Onkruidbrander

Er zijn zo van die dagen waarop ge gene klop uitvoert. Allez ja, halve klop.

Een was of twee ophangen, terug binnenhalen en opvouwen, de ramen in de living kuisen,  een hoop onkruid wegbranden…

Voor dat laatste heb ik me een tijd geleden zo’n onkruidbrander gekocht, zo’n elektrisch geval. Dat is een machine op een lange stok dat hete lucht tot 600 graden blaast, en waarmee je je onkruid een thermische shock geeft. Dat zou er dan voor moeten zorgen dat het onkruid ook tot in de wortel dood gaat, en niet meer terug komt. In de tuin kan ik het niet gebruiken, uiteraard, of mijn gras is eraan, maar op ons ellenlange voetpad blijft dat maar terugkomen. Toen de tuinmannen langs waren geweest en echt alles hadden weggehaald, stond het twee weken later weer vol. Zucht. De branderkop heeft een doorsnede van zo’n 6 cm, genoeg om op de kern van het onkruid te branden. Het hele grote voordeel eraan is dat je je niet hoeft te bukken, en dat je dus zelfs met een kapotte rug dat onkruid kunt aanpakken.

Trouwens, dat ding is dus ook zalig om een barbecue mee aan te steken. De onze stond heet in ongeveer vijf minuten, zalig toch?

Enfin, ik hou u op de hoogte van de evolutie van het onkruid. Wellicht zal ik het hier en daar wel eens moeten herhalen, maar als ik er moeiteloos – het duurt alleen even, 10 seconden per plantje – ons voetpad onkruidvrij mee kan houden, is het me de bezigheid wel waard.

Dagje Brugge

Wolf zit sinds zondagmiddag opnieuw in het Zeepreventorium, maar aangezien het vandaag een feestdag was, mochten we op bezoekdag, en hem zelfs meenemen van 10 tot 19.00 uur. Althans, dat was de theorie. Omdat hij serieus last heeft van een hoest en slijm op zijn longen – ze zijn het aan het onderzoeken – moest hij al om half vijf terug zijn voor aërosol en drainage. De dag werd dus iets korter dan gepland, maar bon, zijn rug staat een langere uitstap toch niet echt toe.

Iets over elven pikten we hem op en haalden we uiteraard nog een ijsje in De Haan zelf. Allez ja, Wolf moest wachten op zijn warme wafel.

Daarna reden we naar Brugge, om daar in L’Estaminet iets te eten. Dik in orde, alleen hebben we behoorlijk lang moeten wachten. En hadden we ook lang rondgereden voor een parkeerplaatsje: eerst konden we niet door omwille van een optocht en moesten we rondrijden, en toen was de parkeergarage van Park volzet. Aan de Magdalenakerk vonden we gelukkig wél nog een plaatsje, en moest er blijkbaar eerst ook nog gespeeld worden op de grote speeltuin aldaar. Door alledrie, ja.

Daarna wandelden we langs een brug, een van de kunstwerken van de Triênnale, richting Markt. Daar losten we de max van een geocache op, nota bene op een van de drukste plaatsen van gans Brugge, en toch vielen we niet op. Tsja, als je die cache in fietszakken stopt…

Daarna wandelden we verder om nog drie kunstwerken van de Triënnale te bekijken: de walvis, de lange metalen nek (of hoe je het ook moet noemen) en de oranje tunnels. Tussendoor dronken we ook snel iets, en kreeg de hangry Merel een pannenkoek.

Toen was het welletjes, was ook de tijd op, en brachten we Wolf tegen half vijf terug naar het Zeepreventorium, waar we nog bij hem bleven tijdens het aerosollen.

Daarna reden we naar huis via een omwegje, en deden we nog een cache waarbij we alledrie in de lach zijn geschoten. Je moest namelijk met een bidon aan een ketting in een kreek water scheppen, dat in een buis gieten, en dan een bovendrijvend kokertje opvissen waarin een sleuteltje zat, waarmee je een vogelhuisje wat verderop kon openen. Op zich leuk bedacht maar niet zo grappig natuurlijk. Het verrassende element zat hem in de buis, waarin gaten zaten om ze te draineren, en een van die gaten was héél gemeen geplaatst, zodat je een stevige straal water op jezelf kreeg, als je niet oplette. Een heuse pispaal dus.

Enfin, kwart voor zeven waren we terug thuis na een geslaagde middag. Yup yup.

Van garages, Ikea en geocaches

Mijn auto was afgekeurd halverwege juli: toen heb ik meteen de banden laten vervangen, maar was ik nog niet in de garage geraakt. Er is toen ook niet mee gereden, want mijn rug speelde spelbreker.

Vandaag mocht ik hem binnensteken voor algemeen onderhoud, vervangen van de nodige filters en dergelijke, en nazicht voor keuring. Dat ging een paar uur duren, dus ik huurde een vervangwagen voor een halve dag, en reed met de kinderen naar de Ikea. Aangezien we de auto maar konden afgeven om 12.45 uur, waren we pas tegen kwart over één in het restaurant van de Ikea. Ik had gedacht dat de rijen dan wat minder gingen zijn, maar nee hoor, ik heb nog een respectabele 25 minuten moeten aanschuiven. Ja santé mijn ratse!

Niet dat we veel moesten hebben: de kinderen wilden nieuwe hoofdkussens, nu ze die extra dikke en zachte in Rhodos hadden ervaren. Daarna hadden we nog tijd over, en dus reden we naar Zwijnaarde, naar het mij onbekende Henri Storypark en de belendende Leebeekvijver, vlak naast de Coca Cola, voor een mooi rondje Leebeek.

Helaas had ik voor één keer geen batterij mee voor mijn gsm, konden we cache nummer 6 nog net loggen met 2%, maar viel de gsm onherroepelijk plat voor de bonus. Tsja, die is dan voor een volgende keer.

Tegen zessen haalden we onze eigen auto op, reden naar huis en stapten quasi meteen weer in voor een bibliotheekbezoekje en snelle boodschappen in de Delhaize.

Dat leverde meteen een mooie 13.293 stappen op voor vandaag. Goed bezig!

Bedenkingen bij de vakantie in Rhodos

Er waren zo’n aantal losse bedenkingen en gedachten bij de afgelopen vakantie in Rhodos. Ik verzamel ze hier even.

  • Rhodos is een toeristenmuite. Quasi 100%. Alle mensen die in en rond het hotel werken, werken er zeven dagen op zeven. Het seizoen begint er eind april, en eindigt eind oktober. Ze werken dus zes maanden kei-, maar keihard. De andere zes maanden is er namelijk geen werk en zitten ze gewoon thuis, werkloos te wezen. De werkloosheidsuitkering is 100 euro voor drie maanden, wist een van hen me te vertellen. Marios, de barman boven, was sinds eind april non-stop aan het werk met één keer een halve dag vrijaf omdat hij naar de dokter moest. Poeh… En hetzelfde geldt voor alle hotels, winkeltjes, buschauffeurs, taxichauffeurs, autoverhuurders, wasserijen, boottochten, noem maar op. In de winter is Rhodos gewoon doods, behalve dan misschien de stad zelf. En dan nog.
  • De muziek in het hotel was op zijn minst vreemd te noemen. Enkel in de buitenbar in de namiddag kon je er gewone muziek horen, als in: niet al te recente popmuziek. Voor de rest was er continu overal een soort loungemuziek, de meest vreemde versies van bekende nummers. Poker Face van Lady Gaga in een zeemzoete versie, of – godbetert! – een salsaversie van In between Days van The Cure. Of wat dacht u van een zalvend gezongen versie van Cocaine van Clapton, of een countryversie, stijl de themesong van Firefly, van Killing in the Name of van Rage against the Machine.
  • Grieken rijden op zijn Grieks: ze snijden bochten af, rijden door het rood, steken op de meest onmogelijke plaatsen voorbij, dragen geen motorhelm of autogordel, en zitten het liefst de hele tijd te bellen. Maar vreemd genoeg houden ze zich wel zowat de hele tijd aan de snelheidslimiet. Snappe wie snappen kan.
  • De kamer werd twee keer per dag schoongemaakt. Allez ja, één keer werd er echt volledig schoongemaakt, gedweild, stof afgedaan, tot en met de randen van de schutting rond het zwembad afgewreven. Uiteraard werden ook de bedden opgemaakt en de handdoeken ververst, indien nodig. Maar tijdens het avondeten kwamen ze nog even rond: de bedden nog eens piekfijn leggen, de gordijnen sluiten, de handdoeken nog eens verversen, dat soort dingen. Oh, en een nouga op elk kussen leggen :-p
  • De volgende keer dat we naar Griekenland gaan, moet ik echt mijn Grieks opfrissen. Ik versta het een beetje, en kan nog een paar woorden spreken. Blijkbaar heb ik wel de max van een accent: er is me verschillende keren gevraagd of ik soms van het noorden was, van Thessaloniki of zo. En dat ik toch echt niet van België kon zijn. En steeds opnieuw kwam de vraag waarom ik in hemelsnaam Grieks geleerd had. Het zorgde ook wel voor heel veel goodwill bij de mensen, gewoon het feit dat ik de moeite had gedaan om wat Grieks te kunnen. Tsja…
  • In Rhodos Stad lopen mensen gewoon in bikini op straat. UIteraard niet in alle straten en overal, maar wel aan de randen, want rondomrond liggen er stranden, compleet met parasolletjes en alles. Grappig, zo van een busstation, een politiekantoor of om het even wat het strand op.
  • Katten. De katten van Rhodos zijn blijkbaar een begrip, want je vindt ze op postkaarten en andere prullaria. We hebben inderdaad massa’s katten gezien, en nauwelijks honden.
  • Een diep respect voor de Maître d’ hôtel. Die mens stond er elke morgen, elke middag én elke avond aan de ingang van het grote buffetrestaurant, en begroette elke familie heel erg hartelijk. Hij onthield ook details van elke familie, en wist van ons bijvoorbeeld dat hij ons mocht aanspreken in het Grieks, dat we ‘s middags binnen wilden zitten en ‘s avonds buiten. De laatste middag sprak ik er hem over aan, en zei dat ik een diep respect had voor zijn inzet en zijn enthousiasme, dag na dag, zonder ophouden. Hij apprecieerde het compliment blijkbaar heel erg, en vertelde dat hij er stond van zeven uur ‘s morgens tot tien uur ‘s avonds, en dat hij dat deed op twee pakjes sigaretten en massa’s koffie per dag, en chocolade. En vooral géén alcohol, want anders zou hij het niet uithouden. Dat kan ik me ook bijzonder goed voorstellen.
  • Airconditioning is niet noodzakelijk lawaaierig. In onze kamer kon ze soms wel volop blazen, maar ‘s nachts sloeg die gewoon af en toe even aan, en dat hoorde ik enkel aan het klikken van de transfo’s, en merkte ik natuurlijk aan de zachte stroom koude lucht. Verder hoorde je er niets van, en dat was gewoon zalig!
  • Ik heb ginder ganse dagen in een bermuda rondgelopen, iets waar ik thuis niet mee durf buitenkomen. Maar dacht u dat mijn benen ook maar ietsje minder spierwit zijn geworden? Nee hoor! Mijn armen en décolleté gelukkig wel, maar die benen van mij? Nope.
  • Ik ben, met al dat fretten, amper anderhalve kilo bijgekomen. Best wel trots op mezelf, al weet ik nog altijd niet hoe dat kan. Mja. Go me, zeker?
  • Bougainvillea’s. Serieus. Kunnen die nog harder bloeien, of wa? De kleuren zijn prachtig en ik ben er stikjaloers van. En je vindt ze op alle mogelijke plaatsen in Rhodos, zelfs half in het wild. Prachtig!
  • De koffie is er niet te drinken. Om een of andere reden zijn ze er zot van oploskoffie, en dat smaak je. Ik heb er eigenlijk geen enkele goeie koffie gedronken, en de eerste koffie hier thuis smaakte ongelofelijk!
  • Wanneer je op een terras een cola of limonade of zo bestelt, krijg je een halve liter. Keer op keer, tot onze grote verbazing, en eigenlijk niet ten onrechte, want dat dronken we telkens probleemloos op. En voor een best wel faire prijs, zelfs op toeristische plekken.
  • Light en zero kennen ze er niet of nauwelijks. Het enige wat in het hotel te krijgen was, was Pepsi Max. Fanta Light was pas die week geïntroduceerd in Rhodos, wist de barvrouw te vertellen, en van andere light/zero dranken, zoals Ice Tea of Sprite of Agrum en dergelijke hadden ze zelfs nog nooit gehoord.
  • Als je geld afhaalt in een gewone bankautomaat, rekenen ze verdorie drie euro kosten aan. Allez zeg!

Er zullen nog wel een paar dingen zijn waarover ik zitten denken heb, maar bon. Rhodos out.

Terug thuis, back to reality

Jawel, het mag op vakantie nog zo goed zijn, een eigen bed is toch veel waard…

Tegen half negen rolde ik eruit, Bart ging om koffiekoeken en deed daarna boodschappen, en ik gooide me op de gigantische stapel was. De onderbroeken die ik gisterenavond nog buiten had gehangen, waren intussen droog, net zoals de zwembroek, de kousen en een paar T-shirts. Goed bezig!

Om half elf zetten Wolf en ik aan naar het Zeepreventorium, dik tegen zijn goesting. Om twee uur file te omzeilen reden we binnendoor, waardoor we er pas tegen twaalf uur waren, maar dat was gelukkig geen probleem. Ik knuffelde, zwaaide, en ging dan maar geocachen in de buurt. In De Haan zelf was er geen parkeren aan, dus geen foto van mijn beeld deze keer. Ik reed dan maar naar de Vuurtorenwijk van Oostende, de rechteroever, waar het strand altijd bijzonder rustig is, om daar twee geocachen te zoeken die ik de vorige keer niet gevonden had. De eerste was geen enkel probleem, maar bij de tweede, midden in de duinen, had er zich toch wel een ouder koppel te slapen gelegd nét op het punt waar hij lag, zeker? Dju!

Ik deed nog een mooie wandeling langs de vuurtorens zelf, en zocht nog een paar mooie exemplaren in het park langs de tram, zeven exemplaren in totaal, zodat ik pas kwart over vier opnieuw thuis was. Meteen kon ik een was binnenhalen, een verse was ophangen, en nog eentje draaien. Het moet vooruit gaan, tiens!

Eten ‘s avonds deden we buiten, heerlijk koel, en dan keken Bart en ik met Kobe nog naar een film, terwijl Merel al in bed zat.

Toch vreemd, hoe snel een mens zijn oude routine weer oppikt…