Het brein is nog steeds niet toe aan serieuze lectuur – ook al zijn de examens en de verbeteringen al achter de rug, er zijn nog de klassenraden – en dus blijf ik me verdiepen in de perikelen van Cèsar Hawke, want na de excursus rond Isobel zijn we wel degelijk terug bij het standaard hoofdpersonage.
Directeur Friederling is naar een conferentie en dus mag Hawke even interim directeur spelen en kan hij zelf kiezen welke zaak hij neemt. Wanneer er een bankroof opduikt waarbij magie in het spel is, lijkt dat de ideale zaak, zonder veel problemen en vooral zonder lijken. Tot hij begint uit te pluizen en vaststelt dat het eigenlijk om een oorlog gaat tussen twee heksencovens, met, jawel, een redelijk bloederig spoor van lijken. Een spoor dat hem leidt naar zijn eigen, uiteraard compleet onschuldige, broer Domingo. Althans, Cèsar hoopt dat zijn broer onschuldig is. Maar dan beginnen er nog meer doden te vallen links en rechts, en wenst Cèsar uit de grond van zijn hart dat hij deze zaak maar nooit aanvaard had.
Yup, same old, maar wel van de nog steeds amusante soort. Hawke is wel stereotiep neergezet als een gast met een nogal enthousiast libido die elke vrouw bekijkt, inschat naar fuckability en daar commentaar bij geeft. Vreemd dat een vrouwelijke auteur dat op die manier telkens weer doet, want ja, dat begint te vervelen. Voor een man die naar eigen zeggen niet in staat is een vrouw te slaan, reduceert hij ze wel tot seksobject, elke keer weer. Meh.

