Mijn lief is altijd al een schrijver geweest. Hij is daar beter in dan ik, zoals in zo veel dingen.
Nu is hij begonnen met het schrijven van verhalen, al dan niet dystopisch. Ik lees ze, en ik ben jaloers. Want ja, mijn lief kan schrijven.
Ik geef u zijn eerste verhaal hier mee, met link naar zijn eigen website waar het volledig op staat zoals het bedoeld is.
Geregeld.
Een kortverhaal. België, 2036.

I. Januari
Ik heb mijn nieuwjaarsbrief zelf geschreven. Met een balpen, op papier uit de krantenwinkel aan de Brugse Poort. In de derde zin staat een dt-fout. Die heb ik laten staan, als bewijs.
Niemand gelooft het.
‘Schoon gedaan,’ zegt mijn tante, op de toon waarop je een kind van vier zijn tekening teruggeeft. Mijn nonkel vraagt welk model ik gebruikt heb voor het handschrift. Hij bedoelt het niet slecht. Hij denkt gewoon dat niemand van negentien nog weet hoe je een pen vasthoudt. Hij heeft gelijk. Ik heb drie avonden geoefend.
Ik ben eigenlijk te oud voor een nieuwjaarsbrief. Maar het is het enige wat ik dit jaar gemaakt heb waar niemand om gevraagd had.
We zitten bij mama, in het rijhuis in Gent. Opa is opgehaald uit het woonzorgcentrum in Drongen en zit in zijn rolstoel aan het hoofd van de tafel. Hij volgt het gesprek zoals je een trein volgt die voorbijrijdt. De rollade is gekweekt in een vat in Aalst en smaakt naar rollade. Mijn nonkel proeft toch het verschil, zegt hij. Na het dessert begint de jaarlijkse discussie of we bomma aanzetten. Ze is drie jaar dood. Haar stem is er nog, en haar mop over de pastoor van Mariakerke. Sinds haar dood heeft ze Spaans geleerd. Niemand weet waarom. Door een update vloekt ze ook niet meer. Opa vindt dat ze daardoor niet meer op bomma trekt. Mijn tante wil het. Mama niet. Opa zegt niets, en dus zetten we haar aan, en ze vraagt aan iedereen of er genoeg gegeten is.
Ik ben geboren in 2017. Toen ik tien was, nam het agency waar mama werkte voor het eerst geen juniors meer aan. Niemand werd ontslagen, daarvoor zijn we hier te beschaafd. Er kwam gewoon niemand meer bij. In 2029 viel de regering over het AI-dividend. Een half jaar later was het er toch: geïndexeerd, uitbetaald via het ziekenfonds, met een aparte regel op de loonbrief. In 2031 schafte de universiteit het ingangsexamen geneeskunde af, omdat er geen reden meer was om iemand tegen te houden. In 2033 studeerde mijn nicht af als jurist. Ze heeft nog nooit een dossier gezien. In 2034 loste een datacenter in Zeeland de laatste open vraagstukken van de wiskunde op, op een dinsdag. Het stond op pagina zes.
Mama werkt nu bij het Vlaams Woonkrediet. Haar functie heet menselijke eindverantwoordelijke. Ze tekent af wat het systeem beslist, een paar honderd dossiers per dag. Ze wordt er goed voor betaald. De wet eist een mens onder elke beslissing, en zij is die mens. Een stempel met een loon.
‘En gij, Wout?’ vraagt mijn nonkel. ‘Waar zijt ge mee bezig?’
Vroeger vroegen ze wat je van werk deed. Dat is onbeleefd geworden.
‘Met van alles,’ zeg ik.
Bomma vraagt of er genoeg gegeten is.
II. Lente
In maart staat opa recht. In april belt hij.
Ik vraag eerst het codewoord. Dat doet iedereen, een stem bewijst niets meer.
‘Paling in ‘t groen,’ zegt hij. ‘Ik kom naar huis, jongen.’
De zorgrobot heeft zijn valies tot aan de wagen gedragen en hem daarna uitgewuifd. Opa beweert dat hij er triest uitzag.
De behandeling is van vorig jaar. Ze hadden hem op een lijst gezet zonder dat iemand het gevraagd had, zoals dat gaat. Je krijgt een bericht dat er iets hersteld is. Zijn heupen, zijn hart, het trage wegzakken van zijn hoofd: geregeld. Ze hebben zijn cellen teruggezet, naar ergens rond 1995. Hij is eenentachtig, zijn haar wordt weer grijs in plaats van wit, en hij fietst naar de bakker.
Het huis in Mariakerke staat al twee jaar leeg. Niemand had ooit luidop gezegd dat het voor mij zou zijn. Maar mama had het uitgerekend, en ik ook, en mijn tante ook, elk apart, elk met een beetje schaamte. Zo geraak je op mijn leeftijd nog aan een huis. Niet door te werken, want er is niets om voor te werken. Door te wachten tot er iemand sterft.
En er sterft niemand meer.
Opa doet de luiken open en zet de verwarming aan met de draaiknop. Hij gebruikt de lichtschakelaars. Hij heeft de assistent in de keuken afgezet omdat die een mening had over zijn boter. Zijn pensioen loopt gewoon door. Het is ooit uitgerekend op mensen die er tien jaar van zouden genieten. Het systeem heeft de nieuwe som al gemaakt. Geen mens wil het cijfer zien.
‘Ik heb er twintig jaar bij,’ zegt hij als ik help met de gordijnen. ‘Dertig misschien. Wat gaat gij doen met de uwe?’
Hij vraagt het echt. Hij heeft veertig jaar bij de haven gewerkt, een huis afbetaald, twee kinderen laten studeren. Hij kan zich geen leven voorstellen waarin je niets hoeft te verdienen. Ik kan mij geen ander voorstellen.
In mei dien ik een aanvraag in bij het Woonkrediet. Of beter: mijn agent dient ze in bij hun systeem. Ik krijg één woord terug. Niet gematcht.
Ik vertel het niet aan mama. Zij zal het dossier toch zien passeren, tussen de driehonderd andere van die dag.
III. Zomer
In juni komt het bericht van de belastingen. Het is één woord: Geregeld. Opa mist het klagen.
Op een dinsdag in juli komt mama thuis en zet haar tas niet neer.
‘Ik heb niet getekend,’ zegt ze.
Het vervolg lezen? Gewoon even klikken op de link en je komt bij Bart uit, waar de rest van het verhaal staat.
