Opruimen

Yup, ik ging veel opruimen deze vakantie in ons pa zijn huis. Quod non. Ik kan er mezelf niet toe brengen, het is zo gigantisch, zo veel werk… En de rug is er niet dankbaar om. En ook: Jeroens deel in het bureau van ons pa is ook nog echt groot, ik moet me dus niet haasten.

Maar wat ik dus wel noodgedwongen gedaan heb in die eerste vakantieweek, is de kamer van ons pa in het rusthuis leeghalen. Gelukkig waren er Kobe en Merel die me konden helpen, en had ik de auto van Gwen en Erik, zodat we maar één keer moesten rijden. Al bij al was er toch nog meer dan gedacht: een hele zak boeken – een deel heb ik aan de bibliotheek van Vroonstalle geschonken – die hij in de loop van dat jaar had gekregen, twee grote zakken kleren, zijn fauteuil, de twee bijzettafeltjes, de staande lamp, de plant, en vooral ook alle kaders en schilderijen. En dan nog losse dingen, zoals zijn laptop die hij nooit heeft gebruikt, zijn telefoon, de vaas met neptulpen, dat soort dingen. Nee, het had niet in mijn auto gepast, ik was dankbaar voor de camionette.

We zijn eerst hier even gestopt om al wat dingen die van mij waren of die ik wilde houden af te zetten, en de rest hebben we naar Zomergem gebracht. Want ja, waar moet ik dat hier zetten, en wat ben ik ermee? Daar staat het tenminste niet in de weg.

Het emotionele viel al bij al nog mee. Ik had me schrap gezet, maar blijkbaar had ik op dat moment in mijn hoofd al definitief afscheid genomen van ons pa. Het deed me wel meteen weer denken aan die heftige avond in die loden hitte: er lagen nog – intussen opgedroogde – doeken, er lag antibiotica, zijn kleren lagen opzij… Ze hadden de kamer onaangeroerd gelaten, en daar was ik wel dankbaar voor, hoe confronterend ook.

Ik had natuurlijk ook niet veel keuze: je krijgt vijf werkdagen na het overlijden om alles leeg te halen, en ik snap dat: ons pa heeft ook een maand extra in het ziekenhuis gezeten omdat er nergens plaats was voor hem, en dat gevoel wil ik niemand aandoen. Dus ja, de maandag na zijn begrafenis woonde er al iemand anders. Zo gaat dat, en daar heb ik vrede mee.

Maar elke keer wanneer ik voorbij het rusthuis rij of fiets, kijk ik naar boven. Zie ik zijn raam. Denk ik aan hem, lezend in zijn zetel. En zeg ik heel even hallo.

Dag pa.

Ik mis u.

En toen stopte de zon even met schijnen…

Ik heb er eigenlijk geen woorden voor… Deze morgen, toen ik Smartschool opende, werd de grond van voor mijn voeten weggeslagen. Ik heb zeker een volle vijf minuten blind naar mijn scherm zitten staren. Hij was een van de mijne…

Hier leest u waar ik het over heb.

Slaap zacht, Radagast…

Daarstraks, rond een uur of zeven, ging de bel. Tot mijn grote verbazing stond de buurvrouw voor de deur, in haar pyjama met een jas over. Of ons kleine bruine katje binnen was? Ik aarzelde, zei dat ik het niet wist, want dat dat beestje binnen en buiten loopt naargelang ze zin heeft. Meteen ging een alarm af in mijn hoofd. En jawel, de buurvrouw nam me mee naar het exact zelfde plekje waar ik destijds ook Poetin aantrof, en waar Sander lag… In twee stappen zat ik naast het kleine hoopje bruine bont geknield, en kon ik enkel nog haar natte vachtje strelen. Ik herkende haar meteen, aan haar bleekbruine pootje, aan het halsbandje, aan haar blote buikje waar het haar nog niet was teruggegroeid na de sterilisatie van vorige week… Haar kopje wilde ik niet bekijken, want daar was ze geraakt door een auto. De man en het zoontje van de buurvrouw hadden het zien gebeuren, door de auto voor hen die veel te snel wegstoof, en het wellicht zelfs nooit gemerkt heeft.

Ik tilde haar voorzichtig op uit de plas bloed te midden van de straat – ze was nog warm -  en legde haar in de tuin, op het vroegere tuinpad, terwijl ik heftig probeerde de krop in mijn keel weg te slikken. Ik dankte de buurvrouw, en ging naar de kinderen.

De verslagenheid was groot. Merel snapte het volgens mij niet meteen, Kobe begon te snikken, en Wolf kon alleen maar “Oh nee! Oh nee!” stamelen.

Ze wilden haar niet meer zien. Ze wilden haar herinneren zoals ze was: speels, onnozel, en ongelofelijk hard ronkend wanneer ze op hun benen lag, of tegen hen aangevleid.

Kleine lieve Radagast, het heeft niet mogen zijn. Iets meer dan drie maanden heb je bij ons gewoond, en ik denk dat je het hier best wel naar je zin had. Het was dat of het asiel, waar je een zekere dood wachtte, want je was ondervoed en nog behoorlijk klein toen we je in onze houtstapel ontdekten. Deze middag lag je nog prinsheerlijk te slapen naast me op mijn bureau, en ik genoot daar intens van.

Morgen ga ik je begraven in de tuin, naast Osiris, die ook al door een auto is gegrepen.

Je bent mijn vijfde kat die hier is doodgereden, Rada. Hoe lang zal het duren voor het slachtoffer een kind is? En de stad eindelijk die verkeersdrempel wil leggen waar de straat al zo lang voor ijvert?

Slaap zacht, Rada. We zullen je niet vergeten, kleine pluizenbol.