraard werden ook de bedden opgemaakt en de handdoeken ververst, indien nodig. Maar tijdens het avondeten kwamen ze nog even rond: de bedden nog eens piekfijn leggen, de gordijnen sluiten, de handdoeken nog eens verversen, dat soort dingen. Oh, en een nouga op elk kussen leggen :-p
  • De volgende keer dat we naar Griekenland gaan, moet ik echt mijn Grieks opfrissen. Ik versta het een beetje, en kan nog een paar woorden spreken. Blijkbaar heb ik wel de max van een accent: er is me verschillende keren gevraagd of ik soms van het noorden was, van Thessaloniki of zo. En dat ik toch echt niet van België kon zijn. En steeds opnieuw kwam de vraag waarom ik in hemelsnaam Grieks geleerd had. Het zorgde ook wel voor heel veel goodwill bij de mensen, gewoon het feit dat ik de moeite had gedaan om wat Grieks te kunnen. Tsja…
  • In Rhodos Stad lopen mensen gewoon in bikini op straat. UIteraard niet in alle straten en overal, maar wel aan de randen, want rondomrond liggen er stranden, compleet met parasolletjes en alles. Grappig, zo van een busstation, een politiekantoor of om het even wat het strand op.
  • Katten. De katten van Rhodos zijn blijkbaar een begrip, want je vindt ze op postkaarten en andere prullaria. We hebben inderdaad massa’s katten gezien, en nauwelijks honden.
  • Een diep respect voor de Maître d’ hôtel. Die mens stond er elke morgen, elke middag én elke avond aan de ingang van het grote buffetrestaurant, en begroette elke familie heel erg hartelijk. Hij onthield ook details van elke familie, en wist van ons bijvoorbeeld dat hij ons mocht aanspreken in het Grieks, dat we ’s middags binnen wilden zitten en ’s avonds buiten. De laatste middag sprak ik er hem over aan, en zei dat ik een diep respect had voor zijn inzet en zijn enthousiasme, dag na dag, zonder ophouden. Hij apprecieerde het compliment blijkbaar heel erg, en vertelde dat hij er stond van zeven uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds, en dat hij dat deed op twee pakjes sigaretten en massa’s koffie per dag, en chocolade. En vooral géén alcohol, want anders zou hij het niet uithouden. Dat kan ik me ook bijzonder goed voorstellen.
  • Airconditioning is niet noodzakelijk lawaaierig. In onze kamer kon ze soms wel volop blazen, maar ’s nachts sloeg die gewoon af en toe even aan, en dat hoorde ik enkel aan het klikken van de transfo’s, en merkte ik natuurlijk aan de zachte stroom koude lucht. Verder hoorde je er niets van, en dat was gewoon zalig!
  • Ik heb ginder ganse dagen in een bermuda rondgelopen, iets waar ik thuis niet mee durf buitenkomen. Maar dacht u dat mijn benen ook maar ietsje minder spierwit zijn geworden? Nee hoor! Mijn armen en décolleté gelukkig wel, maar die benen van mij? Nope.
  • Ik ben, met al dat fretten, amper anderhalve kilo bijgekomen. Best wel trots op mezelf, al weet ik nog altijd niet hoe dat kan. Mja. Go me, zeker?
  • Bougainvillea’s. Serieus. Kunnen die nog harder bloeien, of wa? De kleuren zijn prachtig en ik ben er stikjaloers van. En je vindt ze op alle mogelijke plaatsen in Rhodos, zelfs half in het wild. Prachtig!
  • De koffie is er niet te drinken. Om een of andere reden zijn ze er zot van oploskoffie, en dat smaak je. Ik heb er eigenlijk geen enkele goeie koffie gedronken, en de eerste koffie hier thuis smaakte ongelofelijk!
  • Wanneer je op een terras een cola of limonade of zo bestelt, krijg je een halve liter. Keer op keer, tot onze grote verbazing, en eigenlijk niet ten onrechte, want dat dronken we telkens probleemloos op. En voor een best wel faire prijs, zelfs op toeristische plekken.
  • Light en zero kennen ze er niet of nauwelijks. Het enige wat in het hotel te krijgen was, was Pepsi Max. Fanta Light was pas die week geïntroduceerd in Rhodos, wist de barvrouw te vertellen, en van andere light/zero dranken, zoals Ice Tea of Sprite of Agrum en dergelijke hadden ze zelfs nog nooit gehoord.
  • Als je geld afhaalt in een gewone bankautomaat, rekenen ze verdorie drie euro kosten aan. Allez zeg!

Er zullen nog wel een paar dingen zijn waarover ik zitten denken heb, maar bon. Rhodos out.

Proclamatie, die van Kobe, welteverstaan.

Die laatste schooldagen, die zitten altijd propvol gestampt. Het is dan ook altijd een geplan en geregel, kwestie van zelf overal op tijd te zijn, de kinderen intussen ook van eten te voorzien, en zorgen dat het allemaal op rolletjes loopt.

Vandaag moest ik op school zijn van 8.30 uur tot 12.00 uur, officieel. Ik heb rapporten uitgedeeld, examens laten inkijken, en dingen op orde gestoken.
En toen was er repetitie met de zesdes die spelen op de proclamatie, en was het dik twee uur tegen dat ik thuis was.
Ik geef het toe, ik heb een klein tukje gedaan. Tegen half vier waren de kinderen thuis, en tegen half vijf was ik weer op school, voor het oudercontact. Met de fiets, welbewust, want om kwart voor zeven – eigenlijk liep het tot half acht, maar ik had toestemming gekregen van de directie – ben ik te vierklauwens op mijn fiets gesprongen en naar Wondelgem gepeddeld, want om zeven uur begon Kobes proclamatie. Ik was net op tijd ^^

Hij speelde fagot, danste mee de Fortnight dansjes, en glunderde. Het is welletjes geweest voor hem, hij heeft het daar al meer dan een jaar gezien, maar hield dapper vol. Het is niet alsof hij niks wil leren, wel integendeel, maar het gaat hem allemaal veel te traag. Daarbij was hij nog maar eens al zijn vriendjes kwijtgespeeld doordat die allemaal in een andere klas zaten, jammer genoeg. Pas op, hij komt met iedereen overeen hoor, dat wel, maar da’s nog iets anders dan echte vriendschap.

Hij kijkt er dus ongelofelijk naar uit om aan een nieuw hoofdstuk te beginnen. Nieuwe vakken, nieuwe leraars, nieuwe school, nieuwe vrienden. Nieuwe teleurstellingen wellicht ook, maar bon, die nemen we er dan gewoon bij en lossen we wel op naargelang ze zich aandienen.

Mijn Kobe. Mijn speciaalste van de drie, maar ik zie hem ongelofelijk graag!

Zesdekes

Wanneer ik in ’t stad een oudleerling tegenkom, die me vol enthousiasme en met een glinstering in zijn of haar ogen vertelt wat hij/zij nu aan het doen is, dan ben ik telkens weer trots dat ik elk jaar opnieuw zoveel jonge mensen mag zien uitgroeien tot prachtige volwassenen.
Maar ik moet het toegeven: de lichting van dit jaar ga ik toch nog extra missen. Ik vind het doodjammer dat ik ze vier maanden heb moeten afgeven aan een interimaris, want de band met deze groep was toch wel iets aparts.
Mijn zesdekes. Ze gaan toch altijd een beetje van mij blijven.