Donkerte

Lieverds

als het ooit té donker wordt, als het licht voor jou precies niet meer wil schijnen, als je zelf het eind van de tunnel niet meer ziet, kom dan bij me, bel me, spreek met me, hou me vast, laat me je knuffelen, en laat me vooral jouw kaarsje zijn.

Of laat me tenminste toe bij jou te komen, jou aan te spreken, naar je te luisteren, en wimpel me niet af.

Want er is altijd wel ergens nog een sprankeltje hoop, ook al kan jij het zelf niet meer vinden.

En anders is er ook altijd nog het nummer 1813 of https://www.zelfmoord1813.be/

Er is altijd een luisterend oor. Echt.

De kracht van parfum

Heel lang heb ik maar één parfum gehad, namelijk ‘Trésor’ van Lancôme. Ik ben namelijk heel gevoelig voor geuren en word enorm snel misselijk van het verkeerde parfum. Ik was blijkbaar ook heel herkenbaar door dat parfum. Zo zei een leerlinge me ooit: “Ha mevrouw, ik wist dat u achter mij stond, ik had uw parfum geroken”.

Twee jaar geleden heeft mijn schoonzusje het aangedurfd me een parfum te geven voor nieuwjaar, en het was een schot in de roos: ‘My name’ van Trussardi.

En toen heb ik het aangedurfd er ook zelf eentje te kopen: ‘Sí’ van Armani.

Drie parfums. Voor mij een weelde aan geuren. En ik weet niet hoe het bij u is, of u willekeurig een geurtje kiest ’s morgens, maar voor mij is dat weloverwogen. Heb ik een dag waarbij ik echt braaf moet zijn (mondelinge examens, een receptie, een familiefeest …) dan ga ik nog steeds voor mijn Trésor. Dan voel ik me kalm en bijzonder professioneel.

Mag het al wat assertiever, maar niet té, dan spuit ik  die Trussardi op. De gemiddelde schooldag, niks speciaals.

En moet ik echt stevig in mijn schoenen staan, emotioneel sterk (een oudercontact, een feestje, een groepsontmoeting) dan kies ik automatisch de Armani.

Een verkeerde geur op ’s morgens kan mijn hele dag beïnvloeden.

En u? Maakt dat voor u wat uit? Kiest u ook bewust, of gewoon iets wat u lekker vindt?

Laatste lessen

Laatste lessen van een schooljaar, dat blijft toch altijd iets speciaals. Er is natuurlijk de vragenronde en het afwerken van de leerstof, maar ook het afscheid van de leerlingen.

Sommigen stoppen met Latijn, anderen gaan naar een collega volgend jaar, de vijfdes schuiven gewoon door naar het zesde, maar mijn zesdes… Tsja, die ben ik kwijt. En hoe onnozel het ook moge zijn, ik mis hen elk jaar opnieuw. Ik heb ze twee jaar (drie jaar, vroeger) na elkaar in de klas gehad, en ze zijn zo een beetje van mij, mijn Latijnses. Ik heb hen ook altijd zo hard zien evolueren, volwassen zien worden, zien uitgroeien van onzekere pubers tot (bij momenten) zelfzekere, maar vooral zelfbewuste jongvolwassenen. Oh, soms zijn nog zo’n piepkuikens, soms kunnen ze zo volwassen uit de hoek komen, maar bovenal zijn het de mijne. En ik zie hen graag, telkens weer. Ik denk dat ik anders deze job niet zou kunnen blijven doen, moest dat niet het geval zijn.

Ik geef namelijk niet alleen Latijn aan hen, ik probeer hen ook zo veel andere idiote dingen bij te brengen. En vooral dat het allemaal goed komt. Hoe onzeker ze ook mogen zijn, hoe somber het er soms uit ziet, het komt goed. Echt waar. Ik ben daar het levende voorbeeld van. En zij, zij leren me ook telkens weer een beter mens te zijn.

En dus bakte ik deze morgen om acht uur een taart. Want ja, maandag taartdag, ook in deze klas. Ik geef toe, toen ik hen vorig jaar in het vijfde binnen kreeg, waren ze wat awkward, vooral heel stil, en moest ik er soms aan trekken en sleuren om hen tot leven te krijgen. Nu zijn ze nog steeds braaf en rustig, maar er zit echt wel leven in. Heerlijk verbaal weerwerk bij momenten, diep gezucht bij andere, maar altijd wel antwoorden en opmerkingen. Zoals ik het graag heb.

Ik ga ze missen, mijn zesdekes. En dus bakte ik taart, zoals zij dat het hele schooljaar hebben gedaan.

Het ga jullie goed, lieverds!

Droom…

Soms droom ik ervan een gedeeltelijk gehandicaptenstatuut te krijgen.

Niet dat ik ook maar één euro uitkering wil of een parkeerkaart, nee, ik zou gewoon willen dat mensen mijn rugprobleem au sérieux nemen. Dat mijn bezwaar om te gaan tellen op de verkiezingen – ik kàn niet al die uren zitten – aanvaard wordt. Dat ik niet aan het zeveren ben als ik op de parking van het grootwarenhuis vraag aan iemand om alsjeblief mijn tas in de auto te zetten. Dat ik helaas niet meer mee kan naar een concert of zelfs maar een receptie als ik niet af en toe kan zitten.
Omdat het knauwt aan mijn ego van energieke vrouw dat ik dat niet meer kan, al die dingen. Omdat elke medisch geschoolde die mijn röntgenfoto’s ziet, grote ogen trekt en niet begrijpt dat ik een full time job heb en een huishouden en hobby’s.

Gewoon, dat ik aan mensen kan bewijzen dat het geen plantrekkerij is, dat achter die façade, goed humeur en grote bek wel degelijk bij momenten een hoop pijn schuilt.

En dan dank ik mijn gezin dat zij zelfs geen woord nodig hebben, dat ze aan mijn gezicht voldoende zien dat het niet gaat, dat de kinderen spontaan de volle wasmand naar beneden brengen, en komen aanlopen om de auto uit te legen als ik boodschappen heb gedaan. En dat ze mijn hoekje in de zetel waar ik languit lig, niet als een verworven recht beschouwen maar als een noodzaak.
En dank ik mijn directie omdat die me goed genoeg kennen en er rekening mee houden. En omdat ze weten als ik zeg dat ik iets niet kan, dat dat ook gewoon zo is.

En dus droom ik van zo’n gehandicaptenstatuut, gewoon omdat ik aan mensen zou kunnen bewijzen dat het echt is.

Vooroordelen

Eigenlijk zijn vooroordelen toch een gemeen beest…

Daarstraks reed ik weg van de Delhaize toen ik plots dacht dat ik nog bloemen wilde van de bloemenwinkel die op hetzelfde terrein ligt. Ik sla, nog op het parkeerterrein, rechtsaf, kijk dus opnieuw uit naar een parkeerplaats en rijd vrij traag. Op het moment dat ik links een plekje zie, pink ik naar links en wil inslaan. Op dat moment vlamt een witte sportieve auto me links voorbij, waarbij ik me zowat een ongeluk verschiet én bijna een ongeluk veroorzaak. Geschrokken hamer ik op mijn toeter.

De witte auto stopt een paar meter verder en een jonge gast mét petje stapt uit. “Lap” dacht ik, “dit wordt een geval van verkeersagressie” en ik zet me mentaal al schrap.
Maar nee, de jongeman komt op me toe en verontschuldigt zich uitgebreid. Hij had me naar rechts zien pinken – die pinker moet nog even aangestaan hebben – en dacht dat hij probleemloos links voorbij kon. Het pinken naar links had hij effectief niet gezien. Ik heb me verontschuldigd voor het getoeter en zeg dat ik gewoon gigantisch geschrokken was.

Hij geeft me nog net geen knuffel, lacht breeduit, verontschuldigt zich nogmaals en stapt opnieuw in.

En ik ben een illusie over mezelf armer: blijkbaar ging ik ervan uit dat een jonge gast met sportauto en petje net iets agressiever ging zijn. Tsja…

Met een beschaamd gevoel reed ik naar huis.

Drie jaar…

Zeg ma,

het is vandaag precies drie jaar dat ik de laatste keer salu heb kunnen zeggen tegen u. Drie jaar… En ik mis u bij momenten nog altijd even hard.

Ik heb het gevoel dat dat in de lente het ergst is: gij hadt daar zo’n deugd van, van die beginnende zon en die beginnende natuur. En ik, ik kan geen bloeiend muguetje zien, of de magnolia’s of de rododendrons zonder aan u te denken en u te willen bellen. Het doet nog altijd pijn, ma.

Meestal maakt het me nostalgisch, en denk ik met zo veel deugd terug aan ons beidjes. Aan alle domme stoten die we samen gedaan hebben, aan al onze gesprekken, al dan niet diepzinnig…

En de kinderen missen u ook, ma. Ze zeggen dat dikwijls: dat oma daar zo of zo zou op reageren, of dat of dat zou zeggen. En dan staan we met zijn allen met onze voeten in de Warche en staan we allemaal te grijnzen omdat gij daar zo godsoneindig veel leute hebt gehad dat ge tewege in uw broek hebt gedaan van ’t lachen. En dan doen we de wandeling die we samen met u deden, en dan genieten we daarvan.

Och ma, er is zo veel veranderd in die drie jaar, en tegelijk zo weinig. De kinderen worden groot, ik sta erbij en ik kijk ernaar, en ik kan ze alleen maar graag zien, net als gij. En ik ben nog steeds gelukkig met mijn leven, mijn Bart, mijn job, mijn kinderen, mijn vrienden… Alleen mis ik het om tegen u te kunnen zagen over dat lijf van mij, en ambeteer ik daar nu andere mensen mee. En ik mis het zelfs dat gij zaagt tegen mij over dat lijf van mij, en dat ik beter ne keer wat zou vermageren, dat dat algelijk een pak zou schelen voor mijn rug. En dan zou ik met mijn ogen rollen en zuchten en zeggen dat ge u niet te moeien hebt.
Terwijl, ma, ik eigenlijk niets liever zou hebben dan dat ge u nog zoudt kunnen moeien.

Zaterdag trouwt Roeland, ma, en ik ga daar staan in uw plaats. Dat is zo niet eerlijk: gij hadt daar moeten staan blinken en genieten en uitleggen en peten tekenen. Ge kondt dat zo goed. En nu ga ik dat moeten doen, en iedereen gaat zeggen dat ik zo ongelofelijk op u trek, dat ik just mijn moeder ben.

Ik mis u, ma. Al drie jaar. En wellicht gewoon de rest van mijn leven.

Kus.

Een dag van Parmenides, Zeno, heet water en geen stem

Yup, de naweeën van een weekendje larpen, die moet je erbij nemen natuurlijk.

Het is duidelijk een ‘need more coffee’ dag als je pas merkt dat je een kop heet water vast hebt in plaats van koffie wanneer je drinkt. Ugh.

En ook: waar is mijn stem naar toe? Gisteren deed die nog niet moeilijk na de esbattementen van zaterdagnacht? Maar vandaag is die de grote verdwijntruc aan het toepassen…

Nochtans is het een van mijn favoriete lessen van het ganse schooljaar vandaag:  Parmenides, en dan Zeno. Meteen ook de meest gehate les door mijn zesdes, vermoed ik zo. De gemoederen waren alweer verhit, de discussies liepen hoog op, en ik, ik genoot. En dronk koffie, dat ook.

Filosofie: ik geef dat dus echt graag…

Slaap zacht, Christophe…

Vreemd toch hoe emotioneel een mens soms kan reageren op de dood van iemand die je niet eens persoonlijk kende…

Maar jij, Christophe, jij kwam quasi elke dag stilletjes mijn huiskamer binnen zonder op te vallen. Met je warme stem praatte je moeiteloos de platen aan elkaar, en ik betrapte me er regelmatig op dat ik bewondering had voor je manier van presenteren.
Weet je, ergens in de voorbije weken heb ik zelfs op een bepaald moment nog gedacht dat het toch fijn was dat jij al al die jaren de ochtend deed op Studio Brussel: heerlijke vastigheid en vooral kwaliteit.

En dan komt het nieuws dat jij er plots niet meer bent. Tsja… Ik was er even niet goed van, gisterenavond. Maar deze morgen, iets over negen, kwam het zelfs keihard binnen: je was er gewoon niet! In de plaats klonk een boodschap van je geëmotioneerde collega’s en was er enkel muziek. Oh, en de boodschappen van trouwe luisteraars aan jou gericht.

Ja, ik heb ook even ingebeld en iets ingesproken.

Studio Brussel zal nooit meer hetzelfde zijn zonder jou, Christophe. Waar je ook bent: het ga je goed. Je wordt gemist.

Ze wordt zo groot…

Merel, dat is echt al zo’n halve puber bij momenten. Ze wordt natuurlijk wel tien dit jaar, maar toch, in mijn ogen is ze nog altijd mijn kleine meisje.

Alhoewel… ze weet bijvoorbeeld precies wat ze wil aandoen en wat niet, en wat bij elkaar past en wat niet, en wat hip is en wat niet. De verhalen over haar vriendinnen zijn ook al echt zo puberaal: die heeft ruzie met die, daarom en daarom, en dan hebben die het weer bijgelegd maar is er nu ruzie met die, want die heeft dat en dat gezegd… Soms komt ze thuis dat ze gewoonweg niet meer naar school wil, en dat is dan niet omdat ze de school op zich niet leuk vindt, maar omdat er voortdurend ruzie is in de klas en tussen de meisjes… Tsja.

Gelukkig is ze voor de rest wel zeer plichtsbewust en maakt ze meteen haar huiswerk en zo. Al moet ook dat natuurlijk wel in stijl gebeuren.

Elanor revisited

Ik heb jarenlang in Elanor gezeten, de Vlaamse Tolkienvereniging. Ik heb er zelfs een aantal vrienden leren kennen die ik echt nog altijd als vrienden beschouw.

Alleen…

Ik moet echt kiezen welke hobbies ik behoud en welke ik, jammer genoeg, laat vallen. En Elanor, dat is vaak een eind rijden, of zoals op FACTS iets dat mijn lijf niet langer aankan. En dus zit ik niet meer in Elanor, ook al krijg ik nog steeds de mails, en weten ze dat ze een beroep op me mogen doen wanneer nodig.

Zoals nu: Hedwig houdt een lezing of zoiets ergens in het Antwerpse, en wilde daarvoor de muziek gebruiken die Johan en ik een jaar of vijftien geleden ooit zongen daarvoor. Maar de datum is dezelfde als die van onze openschooldag, en daarom onmogelijk. Gisteren zijn Johan en ik daarom voor het eerst in een jaar of vijf opnieuw samengekomen om het in te zingen. Het deed deugd en eigenlijk heel erg vertrouwd aan om hem terug te zien. Alsof we elkaar een week of drie geleden nog hadden gesproken. Vreemd, maar als je ooit zo goed bevriend bent geweest…

We hebben dus de elfenliederen samen ingezongen, en ja, dat was eigenlijk best leutig. Zoals vaak denk ik dan: dat zou ik meer moeten doen, maar dan stoot ik weer op fysieke en temporele grenzen. En dan besef ik ook dat ik eigenlijk al ongelofelijk veel doe, en dat mensen zich soms afvragen waar ik de tijd en de energie vandaan haal. En dat ik me misschien toch wel beter een beetje aan mijn beperkingen hou.

Mja.

Sucks.