Omen: het einde

Was gisteren zo’n slechte dag, vandaag voelde ik me weer prima. Ik heb een voorzichtig ontbijtje genomen, maar meer niet. En ik hoefde ook niet echt als de Uil in het spel te gaan: er ging een mega eindgevecht aankomen en ik was dan beter geplaatst als scheidsrechter en toezichthouder, aangezien ik niet echt meer kan vechten zoals het hoort.

Intussen was er een stralende zon, ik voelde me goed, ik had fijne mensen om me heen, en ik genoot. Er was een episch eindgevecht – de foto’s volgen wellicht nog – en dit keer was het ook echt episch: iedereen wist dat dit het einde van Omen, of toch minstens van deze cyclus was, en dat het sowieso het einde van hun personage betekende. Mensen konden hun leven geven om hun kampioen te boosten tegen het kwaad, en dat werd ook gedaan. Ontroerend, episch, gewoon mooi om zien. Mijn boezem werd al snel de emotional support bosom, letterlijk nat van tranen door mensen die na al die jaren hun favoriete personage lieten doodgaan. Want ja, zo intens kan larp zijn.

Bedankt, lieve mensen van Omen. Bedankt, spelers en figuranten, om een harde maar oh zo fijne wereld tot leven te brengen en me mee te slepen in avonturen, impromptu zangstondes rond een laatavondkampvuur, bitse discussies, intense tranen, gigantische lachbuien. Bedankt, Bard, om epische rollen op mijn lijf te schrijven, om me de gekste dingen te doen doen – de flagellante non, iemand? – en om me Olga te laten spelen. Bedankt, Sven, Nikki en alle anderen van spelleiding doorheen de jaren, om me telkens weer een weekend uit mijn eigen realiteit te halen en te droppen in een fantastische wereld. Bedankt om telkens mijn mentale batterijen weer op te laden, terwijl mijn fysieke batterij compleet plat ging.

En ja, stiekem hoop ik dat ze de energie vinden om Omen opnieuw te lanceren. Er is een prachtige wereld, een prachtig spelsysteem, en een hoop hongerige spelers die klaar staan om die wereld te bevolken.

Omen, ik ga je missen.

Afscheid van Nelly

Het ging al lang niet zo goed met Nelly, Barts mama. Ze had veel pijn door de vorm van reuma die ze had, de pijnmedicatie werkte niet meer zoals het hoorde, en door de cortisol was ze opgezwollen. Zij die altijd overal voor iedereen had gezorgd, voor iedereen in de bres was gesprongen, iedereen had geholpen, was nu bijna volledig afhankelijk geworden van anderen, en was daardoor ook niet echt vrolijk geworden.

Enkele maanden geleden had ze de knoop doorgehakt: het was genoeg geweest. Het traject had nog even geduurd, maar vorige week is ze dan, in het bijzijn van haar zonen, volgens eigen wens en naar eigen keuze ingeslapen.

Vandaag was er de uitvaart, en ook daar hoorden we het vaak: een bijzonder zorgende, actieve vrouw met een heel eigen wil. Het deed deugd om haar vriendinnen te zien, want doorheen die meer dan dertig jaar dat ik een deel uitmaak van Barts leven, heb ik ook die vriendinnen leren kennen. Samen hebben we afscheid genomen.

Nelly, ik wil je bedanken voor alles, maar in het bijzonder voor die fantastische, onvoorstelbaar fijne en even zorgende zoon van jou. Het ga je goed, waar je ook bent.

Afscheid van nonkel Staf

Vandaag hebben we afscheid genomen van nonkel Staf, Barts peter en de jongste broer van Nelly. Hij was de enige nonkel van Bart met wie ik ook echt contact had: zelfs in het prille begin, toen we nog niet lang samen waren, ben ik een paar keer gaan meehelpen op de boerderij om er hekkens, de pomp en vooral ook een dikke 15 op de brievenbus te schilderen. En stuurde hij me prompt om het lunkijzer, iets dat dus niet bestaat en waarmee ik algemene hilariteit over me heen kreeg.

Het was een beer van een man, maar dan wel van de gezellige, goedlachse soort, ne wijze mens in het plat Kruishoutems. En ik vond het dan ook jammer om hem stilaan te zien wegdeemsteren: eerst toen hij verhuisde van de boerderij naar zijn huis wat verderop, maar toch bleef meehelpen. Het was niet hetzelfde, echt niet. En toen werd het fysiek moeilijker en verhuisde hij naar een WZC in Zingem. En daar zagen we dat het ook mentaal achteruit ging: bij momenten was alles nog heel helder, op andere momenten was dat echt wel wat minder.

Staf ging ook niet meer mee op de etentjes voor kerstdag en dergelijke, dat hoefde al eventjes niet meer voor hem. Vaak zagen we hem dus niet, af en toe gingen we eens langs.

Tot Bart zondag het bericht kreeg dat er iets mis was met zijn maag en dat hij richting ziekenhuis was gevoerd, naar de afdeling intensieve. Maandag kwam dan de boodschap dat hij de ochtend niet had gehaald. Plots.

Maar eerlijk? Liever dit dan dat langzame wegzinken in dementie, zoals we bij zijn tantes hebben gezien. Staf was vrolijk, was graag gezien, was graag onder de mensen, en zo zal ik me hem ook herinneren. Een warme, hartelijke, soms strenge maar doorgaans bijzonder aangename mens, eenvoudig, simpel, rechtuit en eerlijk.

Stafke, waar dat ge ook zijt: het ga u goed. En drinkt er nog enen op, nen dreupel, maar dan enkel enen van Filliers. Zo hoort dat.

Hey Koen

Hey Koen

eigenlijk is het belachelijk dat ik je hier Koen noem. Iedereen zei Veek, altijd en overal. En zo zit je ook mijn geheugen, Veek. En ik ben kwaad op je geweest. Kwaad omdat je zomaar doodging. Terwijl we, die keer dat je voor me gekookt hebt en we de hele avond hebben zitten praten, afgesproken hadden dat je ons dit nooit ging aandoen. Dat ik en de rest van je vrienden en familie dit nooit gingen moeten doen.

Ik ben niet meer kwaad, chou. Ik heb intussen gehoord wat er gebeurd is, en ik weet nu dat je er niet zelf een eind hebt aan gemaakt. Toch niet rechtstreeks. Maar ik weet ook dat je op was. Gewoon: op. Je hebt het geprobeerd, al die keren in opname, al die keren in een instelling, vechten tegen de verslaving, tegen je demonen, zoals ze op je afscheidsdienst werden genoemd. Het waren donkere demonen, dat weet ik, en ze waren je trouwe vrienden. Helaas.

Beetje bij beetje namen ze de plaats in van je echte vrienden. Je hield ons sinds corona op een afstand, meer en meer. Ik heb het mezelf kwalijk genomen dat ik niet méér heb geprobeerd, dat ik niet vaker heb aangedrongen. Maar nu weet ik dat je niemand meer toeliet dat laatste jaar, dat je jezelf afsloot, jezelf opsloot met de drank en de demonen.

Het moet eenzaam geweest zijn, chou. Je zag je meisjes doodgraag, maar nam het jezelf kwalijk dat je zo’n slechte vader was. Zelfs in die liefde droeg je een schuldgevoel mee. En toen kwam de dood van Erik. Die klap was de spreekwoordelijke druppel, Veek. Dat hakte er zo ongelofelijk diep in, dat raakte je tot in de kern van je ziel. Je miste hem, chou, met elke vezel van je lichaam. En dat gemis liet een leegte achter die je niet meer opgevuld kreeg, met de beste wil van de wereld niet.

Je was op, lieverd. Ik snap het. We begrijpen het allemaal. Maar dat maakt het verdriet niet minder. Dat maakt ons gemis niet minder. Het enige wat een beetje troost brengt, is het besef dat je nu wel rust hebt. Dat je die demonen een laatste pint hebt gegeven en ze hebt laten vertrekken.

Je vroeg me ooit, zomaar uit het niets, na maanden stilte: “Ziet ge me nog graag?” Mijn onvoorwaardelijke “Ja” was genoeg voor jou om weer even verder te kunnen, zei je.

Het ga je goed, Veek, waar je ook bent. Jij was gelovig, ik ben het niet, maar zelfs ik hoop dat je nu nog onnozeliteiten vermengd met diepe gedachten kan wisselen met Erik.

IK mis je, gij godverdoms stom kalf.

Dag Granma

Dag Granma!

Ja, ik ben het, Gudrun, Mimi’s dochter. Misschien dat ge mij nu opnieuw herkent, oma, het is zo lang geleden…

Ik weet het, ik heb u de laatste jaren niet meer bezocht, en dat was, om eerlijk te zijn, bewust het geval. Ge waart er niet meer, oma. Toch niet de oma die ik kende en die mij kende, de oma die voor mij gekookte eieren in de roze saus maakte, of van wie ik een puddinkske uit de ijskast mocht nemen. Goh, die oma was natuurlijk al een tijdje weg, al sinds ge verhuisd zijn naar het rusthuis. Maar in het begin konden we nog vrolijk anekdotes ophalen, over de boterspekken van pa, of hoe hij luidkeels protesteerde als ik aan zijn haar zat, maar hoe zijn ogen blonken…

Maar beetje bij beetje heb ik u zien verdwijnen, oma. Ge hebt het natuurlijk nooit gemakkelijk gehad, dat is waar. Ge zijt kort na den oorlog geboren, maar op zich hadt ge daar in Canada relatief weinig last van, denk ik. Maar toen meetje en peetje met u terugkeerden, toen zat ge hier wel in het naoorlogse Vlaanderen. En leerde ge opa kennen, waardoor ge uw job als lerares hebt moeten opgeven. Ge kreegt er wel een schoon huis en een prachtige reeks kinderen voor in de plaats. Alleen heb ik nooit de details gehoord over die vier kinderen die nooit uitgegroeid zijn tot nonkels en tanten van mij: ge hebt er tien gekregen, blijkbaar, maar slechts zes zijn er volwassen geworden.

En toen was er den tweeden oorlog, en werd opa krijgsgevangen in Duitsland. Het moet een keiharde tijd geweest zijn, zeker voor een vrouw alleen. Maar eigenlijk stondt ge niet alleen: er was uw schoonzus Talies. ofte Liesbeth, zoals gij altijd tegen haar zeidt. Ik heb de meest wijze herinneringen aan Talies, zeker als ze haar valse tanden uitdeed: dan lagen wij kleinkinderen altijd te gieren van ’t lachen.

Beetje bij beetje werd uw huis stiller, alleen op zondagavond was het steevast bakske vol met de kinderen en kleinkinderen, en altijd zat er wel den enen of den anderen in uw schof in de keuken te spelen.

En toen kwam uw been. Of liever: ging uw been. Want dat melanoom was zodanig agressief dat uw hele been, tot boven de knie, eraf moest. Het zorgde meteen voor een stevige handicap, al wist ge u met uw kunstbeen en uw looprek best wel te redden. Uw ogen, dat was een veel grotere handicap.

Want beetje bij beetje verkleinde uw zicht. We kennen het allemaal, wij met Cornelisbloed. Of liever nog: Ramboerbloed, want ook uw ma was blind door glaucoom. Ook bij u viel het niet meer te redden, al is het bij de rest van de familie relatief stabiel. We waren het zodanig gewoon: we zeiden “Pasop!” bij een boordje, of als er een kleinen in de weg zat op de mat.
In het rusthuis waren er eerst nog de groteletterboeken, en daarna de leesloep, maar stilaan werden het audioboeken, tot ook dat niet echt meer lukte.

Uw gehoor verdween ook, maar vooral: uw geheugen gaf het op. Dat ge de namen van uw talloze achterkleinkinderen niet meer uit elkaar kondt houden, dat snap ik. Maar soms hadt ge moeite om u te herinneren wie ik was. Tot ge eraan dacht dat ik Annemies dochter was, en dan kondt ge mij thuisbrengen. Meestal ging dat gepaard met dikke tranen, want meteen werdt ge er ook aan herinnerd dat ge uw enige dochter al hadt moeten afgeven. Nee, het leven heeft u niet gespaard, oma.

En toen kwam corona. Ik mocht u niet zien, bijna niemand mocht nog bij u. Eén keer heb ik aan de deur van het rusthuis gestaan, toen corona zo goed als voorbij was, maar toen bleek uw gang twee uur daarvoor afgesloten te zijn wegens alweer een besmetting.

En toen, toen wilde ik u niet meer zien. Want via de nonkels had ik gehoord dat ge zelfs uw kinderen nog met moeite herkende en dat ge absoluut niet meer wist wie de kleinkinderen waren. Ge zoudt mijn stem niet meer herkend hebben, niet meer geweten hebben wie ik was.

En ik, ik wilde u vooral herinneren als een sterke vrouw. Als de warme oma die ge altijd zijt geweest voor mij. Als de oma van de speculoosjes bij de koffie in de keuken, als de oma met de strelitzia’s in de veranda, als de oma met de harige bontsprei op haar bed.

Het spijt me, oma, dat ik niet meer op bezoek ben geweest. Ge zoudt het toch niet meer geweten hebben. Maar als ge zijt waar ge altijd rotsvast hebt geloofd dat ge zoudt zijn, doet dan de groeten aan opa. Geeft hem nen dikke kus van mij, en roefelt ne keer door zijn haar.

En ge weet dat we u niet gaan vergeten, ook al zijt gij ons gaandeweg, beetje bij beetje vergeten. Dat is niet erg, oma: dat is het leven.

Dikke kus.

 

Haven: Dank

Een tijdje geleden kregen we het nieuws: de larp Haven stopt ermee! We zaten in zak en as: met de Vossen hadden we daar behoorlijk wat in geïnvesteerd en voor onze jongste Vos net zijn kostuum afgewerkt. Tsja…

Maar we begrijpen het ook: het team had het sowieso al moeilijk na de dood van kopman Erik, en door alle mogelijke persoonlijke problemen bleek het te moeilijk om een dergelijk project te blijven draaien. Want mispak je daar niet aan: er kruipt gigantisch veel werk in, in zo’n weekend.

We speelden het bijzonder graag, onze Akata, en ik ga het ook bijzonder hard missen. Maar vandaag en morgenvoormiddag mogen we nog spelen. Nog één keer de bizarre wereld met Bahadur, de speciaal ontworpen taal Eshki Ganu waar wij allemaal zot van waren, de faunporno, de problemen met de andere volkeren…

Dus ja, met alle plezier de uitgebreide schmink nog een laatste keer op ons toot, gegiechel met de dames onder elkaar en vooral ook toch nog een mysterie proberen oplossen.

We gaan ervoor, en we zijn de organisatie ongelofelijk dankbaar voor de voorbije evenementen.

Schilde

Vandaag was ik in Schilde, maar ik was er liever niet geweest. En toch was er geen plek waar ik deze morgen anders had willen zijn. Er was namelijk de uitvaartdienst voor Bib. Of Tano, zoals zijn recentere vrienden hem kenden. Gaetan, zoals hij officieel heette. Vaenguard, zoals hij voor mij altijd zal blijven.

Er was een massa volk, en ik had niet anders verwacht. Ik stond een serieus paar straten verder geparkeerd, op de parking van een op zaterdag gesloten bedrijf. Daar had ook net René zijn auto gezet. René, de gast die mij heeft leren larpen, mijn grote sjamaan, mijn lichtend voorbeeld. Degene die sjamaan was voor zowel mij als Vaenguard, die geregeld had dat wij tweeën moesten trouwen voor het welzijn van de stam. Het deed vooral heel veel deugd om René daar te zien. En later zag ik ook Raf, en Bruno uit lang vervlogen tijden, en Tom. Ook dat deed  deugd. Dat zelfs meer dan twintig jaar later daar nog steeds mensen waren uit de tribe die de larpwereld toch vormt. Dat we hem niet vergeten waren.

De uitvaart zelf was mooi. En triest. En soms ook grappig. Er waren sprekers van zijn familie, en van zijn wielerclub, en van de skivrienden, en vooral ook van zijn baseballclub. Ellen, Bibs vrouw, is maar in zijn leven gekomen in 2007, na zijn larpcarrière, zij kent dus niemand van ons. Maar blijkbaar had hij er soms wel over verteld, ze wist wie ik was. Toen dan ook “La Tribu de Dana” van Manau speelde, was het eventjes te veel voor me. Dat is een liedje dat alle larpers, maar vooral barbaren, nauw aan het hart ligt. Vaengie speelde dat altijd in de auto op weg naar larp, dat wist ik. Er waren geen larpfoto’s in de lange, prachtige collages, maar dat was begrijpelijk. Ik denk niet dat Ellen die had.

En toch, voor vijf mensen in dat immense eerbetoon was hij de onverschrokken barbarenleider, de ene gast die ik ooit berserk heb zien gaan tot er schuim op zijn lippen stond. En nee, dat was geen schuimpil. Het beeld dat ik voor ogen heb, is van een jonge viriele kerel, gekleed in bont en zwart leer, met kortgeknipte krullen, een zwaard in de ene hand en een knots in de andere, en met een grote grijns en pretlichtjes in zijn ogen.

Ik heb bij het groeten een ‘clubke’ bij de rest van de parafernalia gelegd. Een touwtje met wat kralen en een afgebroken botje. Eentje dat hij al die jaren heeft gedragen en dat ik na de dood van Vaengie altijd droeg als sjamaan. Eentje dat al die jaren in de larpkamer was blijven liggen. Ik hoop maar dat Ellen het niet zomaar in de vuilbak gooit, maar ze heeft daar alle recht toe. Per slot van rekening heeft het zijn doel gediend.

Ik ben na de uitvaart nog even blijven napraten met de rest van de larpers en ben toen in Schilde nog wat caches gaan zoeken. In de bossen, in het groen. Ik moest uitwaaien, ik wilde even alleen zijn. Van het ene spel naar het andere, het leek me niet ongepast. En ook dat kapelletje dat ik tegenkwam, leek op een of andere manier best wel thuis te horen in het moment.

Dit is er eentje voor jou, Vaenguard. Een liedje waar ik altijd al emotioneel van werd, maar dat ik nu wellicht nooit meer zal beluisteren zonder tranen in mijn ogen.
Tranen die niet onwelkom zullen zijn.

Het ga je goed, Vaengie. Ik zie je wel in de hallen van de Voorouders.