Nazgûl in de doos

Zo’n kattenjong, dat heeft niet veel nodig om te spelen. Ge geeft dat gewoon een opengevouwen cornflakesdoos, en dat is een paar uur zoet.
En wij eigenlijk ook.

Nieuwe huisgenoot: Nazgûl!

Na de dood van Saruman wilden we eigenlijk vrij snel een nieuw katje, en tot onze grote verbazing sputterde Bart niet eens tegen.

Eerst dachten de jongens om pas tegen het einde van de vakantie eentje te zoeken, na onze reis naar Spanje, maar ik wilde eigenlijk tegen dan al lang dat beestje getraind hebben, zodat het in september, wanneer er niemand meer in huis is overdag, zelfstandig zijn ding kan doen.

Ideaal dus: na de examens. Dan is er nog een maand lang vrijwel continu iemand thuis, en tijdens Spanje hebben we zeer fijne housesitters, dus da’s ook in orde.

Via Ulrike, onze dierenarts die ook in het kattenasiel van  Evergem werkt, kregen we zicht op een allerschattigst zwart katertje, een lief beestje, zei ze. Ideaal voor woensdag, dachten we, want dan zijn de examens achter de rug. Alleen bleek de ideale afhaaldag zaterdag te zijn, zodat ook de kooien per nest leeg waren. Euh, allez dan maar, zeker?

In de late namiddag togen we, gewapend met kattenreismand, naar Evergem. En jawel, een prachtig, klein, rustig mormeltje werd prompt Nazgûl gedoopt – het moest passen bij Gandalf – en mocht mee naar huis. Hij kostte ons wel 170 euro, maar dat is helemaal normaal, want gevaccineerd, ontwormd, gechipt én gecastreerd.

Hij is vooral onwennig en voorlopig bijna onrustwekkend kalm, maar dat zal wellicht nog wel veranderen, vermoeden we. En zelfs Bart is al helemaal gecharmeerd.

 

Saruman…

Kwart voor zeven deze morgen kwam Bart me wakker maken: dat ik naar beneden moest komen. Unk? Oh, en ik moest een peignoir of zo aantrekken. Meteen werd ik ongerust: “Iets met de katten?” Bart knikte, zonder iets te zeggen. Geen muis of zo dus…

Hij nam me mee naar buiten, en jawel, daar lag Saruman op het voetpad, netjes op zijn zij alsof hij lag te slapen. Alleen sliep hij niet. Maar hij was nog warm, hij kon dus nog niet lang dood zijn.

Ik ging een doos halen, en de man-met-hond die was komen aanbellen bij Bart – hij kan niet spreken – deed teken dat hij niet gezien had hoe Saruman was gestorven, maar dat hij hem daar had gevonden. Geen idee of het een auto was, of vergif of zo. Er was niks te zien aan Saruman, geen druppeltje bloed of zo. Zijn oogjes waren dicht…

Voorzichtig ging ik de kinderen wakker maken: de jongens hadden net vandaag hun eerste examen, maar ik wilde hen toch niks wijs maken, en hoe langer ze hadden om van de schok te bekomen, hoe liever. We zijn ook allemaal nogal nuchtere mensen…

Uiteraard waren er tranen. Nogal logisch, na vier jaar maffe kat. We waren er allemaal het hart van in, zelfs Bart.

Ik stuurde wel nog een berichtje naar onze dierenarts: of ze misschien toch eens wilde kijken naar de doodsoorzaak, want als het vergif was…

Bon, iedereen trok naar school en Bart naar zijn werk, maar om half acht reed ik met de intussen koude, stijve Saruman naar Ulrike. Zij was meteen heel duidelijk: hij is overreden. Zijn nageltjes waren allemaal gebroken van zich schrap te zetten, en vooral: zijn achterbillen waren gebroken. Maar best dat hij dood was, zei Ulrike, of het zou een echte lijdensweg geworden zijn. Arm, arm beestje…

Ik kwam thuis, en Kobe had intussen al een kuil gegraven tussen de bloemen. We aaiden hem nog een laatste keer, zeiden vaarwel, en legden hem in zijn grafje. Arwen had zonnebloemzaadjes meegegeven om er te planten. Geen idee of ze zullen groeien, dat plekje heeft niet veel zon, maar het is wel mega lief.

Kleine gekke Saruman, we gaan je missen.