Afscheid

Lieve Els,

we leerden je kennen in een spel, maar je speelde zoals je ook in het echt was: lief, zorgzaam, geduldig, meelevend, maar ook grappig, levenslustig, en spitsvondig.
Aan je zijde vonden we altijd je paladijn terug, Stefaan, je maatje, je beschermengel, je andere helft. Samen hebben we gigantische avonturen beleefd, spannende momenten, intense emoties, diepe angst… En zo werd een vriendschap gesmeed, een band die niet meer stuk kon. We speelden samen, we leefden samen, we lachten samen. En zo zullen we ons jou ook herinneren.

Want toen het nieuws van je ziekte insloeg als een bom, weigerden we het te geloven. Onze Els, onze Elisabetha, onze Fleur, een van de Vossen, ziek? Nee, die kwam er wel door, geen probleem. En je vocht, je streed, je hield je sterk, en je weigerde op te geven. Maar dit gevecht was er een dat je niet kon winnen, Els.
En, om eerlijk te zijn, we kunnen het nog steeds niet geloven. Wie zal er nu aan onze zijde strijden? Wie zal er nu op kloppen, als het beweegt? Met wie gaan we nu tranen lachen, midden in de nacht?

Nooit zullen we je vergeten, Els. Dat kunnen we niet. Je bent een van ons, je bent altijd in ons hart. En samen met Stefaan en Arwen dragen we je met ons mee. Voor altijd.

Es ist vollbracht.

Mja. Alweer een kort hoofdstuk afgesloten: daarnet heb ik het allerlaatste concert van Cantabile gezongen.

Cantabile, dat was in de koorwereld een begrip. 58 jaar geleden zijn ze begonnen onder Jos Vandenborre, en vandaag zijn ze definitief gestopt. Ik heb er dus een jaar gezongen, en twee concertreeksen (-reeksjes) meegemaakt. Ik ben geen sociaal mens, dus vrienden heb ik er niet gemaakt, maar dat was ook niet mijn intentie. Wel heb ik er wondermooie muziek gemaakt, en dat is wat telt.

Eén lid heeft de volle 58 jaar meegezongen, maar er waren er wel meerdere die meer dan twintig of zelfs dertig jaar op de teller staan hadden. En dus was deze avond een emotioneel moment. Goh, zelfs ik heb even moeten slikken, en ik zong amper een jaar mee. De kerk zat dan ook vol met enkel genodigden, het was een gratis concert met uitgebreide receptie achteraf. Op die receptie ben ik niet lang gebleven: ik had drie kaarten gevraagd en gekregen, voor mijn pa, en voor Wolf en Kobe. Eigenlijk had ik Bart in gedachten gehad, maar Kobe vroeg om echt mee te mogen, en voor Bart zou het toch eerder geweest zijn om mij een plezier te doen.

Nochtans is de Johannespassie van Bach niet het meest toegankelijke muziekstuk voor een 13- en een 9-jarige. Maar ze vonden het prachtig, en ik kan hen geen ongelijk geven: de solisten waren schitterend, stuk voor stuk, en ik heb een diepe bewondering voor Adriaan De Koster, de evangelist. Wat een prachtige, zuivere stem met immens veel zeggingskracht… Chapeau! De kinderen hadden vooral oog voor de barokinstrumenten die je ook niet zo vaak ziet: de aartsluit, de viola da gamba, het orgel, de Franse hoorns, de viola d’amore… Wolf vindt die muziek zodanig mooi dat hij zelfs een spreekbeurt over de barokmuziek gaat maken, zegt hij. Goeie smaak, die kinderen van mij.

En al zeg ik het zelf: Cantabile stond er, zo voor de allerlaatste keer.

Maar niet getreurd: met ongeveer de helft van het koor gaan we verder, onder een andere dirigent, onder een andere naam, zijnde Cantandum. Een verwijzing naar Cantabile, uiteraard, maar meer dan dat: we gaan verder gewoon omdat “er moet gezongen worden”.

Nog geen idee hoe of wat, en of de stemmen wat haalbaar zijn, maar bon, we zien wel.

In elk geval: bedankt, Cantabile. Het was een mooi jaar.

Mijn oma

Mijn broer heeft een prachtige beschrijving van mijn grootmoeder voorgelezen op haar begrafenis. Ik geef ze hier even mee, zodat ik ze ook vooral zelf niet kwijtspeel.

Beste familie, beste vrienden

we zijn hier vandaag samengekomen om afscheid te nemen van Erna Gysel, een moeder van 10 kinderen, een grootmoeder van 13 kleinkinderen, en de overgrootmoeder van 17 achterkleinkinderen.
We doen dit enerzijds met veel verdriet voor het verlies van een voornaam en geliefd persoon, maar anderzijds ook met dankbaarheid omdat ze zo lang in goede gezondheid bij ons mocht blijven.
Met haar overlijden verdwijnt er ook een getuige van meer dan een eeuw geschiedenis. Erna werd immers geboren op 26 november 1911, bijna 105 jaar geleden, als middelste van 3 kinderen. Haar vader, brouwer Arthur Gysel, was afkomstig van Assenede en haar moeder Julma Dhooge was een dochter van de mosselkweker Dhooge uit Philippine in Zeeuws-Vlaanderen.
Als klein meisje heeft ze nog de Eerste Wereldoorlog meegemaakt, en dit van dichtbij. De brouwerij van haar ouders lag immers in Moershoofde in Sint-Laureins, een straat gelegen over het Leopoldkanaal vlakbij de Nederlandse grens. De Duitsers hadden tussen België en Nederland de zogenaamde dodendraad gebouwd, die onder hoogspanning stond. Aan Moershoofde had men om praktische reden de draad verschoven van de grens naar het kanaal, omdat de bruggen over het kanaal waren opgeblazen en de inwoners van Moershoofde anders noch in Sint-Laureins noch in Nederland konden geraken. Erna groeide dus op in een stukje België maar aan de Nederlandse kant van de draad, wat toch speciaal was. Tot voor kort vertelde ze ons nog levendig over de smokkelaars die met gevaar voor eigen leven smokkelwaar over en onder de draad vervoerden, maar ook over haar lieve hond die ze als klein meisje levend heeft zien verbranden toen die de draad raakte. Het zijn dingen die haar levenslang zijn bijgebleven.

Na haar lagere school in Sint-Laureins voltooide ze haar middelbare studies aan de Visitatie in Sint-Amandsberg. Op haar 25ste huwde ze met Oscar Rombaut, directeur van de Kredietbank in Zomergem maar afkomstig van de Kruipuit in Adegem. Ze kreeg tien kinderen, waarvan er tot haar grote spijt maar zes zijn kunnen opgroeien. Ze verloor 3 kinderen door vroeggeboorte, maar verloor ook een dochter tijdens de Tweede Wereldoorlog. In april 1944 nam ze de tram naar Gent om daar haar zes maanden oud dochtertje Hedwig te laten behandelen in het ziekenhuis voor een longontsteking. Daar hebben ze Erna echter terug naar huis gestuurd met haar baby omdat de dag voordien Merelbeke was gebombardeerd en men geen tijd en plaats had voor haar. Hedwig is in haar armen gestorven op de tram naar huis… Vorig jaar nog vertelde ze het aan Delphine en begon ze zachtjes te wenen. Het zijn gebeurtenissen die haar getekend hebben voor het leven en die ze zelfs na 70 jaar nog steeds verdriet gaven.

Nochtans was haar leven geen kommer en kwel, want buiten de oorlogsjaren heeft ze een lang, kleurrijk, gevuld en boeiend leven geleid, samen met haar man en zes kinderen. Na de Tweede Wereldoorlog verhuisde ze met haar gezin naar de Kloefkapperstraat, de huidige Alfons Sifferstraat, waar zij naast de zorg voor haar 6 kinderen samen met haar man, dag en nacht ijverde in het nieuw opgestarte filiaal van het Gemeentekrediet. In de haar weinig resterende vrije tijd vond zij er plezier in om kledij te naaien voor haar en de kinderen. Haar naaikamer lag vol met stoffen en patronen en van haar hand kwamen de mooiste stukken.
Na veertig jaar van inzet en hard werken, en nadat alle kinderen het huis uit waren, werd het bankkantoor overgedragen aan haar zonen Koen en Frank en verhuisde ze in 1975 naar de Guido Gezellestraat, waar ze samen met haar man en oudste dochter Lieva genoot van een welverdiend pensioen.
Vanaf dan kon ze tijd maken voor haar 13 kleinkinderen, die ze doodgraag zag. Als kleinkind herinner ik me dat we heel graag op bezoek kwamen, want er was altijd wel iets te beleven. Er waren de vele bloemen in haar tuin, er was het duivenkot van opa, en af en toe werd er cider gemaakt van de appels uit de boomgaard. En om vier uur kregen we steevast een glaasje limonade en een kommetje pudding of een stuk zelfgemaakte crème-au-beurre-taart.
Als ze aan het koken was hoorden we haar zingen tot in de living. Ze kookte graag, en haar specialiteit waren duifjes met zelfgemaakte kroketten. Ze luisterde ook veel naar muziek, vooral La Esterella, maar ook opera en belcanto.
Omdat Erna langs moederszijde van Nederlandse afkomst was, sprak ze geen dialect en ijverde ze er altijd voor dat de kinderen en kleinkinderen mooi Nederlands spraken. Zij moedigde haar kinderen ook aan om gebruik te maken van spreekwoorden en gezegden. Als er bijvoorbeeld iets niet zo goed ging zei ze ”al doende leert men” of “niet opgeven want oefening baart kunst “. Wanneer we ons ergens wilden vanaf maken klonk er ”willen is kunnen” of “waar een wil is een weg”.  Haar slagzin “problemen zijn er om opgelost te worden” demonstreerde haar nooit aflatend doorzettingsvermogen en werklust.
Ze voedde haar kinderen en kleinkinderen ook katholiek op. Voor elke maaltijd was er steeds een dankgebed. Ik herinner me goed toen we bleven logeren dat we steeds de 4 aktes opzegden voor we gingen slapen. Hier onder de preekstoel had ze haar vaste plaats tijdens de hoogmis op zondagvoormiddag, ook al kwam ze soms wel een beetje te laat.
Haar man Oscar overleed in 1991, waardoor ze alleen achterbleef met haar oudste dochter Lieva. Ondanks het feit dat ze intussen 80 was kon zij nog steeds goed haar plan trekken in het huishouden, en bleef ze nog heel actief bezig. Zo ging ze op haar eigen vraag voor mij met haar Toyota nog regelmatig langs bij oude klanten en vrienden van haar, waar ze bij de koffie en een stuk taart en passant nog geldzaken ging regelen en kasbons ging vernieuwen. Ze genoot daar echt van. Ook ging ze tot op hoge leeftijd nog jaarlijks op reis naar haar zus Angèle in Tenerife. Ze ging graag op reis, en het vliegtuig nemen schrok haar niet af.
Toen ze 97 was, na het overlijden van Lieva eind 2008, verhuisde ze naar het rust- en verzorgingstehuis Ave Maria in Sleidinge, waar ze goede zorgen kreeg en kon genieten van haar oude dag. Ze was daar een graag geziene gast, en las daar nog elke dag haar krant en veel boeken. Twee jaar geleden las ze zelfs nog een Frans boek, waarbij ze ons liet weten dat ze dit deed om haar Frans te onderhouden. Ze ging ook nog regelmatig kaarten bij tante Angèle in Knokke, of legde een kaartje met familie en vrienden in Ave Maria zelf. Ze genoot van het bezoek dat ze kreeg van haar kinderen en kleinkinderen en was steeds nieuwsgierig naar de bezigheden en schoolresultaten van haar achterkleinkinderen.
Tot op het einde mocht ze genieten van een goede gezondheid en bleef ze kranig en sterk. De laatste dagen echter werd ze stiller en doofde ze langzaam uit. Het was mooi geweest maar genoeg. Ze overleed stilletjes in haar slaap.

Ons mama en oma mag terecht een straffe madam genoemd worden.

We zullen haar dankbaar blijven gedenken, en haar stilletjes missen.

Afscheidsbrief (gelezen op de uitvaart)

Dag ma

Ik heb deze week al verschillende keren met de telefoon in mijn handen gestaan, omdat ik je wilde bellen. Zoals zondag, omdat dat verschrikkelijke herfstweer gigantisch op mijn zenuwen werkte, en dat ik wist dat dat bij jou ook zo was. Weet je, zelfs vorige dinsdag, toen ik om begrijpelijke redenen een zware dag had, dacht ik plots: “Sebiet bel ik efkes ons ma, gewoon om even te kletsen en stoom af te laten.” Niet dus.

Dat, ma, ga ik nog het meeste missen. Dat we elkaar belden voor de grootste stommiteiten, en dan meestal een half uur aan de telefoon bleven plakken.

Je belde me bijvoorbeeld om uitgebreid te vertellen over je avond bij Lut en Patrick, en hoe enorm de kaas je had gesmaakt. Of om te zeggen dat je in ’t terugkeren van de oogarts even bij de winkel was gestopt en een nieuw rokje had gevonden. Of dat jullie samen met je broers bij Barts hadden gezeten, en dat het zo een wijze avond was geweest. Of dat je met ons pa nog even aan ’t sas was gaan wandelen, en hoe jullie daar samen in de zon op het bankje hadden gezeten. En dat de yoga weer goed was geweest, maar dat je toch niet alle oefeningen meer mee deed, en dat je bijna in slaap gevallen was op de muziek van Enya op het einde. En dat Natuurpunt een vleermuiswandeling organiseerde, en of ik geen goesting had om mee te gaan.

Die telefoontjes miste ik telkens het meest toen je met ons pa op reis was, weet je. Maar dan wist ik: als ik nog een weekje wacht, krijg ik een ganse resem enthousiaste verhalen over de ochtopodi in dat ene Griekse restaurantje daar aan de kust op Kreta, of over het slechte weer op Gran Canaria en hoe jullie dan met de auto naar de andere kant van het eiland reden, omdat de zon daar wél scheen. En dat je me dan een ganse rote Grieks liet horen, in de veronderstelling dat ik dat ook nog altijd verstond, en dat je me verbeterde als ik het waagde om de klemtoon op pakweg Almodóvars naam verkeerd te leggen. Ik heb misschien wel aanleg voor talen, ma, maar jouw voorliefde voor zowel de Nederlandse taal als vreemde talen, die valt toch niet te overtreffen.

Maar evengoed vertelde je me over de beslissingen van de bibliotheekcommissie, of over een lezing van Markant die ongemeen interessant was geweest. Of hoe je het grondig oneens was geweest met een standpunt van de Noord-Zuidraad. Ach ma, daar had je ook van die heerlijke verhalen over, en die kwamen beetje bij beetje nog steeds opborrelen, over je inleefreis naar Guédiawaye, in Senegal. De stoten die je daar bent tegengekomen, en de verhalen van Mong, en hoe er geen licht was wanneer je ging slapen, dat soort dingen. Maar ook over alle problemen en miserie die je daar gezien hebt, en hoe je daar iets aan wilde veranderen. Daarom stond je er ook op dat je geen bloemen wilde vandaag, maar dat je liever had dat mensen dan maar iets stortten voor Plan Bobath, dat project in Senegal. Dat heb je altijd al gehad, ma. Je bent niet voor niets twee keer voor ettelijke weken naar Peru getrokken, om daar in het hooggebergte als vrijwilliger tanden te gaan trekken, omdat er voor die mensen daar geen enkele vorm van gezondheidszorg was. Heh, en dan belde je: “Ge moet nù kijken naar tv, want mijn project in Kuychi is blijkbaar gefilmd!” En dan gaf je vol heimwee en toch ook glinsteringen in je stem commentaar bij alles wat ze lieten zien: “Goh, kijk, dat huizeke, daar woonde zo’n oud ventje, zo ne lieve mens! En ziet ge daar dat gebouw? Dat was de post waar ik kon bellen naar huis!”

Dat ga ik missen, ma, zo van die random telefoontjes voor de zotste dingen. Of ik toch zeker niet vergeten was een kaartje te sturen naar oma voor haar 94ste verjaardag! En dat ik in de krant moest kijken, want er stond een interessant artikel in over keizer Augustus. En dat ons pa was gaan jagen, en dat hij er zo van genoten had, blijkbaar. En ik belde je dan voor je wafelrecept, of om te weten wat je van die laatste aflevering van Lewis had gevonden.

Op zondagavond belde je bijna altijd: dan vertelde je hoe Roeland was langs geweest met de kinderen, en dat de asperges die hij had klaargemaakt ronduit fantastisch waren geweest, en dat Marne toch een ongelofelijk kind was. En hoe Nand zoveel plezier kon hebben in zijn leven, en zo kon opgaan in zijn voetbal!
Of we hadden elkaar die week nog niet echt veel gesproken, en dan vertelde je over Alexander, en dat hij na school met opa aan de treins had gewerkt, of hoe hij een soortement douche had gefabriceerd met een oud stuk buis van het balkon naar beneden. En dat Marie-Julie in alle ernst commentaar had gegeven over je droge benen, en dat je die “maar beter een keertje kon insmeren, omamie”.

Ach, je kleinkinderen, ma, je zag ze toch zo graag. Ik kon je geen groter plezier doen dan te vragen of je zin had om met ons mee ergens naartoe te gaan. In de paasvakantie gingen we nog samen naar het MIAT, naar de emailtentoonstelling. Je legde Wolf het emailleringsproces haarfijn uit, toonde Kobe een hoop verschillende voorwerpen en waarvoor ze ooit gediend hadden, en wees Merel op van die kleine fijne detailtjes waar alleen meisjes op letten. En zij, zij hingen aan je lippen, en genoten van elk moment. En we lachten. Ach ma, wat hebben wij wat afgelachen samen. Ik weet niet hoe vaak wij ooit samen de slappe lach hebben gekregen, maar ik herinner me wel zo’n paar momenten, ja. Op de quiz, bij een compleet absurd antwoord, of in de Ardennen, toen opa’s laarzen vol water stonden, en hij er pieslaarzen van maakte. De kinderen spreken daar nog altijd over, want toen hebben we met zijn allen toch zeker een kwartier zitten schateren en is Kobe letterlijk omver gevallen van het lachen.

Ik vraag me soms af, ma, waar je de energie vandaan bleef halen. Serieus. Je kreeg ongeveer de zwaarst mogelijke chemotherapie, en wanneer ik dan belde om te vragen hoe je je voelde, zei je dat je moe was. En dan vertelde je dat je die dag eerst naar het containerpark was gereden met een hoop rommel, daarna naar de markt was geweest, dan gekookt en een was opgehangen, en dat je daarna het gras had afgereden en de haag een beetje had bijgesnoeid. En dan was je verwonderd dat jij, op je 70ste, een beetje moe was. Ik werd al moe bij de gedachte alleen al!

Maar jij, jij weigerde gewoon om ziek te zijn. Je ging er ook bijzonder nuchter mee om. Ik herinner me dat we samen op een terras zaten te eten, de dag na de eerste scans, een dik jaar geleden, en ook al was de diagnose van kanker nog niet gesteld, we wisten allebei dat het echt niet goed ging zijn. Ik keek naar jou, jij keek terug, en ik vroeg: “Euthanasie?” En jij knikte: “Uiteraard.” En dat was dat. Zover is het niet gekomen, is het niet kunnen komen, ma. Want hoe goed je dat jaar ook nog bent geweest, plots was het op. Gedaan. Je at nog nauwelijks, en ook al had je nog grootse plannen, je had er de kracht niet meer voor. Jeroen bracht je zaterdag naar het ziekenhuis, naar de spoed, en allemaal dachten we dat je er met de nodige baxters nog wel bovenop ging komen. Je was vastbesloten nog naar Wolfs communie te komen, maar op zondag, toen Jeroen met ons pa langs kwam, zei je dat je het gewoon niet kon. ’s Avonds zijn wij dan allemaal nog met de kinderen langsgekomen, om afscheid te nemen. Wij wisten dat, en jij wist dat. En je vond het zo ongelofelijk jammer. Je glimlachte naar de kinderen, knuffelde hen, wenste Wolf proficiat. En maandag… We bleven om beurten bij jou, ma, we wilden je niet alleen laten, en jij vond dat onzin. Maar ‘s avonds viel je in een diepe slaap, en daaruit ben je niet meer wakker geworden.
Roeland had je hand vast, toen je dinsdag gewoon ophield met ademen. Zonder gedoe. Net zoals je geleefd hebt, ma, praktisch en pragmatisch.

Weet je, ma, die laatste vrijdag, toen ik ’s avonds nog even langskwam om je te helpen in je bed te gaan, toen vroeg je je af of je wel een goede moeder was geweest. Ik was oprecht verontwaardigd  dat je dat durfde te vragen, dat je daar durfde aan twijfelen. We hebben allemaal onze fouten en zwakke kantjes, maar ik kon me geen betere moeder wensen, echt waar.

Je hebt er geen idee van hoe hard ik je ga missen. Hoe hard wij allemaal je zullen missen. Hoe hard we je nu al missen, ma.

Weet je, ik bel je nog wel. Ik weet dat ik misschien geen antwoord zal krijgen, maar in mijn hoofd zal ik je stem en vooral je lach horen, en dat zal me deugd doen. En nee, ma, ik zal niet bellen tijdens Thuis, beloofd.

Dag ma. Tot morgen, ik bel nog wel. Saluuu.

 

Gentblogt: het einde van een tijdperk

Ik ben al heel de dag redelijk emotioneel, en dat komt door Gentblogt.

Ik heb daar de laatste jaren bijzonder veel tijd in gestoken, met doorgaans zeer veel goesting, en soms ook uit puur plichtsbewustzijn, ik geef het toe. Maar het was aan het verwateren: steeds minder mensen die steeds minder schreven, en de paar commentaarders die er nog waren, waren verzuurde azijnpissers die zelfs in het meest positieve artikel wel iets vonden om op te kakken. Daardoor waren de positivo’s weggebleven, en soms maakte het me ook ongelofelijk moedeloos. Je steekt daar dan al je werk in, schrijft, plant, trekt foto’s, selecteert die zorgvuldig, probeert er een deftige layout aan te geven, en het enige wat je naar je kop krijgt, zijn bakken kritiek. Ofwel waren we te links – wie me kent, weet dat ik uit een blauwe familie kom – ofwel waren we voor het karretje van de stad gespannen, ofwel waren we een bende hipsters, ofwel werden we betaald door de mensen van het restaurant, ofwel waren we naieve klootzakken, of… Dat we liever geen negatieve recensies schreven, da’s waar: het internet is onverbiddelijk, en je wil dat meestal niet blijven meeslepen, en dus schreven we liever gewoon niks. Maar ik heb NOOIT gratis gegeten, of zelfs maar een dessertje of zo gekregen voor Gentblogt: het is niet dat we een perskaart op tafel legden of zo.

Gratis kaarten voor voorstellingen kregen we soms wel, maar ook niet in ruil voor een positieve recensie: we schreven altijd ons gedacht, ook als het slecht was.

Ik heb het doodgraag gedaan, ik heb de laatste Gentse Feesten zelfs de monsterplanning op mij genomen, en het laatste half jaar liep zowel de planning als de redactiebox voor het overgrote deel op mij. Omdat ik dat graag deed, let wel. Maar ook wel omdat er eigenlijk bijna niemand nog tijd en/of zin had om dat te doen. Het was ook soms krabben om aan het door onszelf opgelegde tempo van minstens een artikel per dag te komen, en vaak plukte ik dan zelf maar iets uit de redactiebox en brouwde er een aankondiging van. Mager als artikel, maar beter dan niks.

En dus besloten we er de stekker uit te trekken. Mijn hart kromp ineen toen we dat besloten, maar ik wist dat het moest: als ik er nog eens meer dan genoeg van had, wie ging dan overnemen? De volgende die er eigenlijk geen tijd voor had, maar het uit plichtsbesef toch maar deed? Neem daarbij dat Gentblogt ook wel wat geld kostte: niet zozeer de domeinnaam, maar wel de serverkosten en Sabam. We konden het nog wel een tijdje uitzingen, maar niet onbeperkt.

Dus ja, vandaag stopt Gentblogt, voor eeuwig de diepvries in. Het blijft als archief bestaan, daar heeft Michel voor gezorgd, zoals hij altijd al achter de schermen zorgde dat alles op rolletjes liep, en soms ook ganse tijden de planning deed. Maar ook hij heeft het druk, té druk.

Mijn afscheid op Gentblogt zelf kan je hier lezen.

En dan ga ik nu efkes mijn neus gaan snuiten.

Vaarwel, Jeroom

Ik herinner me nog hoe zenuwachtig ik was, Jeroom, toen ik jou voor het eerst ontmoette. Het was Barts proclamatie, en we gingen daarna eten in de Auberge du Pêcheur om het te vieren. Ik was amper eenentwintig, en hoe graag ik Bart ook zag, de eerste ontmoeting met mijn toekomstige schoonvader boezemde me angst in, ik geef het toe. Maar jij stelde me snel op mijn gemak, met die twinkelende ogen van je, terwijl je vrouw me de oren van het hoofd tetterde.

Je was zwijgzaam, toch in woorden. Je ogen vertelden me zoveel meer. We kregen al gauw een speciale band, jij en ik. Je had nooit dochters gehad, maar je zag me al snel als eentje, en behandelde me ook zo. Je gaf me goede raad, vaderlijk advies, wijze woorden, maar plaagde me ook dolgraag.

Ach, zoals je me op de boerderij achter een lunkijzer hebt doen zoeken! Nonkel Staf schaterde het uit, toen ik het hem kwam vragen, en jij lachte niet minder smakelijk, en sloeg me hartelijk op mijn schouder. En manipuleerde me nadien goedlachs tot het schilderen van een dikke ’15’ op nonkels brievenbus, of tot het bloedrood verven van de waterpomp. Je liet me met de tractor naar de weide rijden waar de koeien water nodig hadden, en je toonde wat ik precies moest doen.

Maar evengoed legde je me vol vuur uit wat nu precies de kwaliteiten van lycra waren, en glunderde als ik iets breide met de wol die je me gegeven had. En ik, ik had er een tweede vader bij. En samen hadden we soms genoeg aan een blik naar elkaar om Nelly op haar paard te zetten, en we genoten van zoveel ondeugendheid.

Toen de kinderen kwamen, glunderde je zo mogelijk nog meer. Je speelde met hen, leerde hen spelletjes, zong liedjes voor hen, en zette je huis vol foto’s. En zij, zij stormden door de voordeur naar binnen, op zoek naar hun bompa, en vlogen onmiddellijk in je armen.

“Van a ien, a twie, a dreie
a loederie loederie leie,
a loederie loederei flink flink flink
en dertien stoan der bij”

En toen sloeg het noodlot toe. Je vocht, met een moed en een verbetenheid die jou eigen waren, maar het mocht niet baten. De kanker bleek te sterk. Je wilde het nooit toegeven, je antwoordde altijd ‘Goed’ als we vroegen hoe het ging, maar eigenlijk wisten we allemaal dat het niet zo goed ging. En, uiteindelijk, dat het ook nooit goed meer ging komen.

Je hield contact met de wereld via je iPad, en begon me ook te volgen op twitter, waar je gretig commentaar leverde. Datzelfde gold voor mijn blogposts: je las ze met een onvoorstelbare aandacht, je gaf er commentaar op, en blijkbaar genoot je er enorm van. En ik, ik schreef eigenlijk voor jou. Bij elke nieuwe foto van Mereltje, of elk relaas van onze avonturen zat ik te wachten op wat je ging antwoorden. Of als we de zondag dan bij jou kwamen, wat je ervan ging zeggen. Ik maakte fotoboeken en kalenders voor je, kaderde foto’s in, en je was me er dankbaar voor.

Maar ik zag je ook achteruitgaan, en het was telkens een steek door mijn hart. Jij die moedig volhield, en dat lichaam van je dat niet mee wilde.

We zijn afscheid van je komen nemen, de kinderen en ik. Je hebt Kobe nog geknuffeld, je hebt Wolf geprezen om zijn mooie rapport, en Merel is nog op je schoot gekropen. En jij, jij hebt me bedankt omdat ik er ben voor Bart, en wat ik voor hem heb gedaan. Ik kon je geen antwoord geven, Jeroom. Mijn hart brak, en mijn stem wilde niet mee. Ik heb toen enkel je handen gegrepen, en moest me inhouden om ze niet plat te nijpen.

Ik ga je missen, Jeroom. Zo hard. Je was niet alleen mijn schoonvader, je was ook mijn maatje. Bart trekt zo hard op jou, zie je.

Ik zal je niet herinneren zoals ik je de laatste keer gezien heb. Of ook niet hoe de kist daar vandaag stond. In mijn hart ben je de vitale Jeroom met pretlichtjes in zijn ogen, en een glimlach om zijn mond. Zoals je ook echt was, en zoals je altijd voor mij zal blijven.

Vaarwel, Jeroom, waar je ook bent.