Japan – dag 8: kimono’s in Kyoto

Dag acht begon wat vroeger: om acht uur stonden we, gepakt en gezakt met de grote valiezen  buiten, twintig na acht zaten we op de trein. Vijfentwintig na acht zaten we al niet meer op de trein. We hadden die trein willen nemen omdat dat de direct was naar Nagoya en dus een half uur sneller. Wel, half Nakatsugawa had blijkbaar datzelfde idee: de trein zat stampvol, en een klein uur rechtstaan zagen we niet zitten. We hebben dan maar de volgende genomen, een half uur langer maar met zitplaats. Tsja.

In Nagoya – wat een drukte, wat een immens station – regelden Bart en Wolf gereserveerde plaatsen voor ons én ons bagage, waardoor we wel pas tegen elf uur konden vertrekken, maar zeker waren van plaats. Niks dat een Starbucks niet kan oplossen, er was zelfs zitplaats.

Bon, de shinkansen dus op, mét valiezen, en dat lukte, maar er moet wel plaats zijn. We wilden ze liever niet opsturen omdat er echt nog een hoop nat gerief is:  pulls, rugzakken, schoenen en zo kunnen echt niet in de droogkast, vandaar. In Kyoto namen we een Uber voor amper een kilometer of zo, maar dat deerde niet want liever dat dan met die valiezen sleuren, en ook: vier euro. Serieus. En als ge u afvraagt of er veel te zien valt op zo’n hogesnelheidstrein:

En toen was er het Kanra Hotel. We kregen al thee en een fris nat handdoekje bij het binnenkomen, en toen wisten we het al: dit komt helemaal goed. En toen zagen we de kamers, die gelukkig al beschikbaar waren.

Ruimte, licht, en een eigen onsen! Héérlijk! En dat voor de komende drie nachten, ik zie het helemaal zitten!

Lien, onze reisorganisator, had om 15.00 uur een heuse theeceremonie voorzien, we moesten ons dus nog reppen. Echt iets eten zat er dus niet in, maar niks dat een 7-Eleven niet kan oplossen. Alleen heb je hier nergens een plekje met bankjes of zo waar je dat dan ook kan opeten. We hebben dan maar lukraak een muurtje uitgekozen…

En toen kwam de theeceremonie, in traditionele outfits, met fotoshoot en alles erop en eraan. En een kleine Japanse oude dame die alles uitlegde in een Engrish om u tegen te zeggen. Maar het was wel heel fijn om doen. Zet u schrap voor een shitload aan foto’s.

En toen was er dus de ceremonie.

We hadden de optie om nog langer in die kleren rond te lopen, maar dat hoefde nu ook weer niet. Ichi go ichi è.

En toen gingen we shoppen. Allez ja, we gingen mee naar een speelgoedwinkel waar ze Sunny Angels verkochten, en ik kocht een Kuromi voor aan mijn tas. When in Japan… En toen gingen we met zijn allen de Uniqlo binnen, waar de kinderen vanalles vonden en ik een tasje en een blauw kleedje voor een trouw kocht. En waarna Bart en ik een taxi naar huis namen, want het was meer dan welletjes voor ons. Zij bleven nog shoppen en gingen zelfs in een McDonalds eten.

Dat liet voor Bart en mij de ruimte om letterlijk aan de overkant Wagyu beef te gaan eten, dat je zelf kan bakken. Het kostte ons 30 euro per persoon, waar het je in België zoveel zou kosten voor twee stukjes, denk ik dan.

En toen was de pijp uit.

18.000 stappen.

Verrassing van formaat

Bart houdt ervan om me te verrassen. Alleen hou ik niet altijd van verrassingen, en dat weet hij na 26 jaar huwelijk gelukkig wel. Dus stelt hij me gewoon voor voldongen feiten, maar zegt hij die me wel op voorhand.

Nu kreeg ik vorige week dus te horen – er stond al veel langer ‘verrassing’ in onze agenda – dat we vandaag naar Durbuy gingen rijden om er te eten in Wagyu, en dan te gaan slapen in een boomhut.

Say what???

Mijn lief in een boomhut? Dan moest het wel iets speciaals zijn. Ik zocht even op de website en was inderdaad behoorlijk onder de indruk: een design boomhut op tien meter hoogte, met alle comfort en vooral in alle stilte.

Deze ochtend zwaaiden we ons kroost dus uit en reden richting Durbuy. Dat blijft een alleraardigst klein stadje en gigantische toeristenval, maar bon. Met mijn grote bek reed ik de auto gewoon op de parking van het hotel en kreeg zowaar valet service, de eerste keer ooit. Wel wijs! Maar ik denk dat het vooral aan Barts felrode elektrische Mustang lag, maar bon, de auto stond toch maar lekker tussen de chique Mercedessen, BMW’s en Porsches.

Het eten zelf was inderdaad behoorlijk de moeite voor onze innerlijke carnivoor: het vlees was ronduit succulent! Maar een dessertje hoefde dus niet meer, geloof me.

Daarna deden we in het prachtige weer een ommetje doorheen Durbuy, met als hoogtepunt natuurlijk de anticlinaal. De watte? Ja, dat zei ik ook, terwijl ik de cache aldaar zocht. Blijkt het een wreed wijs geologisch fenomeen te zijn.

Enfin, verder doorheen het piepkleine stadje, de labcaches aldaar oplossen en het occasionele verdwaalde potje zoeken.

En toen waren we wel rond, ja. We lieten de auto voorrijden – gnigni – en reden richting Humaine. Alleen wilden we daar nu ook weer niet te vroeg gaan zitten, zodat we eerst nog naar de tweede grootste stad van de provincie Luxemburg reden. Euhm… Marche-en-Famenne blijkt ongeveer ter grootte van Zomergem? En er valt zo een beetje evenveel te zien. Gelukkig viel er nog een labcachereeksje te rapen, of het was helemaal zielig geweest, al smaakte de koffie wel. En mooie beelden, dat ook, ja.

Dus reden we wat later fluks richting onze boomhut. Toen we de bosweg insloegen, viel ook onze telefoon- en internetverbinding weg, een vreemd gevoel, al was het maar omdat ook de GPS eraan was voor de moeite.
Vanaf de parkeerplaats was het nog zo’n kleine tien minuten stappen, en dan valt je mond gewoon open van verbazing.

Het ding is dus niet ecologisch, dat beweren ze ook op geen enkel moment. Het is wel de ideale locatie bij een zombie-aanval: je zit tien meter boven de grond en je trap is uitschuifbaar en klapt daarna weer in. Serieus. De energie is volledig met herlaadbare batterijen, je hebt een beperkte hoeveelheid (warm) water en verwarmen en koken doe je met een houtkacheltje. Met andere woorden: elke dag komt de firma tussen elf en drie de batterijen vervangen door volle exemplaren, de watertank aanvullen, de houtvoorraad stapelen en het campingtoilet – jawel, zo’n chemisch geval – schoonmaken.

Maar de stilte – en dat is wél hun premisse: simply silence – is overweldigend. Het enige dat je hoort is het ruisen van de bomen, de vogels en occasioneel het luiden van het kerkklokje van het dorp wat verderop.

Op de benedenvloer is er dus een zetel, een minitafeltje, een minikeuken en een toonbankje. Er staat een houtkacheltje, en aan de achterkant is er een douche en een ingewerkt chemisch toilet.

Met een laddertje ga je naar boven naar het ruime, gezellige bed, met daarnaast een volledig verticale ladder naar een luik dat naar het dakterras gaat. En alles rondomrond bestaat uit ramen, maar gelukkig ook met gordijnen rond het bed, zodat je kan slapen.

We installeerden ons; niet dat er veel te installeren was: we hadden samen één trolley en dan nog een zak met eten. Bart had namelijk uitgebreid avondeten voorzien: een aperitiefje met Sauternes en foie gras, en dan brood met alle mogelijke charcuterie. Meer dan genoeg dus, met ook nog chips en chocolade en dergelijke. Alleen bleek het niet het meest lumineuze idee geweest te zijn om het brood, een klein blokje, ook in dat valiesje te proppen. Laat ons zeggen dat het een ietwat compact broodje was geworden.

Samen kropen we in de absolute stilte – nee, dat is niet waar, het haardvuur knetterde – in de zetel, bij het gefilterde licht van de ondergaande zon, en we lazen allebei. Hier was er trouwens wél weer ontvangst van alle mogelijke gsm-signalen.

En toen bleken we allebei doodop en lagen we tegen half elf in ons bed. In absolute stilte, in het donker. Héérlijk.