Proclamatie, die van Kobe, welteverstaan.

Die laatste schooldagen, die zitten altijd propvol gestampt. Het is dan ook altijd een geplan en geregel, kwestie van zelf overal op tijd te zijn, de kinderen intussen ook van eten te voorzien, en zorgen dat het allemaal op rolletjes loopt.

Vandaag moest ik op school zijn van 8.30 uur tot 12.00 uur, officieel. Ik heb rapporten uitgedeeld, examens laten inkijken, en dingen op orde gestoken.
En toen was er repetitie met de zesdes die spelen op de proclamatie, en was het dik twee uur tegen dat ik thuis was.
Ik geef het toe, ik heb een klein tukje gedaan. Tegen half vier waren de kinderen thuis, en tegen half vijf was ik weer op school, voor het oudercontact. Met de fiets, welbewust, want om kwart voor zeven – eigenlijk liep het tot half acht, maar ik had toestemming gekregen van de directie – ben ik te vierklauwens op mijn fiets gesprongen en naar Wondelgem gepeddeld, want om zeven uur begon Kobes proclamatie. Ik was net op tijd ^^

Hij speelde fagot, danste mee de Fortnight dansjes, en glunderde. Het is welletjes geweest voor hem, hij heeft het daar al meer dan een jaar gezien, maar hield dapper vol. Het is niet alsof hij niks wil leren, wel integendeel, maar het gaat hem allemaal veel te traag. Daarbij was hij nog maar eens al zijn vriendjes kwijtgespeeld doordat die allemaal in een andere klas zaten, jammer genoeg. Pas op, hij komt met iedereen overeen hoor, dat wel, maar da’s nog iets anders dan echte vriendschap.

Hij kijkt er dus ongelofelijk naar uit om aan een nieuw hoofdstuk te beginnen. Nieuwe vakken, nieuwe leraars, nieuwe school, nieuwe vrienden. Nieuwe teleurstellingen wellicht ook, maar bon, die nemen we er dan gewoon bij en lossen we wel op naargelang ze zich aandienen.

Mijn Kobe. Mijn speciaalste van de drie, maar ik zie hem ongelofelijk graag!

Zesdekes

Wanneer ik in ‘t stad een oudleerling tegenkom, die me vol enthousiasme en met een glinstering in zijn of haar ogen vertelt wat hij/zij nu aan het doen is, dan ben ik telkens weer trots dat ik elk jaar opnieuw zoveel jonge mensen mag zien uitgroeien tot prachtige volwassenen.
Maar ik moet het toegeven: de lichting van dit jaar ga ik toch nog extra missen. Ik vind het doodjammer dat ik ze vier maanden heb moeten afgeven aan een interimaris, want de band met deze groep was toch wel iets aparts.
Mijn zesdekes. Ze gaan toch altijd een beetje van mij blijven.

Malazan Book of the Fallen

Vorige week had ik ze eindelijk uit, de reeks ‘Malazan Book of the Fallen’ van Steven Erikson.
Ik had een goed jaar geleden op Facebook de vraag gesteld wat de mensen me zouden aanraden qua fantasy. Ik ben dan prompt de trilogie The Blade itself van Joe Abercrombie beginnen lezen, en daarna de hele reeks rond The Black Company, van Glenn Cook. Dat waren al tien stevige boeken, waar ik intens van genoten heb.

En toen kreeg ik de reeks Malazan Book of the Fallen aangeraden, met een duidelijke caveat: dat ik moest beseffen waar ik aan begon, want dat dat een stevige tijdsinvestering ging zijn. Ik keek even na, en jawel, 11216 pagina’s in van die kleine paperback edities. Maar bon, ik begon te lezen, en raakte er helemaal in meegesleept. Wat een taalgebruik! Wat een filosofische overpeinzingen! Wat een gigantische wereld, wat een plots, wat een meanderend verhaal dat dan toch weer samenkomt… Game of Thrones is er niks bij, en die heb ik nochtans ook graag gelezen.

Met andere woorden: lees je graag fantasy in het Engels, lees je veel, lees je snel, en heb je het ervoor over om een half jaartje aan het lezen te zijn of zo? Ga er dan voor: deze reeks is… overweldigend. Echt. Wow.

Zeg ma…

Zeg ma

ik dacht, ik bel nog rap efkes voordat ge aan het koken zijt, om u nen gelukkige moederkesdag te wensen.

Ja, ‘t feest van Alexander gisteren was goed he! En chance met dat weer jong! Echt! De kinders hebben de hele tijd buiten op dat springkasteel gezeten, hun voeten waren moordezwart.

Spijtig dat het vandaag zo aan ‘t regenen is: ik ging u anders gevraagd hebben of ge vanmiddag niet mee gingt naar ‘t Leen om naar de rododendrons te kijken, en de camelia’s, en dan daarna hier ne pot koffie te komen drinken met een stukske taart. De kinderen zouden dat wa wijs vinden, en ik ook. Ja, ‘t was aan de andere kant wel ne keer nodig dat het regende, het gras stond zo droog als wa, ik weet het, maar kondt da nu niet wachten tot morgen?

Allez, ik ga u laten koken en zelf nog wat verder verbeteren, ma. Ik bel u nog wel, he!

De lepeltheorie

Via via kwam ik het onderstaande tegen, en ik weet dat het een long read is, maar het geeft wel perfect weer wat het is om een chronisch probleem te hebben.
Mijn rug komt nooit meer goed, dat besef heb ik intussen wel, en dus moet ik hiermee leren leven. Wat me daarin het meest frustreert, is mijn beperking in energie. Als ik ‘s avonds nog een koorrepetitie wil doen, weet ik dat ik in de namiddag moet liggen, en niet nog snel een was opvouwen. Dat soort dingen. Bart zegt dat het ook met ouder worden te maken heeft, en dat zal wel, maar als je plots gehalveerd wordt in je mogelijkheden, doet dat pijn.

Maar lees het onderstaande, wil je?

Ik heb de ziekte van lyme. Iets wat ik tot voorheen liever niet met andere mensen deelde omdat dat vrijwel onmogelijk is. Chronische pijnklachten kun je niet uitleggen, evenmin als het gebrek aan energie en de totale uitputting die een chronisch lyme-patiënt vaak ervaart.

Ik heb wel eens geprobeerd het uit te leggen aan sommige van mijn vrienden, maar het is te moeilijk. Je moet het ervaren om het te begrijpen, neem ik aan. En dat is het ergste aan deze ziekte.

Laatst zat ik met een goede vriend te praten. Ineens keek hij me aan met een vreemde blik, starend, zonder verder te praten. Hij vroeg me zomaar, zonder aanleiding, hoe het voelt om chronische lyme te hebben en om ziek te zijn. Ik was ontzet. Niet alleen omdat de vraag zo onverwacht kwam, maar ook omdat ik dacht dat ik alles over chronische lyme al had verteld.

Ik begon wat te raaskallen over de link met depressies, antidepressiva, fysiotherapie en chronische pijn maar hij hield aan en leek niet tevreden te zijn met mijn antwoorden. Ik was een beetje verrast, omdat hij al een paar jaar een goede vriend van me was; ik dacht dat hij al lang alles wist over de medische kant van chronische lyme. Toen keek hij me aan met een blik, die ieder mens met een chronische aandoening heel goed kent, de uitdrukking van pure nieuwsgierigheid naar iets wat iemand die gezond is echt niet kan bevatten. Hij vroeg me hoe het voelde, niet lichamelijk, maar hoe het voelde om mij te zijn, zó te zijn.

Terwijl ik probeerde te kalmeren, keek ik rond naar iets om me te helpen, maar ook om tijd te rekken om te denken. Ik probeerde de juiste woorden te vinden. Hoe beantwoord ik een vraag die ik ook nog nooit voor mezelf heb kunnen beantwoorden? Hoe leg ik tot in detail uit hoe je iedere dag wordt beïnvloed door je een aandoening? Hoe maak je de emoties duidelijk waar een chronisch lyme-patient mee worstelt, aan iemand die gezond is? Ik had het op kunnen geven, een grapje kunnen maken zoals ik normaal doe en van onderwerp kunnen veranderen met een simpel:”Ach, gaat vast wel weer over”. Maar ik herinner me dat ik dacht: “Als ik niet probeer het hem uit te leggen, hoe kan ik dan van hem verwachten dat hij het begrijpt? Als ik het niet uit kan leggen aan mijn beste vriend, hoe kan ik mijn wereld dan uitleggen aan andere mensen?” Ik moest het op zijn minst proberen.

Op dat moment werd de lepeltheorie geboren. Snel graaide ik alle lepels van de tafel – en zelfs van de andere tafels. Ik keek hem in de ogen en zei: “Alsjeblieft, je hebt nu ook chronische lyme”. Een beetje verbaasd keek hij me aan, zoals de meesten zouden doen als ze een boeketje lepels in de hand kregen. De koude metalen lepels rinkelden in mijn handen terwijl ik ze bij elkaar pakte en in zijn handen legde.

Ik legde hem uit dat het verschil tussen ziek zijn en gezond zijn is, dat een ziek mens keuzes moet maken en constant moet nadenken over dingen, terwijl de rest van de wereld dat niet hoeft. Gezonde mensen hebben de luxe van een leven zonder die keuzes, een gift die de meeste mensen als vanzelfsprekend beschouwen.

De meeste mensen beginnen hun dag met een onbeperkte hoeveelheid mogelijkheden en energie om te doen wat ze maar willen, met name jongeren. Over het algemeen hoeven ze zich geen zorgen te maken over de effecten van hun bezigheden. Dus gebruikte ik de lepels om dit duidelijk te maken. Ik wilde voor hem iets om vast te houden en dat ik weg kon nemen, omdat de meeste mensen met een chronische ziekte een gevoel van verlies ervaren door de beperkte keuzes die ze hebben en de afstand die ze van bepaalde opties móeten nemen.
Als ik de controle van het wegnemen van lepels bleef houden, dan zou hij weten hoe het voelt als iemand of iets, in dit geval chronische lyme, je leven beheerst.

Enthousiast pakte hij de lepels aan. Hij had geen idee van wat ik aan het doen was, maar is altijd in voor leuke dingen, dus ik geloofde dat hij dacht dat ik een grapje maakte, zoals ik normaal gesproken doe bij gevoelige onderwerpen. Hij had niet in de gaten hoe serieus ik zou worden.

Ik vroeg hem de lepels te tellen. Hij vroeg waarom, en ik legde uit dat als je gezond bent, je verwacht een oneindig aantal lepels te hebben. Maar als je de dag zorgvuldig moet gaan plannen, moet je precies weten met hoeveel lepels je de dag start. Het is geen garantie dat je onderweg niet nog een paar lepels verliest, maar het helpt wel om te weten waar je vanuit kunt gaan. Hij telde: 12 lepels. Hij lachte en zei dat hij er meer wilde hebben. Ik zei: “nee, er zíjn er niet méér”. Ik wist meteen dat dit spelletje zou werken toen hij teleurgesteld keek – en we waren nog niet eens begonnen! Ik zei: “Ik wil al jaren meer lepels en heb nog geen manier gevonden om er meer te krijgen, dus waarom zou jij er wel meer krijgen?” Ik vertelde hem dat hij zich er altijd bewust van moest zijn hoeveel lepels hij nog had en dat hij ze niet mocht laten vallen, omdat hij nu chronische lyme heeft en dus spaarzaam met zijn lepels om moet gaan.

Ik vroeg hem, zijn dagelijkse bezigheden te vertellen, inclusief de simpelste dingen. Terwijl hij vertelde over alle dagelijkse en leuke dingen, legde ik hem uit dat iedere bezigheid een lepel zou kosten. Toen hij meteen vertelde over het op weg gaan naar zijn werk, onderbrak ik hem. Ik zei: “NEE! Je staat niet zomaar op. Eerst doe je moeizaam je ogen open, en je komt er achter dat je te laat bent doordat je slecht geslapen hebt. Je kruipt moeizaam uit bed en je moet eerst zorgen dat je een douche neemt en iets eet voor je iets anders kunt doen, want als je niets eet kost het je direct een lepel.” Ik nam snel een lepel weg en hij realiseerde zich dat hij nog niet eens was aangekleed.

Douchen, aankleden en (in mijn geval) opmaken kost een lepel, mede door het wassen van zijn haren en het bukken om vuile handdoeken in de wasmand te gooien.
In werkelijkheid zou het hoog reiken van de armen tijdens het haren wassen en het bukken om de kattenbakjes vol kattenvoer te gooien (plus het verversen van de drinkwaterbakken) wel eens meer kunnen kosten dan 1 lepel, maar dat liet ik maar even zitten. Ik wilde hem niet meteen bang maken. Ontbijten, alle spullen voor de lunch inpakken en het naar buiten rijden van de fiets kost ook een lepel.

Ik denk dat hij begon te begrijpen dat hij in theorie nog niet eens op zijn werk was en nog maar 10 lepels overhad. Toen legde ik hem uit dat hij de rest van zijn dag precies uit moest uitstippelen, want als de lepels op zijn, zijn ze ook echt op. Soms kun je de lepels van de volgende dag lenen, maar bedenk dan hoe moeilijk die dag zal zijn als je start met nog minder lepels. Ook moest ik uitleggen dat iemand met chronische lyme altijd leeft met de dreigende gedachte dat morgen misschien de dag is dat je weer een ergere pijnaanval hebt en dus meer last van je rug, nek, of andere lichaamsdelen. Dus je wilt nooit met te weinig lepels komen te zitten, omdat je nooit weet wanneer je ze echt nodig hebt. Ik wilde hem niet ontmoedigen, maar ik moest realistisch blijven en jammer genoeg is voorbereid zijn op pijnklachten een normaal onderdeel van een normale dag voor mij.

We namen de rest van de dag door en langzaamaan leerde hij dat te laat eten weer een lepel zou kosten, evenals boodschappen doen in de lunchpauze. Teveel en te zwaar tillen en te lang op de computer werken kost zelfs twee lepels. Hij werd gedwongen keuzes te maken en op een andere manier over dingen na te denken. Aan het eind van de dag waren er nog 4 lepels over. Na het fietsen naar huis waren dit er nog 3.

Theoretisch gezien moest hij zelfs de keuze maken om maar geen zware huishoudelijke klussen te doen (zoals stofzuigen, dweilen of de wasmand tillen) zodat hij die dag nog wel kon koken.

Toen we bij het einde van zijn doe-alsof-je-lyme-hebt-dag kwamen, zei hij dat hij honger had. Ik maakte hem erop attent dat hij nog warm moest eten, maar dat hij nog maar 3 lepels over had. Als hij zou koken zou hij geen energie (lepels) meer over hebben om de wasmand te dragen of te strijken. Toen zei ik tegen hem dat ik nog niet de moeite had genomen om hem in dit spel te vertellen dat hij inmiddels ook nog eens zo moe en misselijk was door de nek en rugpijn, dat koken al niet meer aan de orde was. Hij besloot de was op te vouwen en op te ruimen en soep te maken, omdat dat een makkelijke maaltijd was. (Beiden kostten hem 1 lepel).
Ik zei tegen hem dat het pas 19.00 uur was. Je hebt de rest van de avond nog maar 1 lepels, dus kun je misschien nog iets leuks doen of wat lezen of tv kijken. Je kunt ook bij iemand op visite gaan maar je lichaam heeft rust nodig dus je kunt het niet allemaal doen.

Zelden zag ik hem emotioneel, dus toen ik zag dat hij ontdaan was, wist ik dat ik waarschijnlijk tot hem was doorgedrongen. Ik wilde niet dat mijn vriend overstuur raakte, maar tegelijkertijd was ik blij dat iemand mij eindelijk een beetje begreep. Hij vroeg: “Hoe doe je dat? Moet je dit werkelijk iedere dag zo doen?” Ik legde hem uit dat sommige dagen slechter gaan dan andere; op sommige dagen heb ik meer lepels dan op andere. Maar ik kan het nooit achter me laten en nooit vergeten, ik moet er altijd bij nadenken. En heel af en toe verdwijnt er structureel een lepel, die je nooit meer terug krijgt. Ik gaf hem een lepel die ik stiekem achter de hand had gehouden. Ik zei simpelweg: “Ik leer langzaamaan om te leven met een extra lepel in mijn zak als reserve. Je moet altijd voorbereid zijn.”

Het is moeilijk. Het allermoeilijkste dat ik moet leren is om het kalm aan te doen en niet alles te willen doen. Daar vecht ik iedere dag tegen. Ik haat het buitengesloten te worden, thuis te moeten blijven terwijl ik weg zou willen gaan, dingen niet gedaan te kunnen krijgen omdat het niet gaat. Ik wilde dat mijn omgeving de frustratie voelde. Ik wilde dat ze begreep, dat alles wat iedereen doet zo gemakkelijk gaat, maar dat het voor mij honderd kleine taken zijn in één. Ik moet aan het weer denken, aan alle plannen voor die hele dag en wat voor impact het heeft op de lepels die ik misschien moet “lenen” van de dag erna, voordat ik iets kan gaan doen. Terwijl andere mensen gewoon dingen kunnen doen, moet ik erbij stilstaan en plannen alsof ik een strategie ontwikkel voor een oorlog. Het verschil tussen ziek en gezond zijn is die levensstijl. Voor gezonde mensen is er de wonderbaarlijke vrijheid om niet hoeven te denken maar gewoon te doen. Ik mis die vrijheid. Ik mis het nooit lepels te hoeven tellen.

Nadat we allebei wat emotioneel waren en we er wat langer over doorpraatten, merkte ik dat hij verdrietig was. Misschien begreep hij het eindelijk. Misschien realiseerde hij zich dat hij nooit oprecht zou kunnen zeggen dat hij het écht helemaal begreep. Maar hij zou tenminste niet meer klagen, als ik weer eens niet met hem weg kon gaan of wanneer ik erop stond dat uitstapjes standaard gevolgd worden door een dag rust. Of wanneer ik niet vaak bij hem langs kan gaan en hij steeds bij mij moet komen. Ik probeerde hem gerust te stellen. Ik had die ene lepel nog in mijn hand en zei: “Maak je geen zorgen. Ik zie dit als een zegen. Ik ben gedwongen over alles wat ik doe na te denken. Weet je wel hoeveel lepels sommige mensen iedere dag verspillen? Ik heb geen ruimte voor verspilde tijd of verspilde lepels, ik heb er nu voor gekozen deze tijd met jou door te brengen.”

Het origineel is geschreven door Christine Miserandino. De vertaling naar het Nederlands is door stichting Stomaatje.

Vrouwendag

Tsja, het zal wel, zeker? Ik ben nu niet bepaald een echte feministe, maar ook geen doetje: ik sta als vrouw wel degelijk mijn mannetje. Ik baal van die stereotypen, maar dan ook in beide richtingen, want ook mannen worden wel eens compleet verkeerd begrepen. En ik werk gelukkig in een sector waar mannen en vrouwen gewoon gelijk betaald worden, zonder meer.

Maar toch zijn er van die kleine dingen waar ik dan oprecht blij van word. Zoals dit in de leraarskamer, van onze leerlingenbegeleider:

Er is hoe dan ook nog werk aan de winkel, niet alleen wereldwijd, maar ook hier in ons land. Of hoe mensen dus nog altijd verbaasd reageren wanneer ik vertel dat ik degene ben die een rolluik repareer, terwijl Bart kookt. Dat ik daarnaast evengoed een fervent breister en haakster ben, alsof het ene het andere zou uitsluiten.

En dus ging ik vandaag met mijn dochter naar de autokeuring met Barts auto. Niet omdat ik daar nu toevallig meer van weet dan hij, maar gewoon omdat hij als CEO daar gewoon geen tijd voor heeft, terwijl ik momenteel nog steeds halftijds werk en dit soort dingen makkelijker kan inplannen. Ik heb meteen Merel een paar basisprincipes van een auto uitgelegd, waar de mannen van de keuring – jawel, de vrouwen daar zitten allemaal in de administratie – eigenlijk wel om moesten lachen. Of zoals de ene tegen de andere zei: “Kijk, die madame weet meer van auto’s dan onze nieuwe werknemer!” En ook dat blijkt een grappig gegeven te zijn, grappiger dan wanneer ik een man was geweest.

Die stereotypen, daar moeten we dus vanaf, maar we mogen ze ook niet in de andere richting laten doorslaan. Mijn dochter speelt nu eenmaal graag met poppen en ziet graag roze. Dat kan en mag volledig, zo lang ze zich daar maar niet gepusht in voelt, en ook de mogelijkheid krijgt om met andere, zogezegd jongensachtige dingen te spelen.

Zo lang ik dus maar een breiwerkje mag meenemen in mijn rugzak op de moto, samen met de zelfgebakken cakejes als traktatie in de gevechtstraining. Dat soort dingen.

Een bijzonder vreemde, emotionele dag…

Het begon met een sneeuwtapijt dat nog van gisteren was blijven liggen: om half negen zag alles nog wit, maar gelukkig waren de wegen best wel berijdbaar.

Gelukkig, want ik moest om half tien in Eeklo staan, in de Oostveldkerk, voor een van de droevigste dagen (mag ik hopen) van dit jaar. De kerk zat stampvol voor Klaartje, en de dienst was ongelofelijk aangrijpend en emotioneel. Mijn hart ging uit naar mijn nonkel Bart en hun vier kinderen, en Bart gaf me een enorme knuffel toen ik hem heel even mijn deelneming betuigde na afloop.

Ik zag het niet zitten om al onmiddellijk naar huis te gaan, ik wilde even uitwaaien en mijn gedachten ordenen, en dus ging ik eventjes geocachen. De sneeuw was intussen helemaal verdwenen…

Gelukkig was er thuis de warmte van het gezin en het eten dat Bart voor me gekookt had, en dat hielp, al voelde ik wel dat ik een pak stiller was dan anders. De kinderen waren dan ook extra lief.

En toen, plots, hoorde ik gekwaak. “Kijk mama, wat doen die eenden in onze tuin?” Jawel, een koppel eenden had zijn toevlucht gezocht op ons terras, en we konden het dan ook niet laten om hen te voederen. Niet al te veel, natuurlijk, want dat is niet goed voor hen, maar ze waren dat wel duidelijk gewoon, ze kwamen zelfs heel erg dicht.

Het vrouwtje was zelfs ronduit nieuwsgierig naar wat we binnen aan het doen waren, en of daar niet meer brood te rapen viel.

En ‘s avonds, toen keken we gewoon met zijn allen samen naar een film, met de gordijnen dicht, wat kaarsen, en een stapel heerlijke dekentjes.

Santjes

Dat het er eigenlijk een beetje te veel werden, al die doodsprentjes die ik perse boven mijn bureau wilde hangen. Ons ma, uiteraard, en Els. En ook nog altijd Vic. En ergens anders in huis stonden er ook nog van mijn grootvader, en van Jeroom, en…

Ik heb dan maar een kader gekocht waarin je meerdere foto’s kwijt kan. Ik was al een tijdje op zoek naar een deftige, en toen zag ik dit exemplaar in de Aldi liggen. Jawel, den Aldi, begot.

IMG_4190

Sommige dagen kijk ik naar de foto’s met melancholie, maar meestal met een glimlach. Voor mij is het glas nu eenmaal halfvol, en dus denk ik bij de ene aan lunkijzers en twinkelende oogjes, bij de andere aan “Oas het beweegt, klopt erop!”, bij de derde aan kalk en sulferblomme, bij nummer vier aan appeltaart en roste centjes, bij de volgende aan “baculum putens”, en bij de nieuwste aan grandioze zangpartijen met de nichten uit Philippine. En ons ma, dat blijven de gigantische lachbuien en hilarische momenten.

Allemaal verdienen ze een plaatsje op mijn bureau, en allemaal doen ze me glimlachen, stuk voor stuk. Vergeten zal ik ze nooit.

Terugblik

Nee, sorry 2017, je was het toch niet. Na een slecht 2015 en een rampzalig 2016 had ik gehoopt dat jij je wat ging herpakken, maar helaas. Het werd er eigenlijk allemaal niet beter op.

Mijn persoonlijke dieptepunt, met een enorm impact op mijn leven, was uiteraard mijn rug: de diagnose van spondylolisthesis zorgt ervoor dat ik al bijna drie maanden thuis zit, en het eind daarvan is nog niet in zicht. Het blijft zelfs maar de vraag of het ooit nog goed komt. Een tweede, grote negatieve invloed was Wolfs rug, met als grandioos dieptepunt zijn ziekenhuisopname. Is er al beterschap in zicht? Eigenlijk niet…

En dat waren natuurlijk niet de enige minpunten. Ons pa werd namelijk met een lichte hartaanval en een zware manie opgenomen in het ziekenhuis, Wolf viel met zijn fiets en brak een beentje in zijn hand. Mijn voet werd geopereerd voor een goedaardig gezwel, en ik bleef ons ma missen… Els stierf, en ik was daar compleet ondersteboven van. Nog steeds, eigenlijk. Barts dure fiets werd gepikt, en ik sloeg in de knoop met een tand.

Waren er dan alleen maar slechte dingen, 2017? Bijlange niet! We maakten een hoop uitstapjes, al was dat wat minder met Wolfs rug. We gingen op de tweede januari voor een paar dagen naar de Ardennen, in de sneeuw. Dat we daar ohne Schneereifen grandioos vastzaten, daar kunnen we intussen hartelijk om lachen. Ik mocht naar de presentatie van de Nintendo Switch in Brussel, en we kregen zowaar ons pa naar de Ikea. Merel deed haar eerste communie, en we hadden een zalig buitenfeest. Bart en ik trokken 4 dagen naar Kopenhagen, en ik zat twee dagen in Dordrecht met de Vosjes. Bart en ik gingen een dag naar Antwerpen met Kobe en Merel, en ik liep een dagje met Merel op de Gentse Feesten. We gingen naar Oceade voor Kobes verjaardag, en hij kreeg thuis ook nog een feestje. We spendeerden een zalige middag met picknick in het Middelheimmuseum, en zaten een hete zomerdag met vrienden aan de Blaarmeersen. De volgende hete zomerdag zaten we met Veronique aan de vijver, en op zondag verkenden we de Verbeke Foundation. Met Bart ging ik naar het W-Festival, en de dag erna met Lieven naar Front 242. We zaten nog een weekje in de Ardennen, eindigden in Tongeren, en ik ging naar Cirque du Soleil. Ik genoot intens van Ode Gand, en vaarde nog eens in Gent op de pedagogische studiedag. Ik ging eten met mijn lief in Publiek, en woonde een Steamlunch bij.

We gingen uiteraard ook dit jaar geocachen: in de sneeuw in de Ardennen, rond Gentbrugge in de vrieskou, een half dagje Brussel, een ganse tocht in Belzele, in en rond het Citadelpark, de hele fijne ronde van Meetkerkse Moeren, 44 caches in Kopenhagen, een fikse wandeling in Neufchâteau, een tocht rond Luc De Vos in Wippelgem, een aantal caches in Oostakker. We leerden een achterneefje cachen met de tocht van de Gentse veerboten, maakten een tocht bij het Drongengoed, pikten er een hoop op in de Ardennen, én in Monschau. Ik liep met Merel in Kalken, deed een paar mysteries, wandelde in Lovendegem, deed een prachtige tocht in Zelzate, werd natgeregend in Stoepe, vulde springuren in Vinderhoute, in Drongen, in het park naast de school, en deed het toertje van de Bourgoyen. Kobe en ik cachten in Mechelen, ik liep rond het kasteel van Wippelgem, ging cachen in Sas van Gent, en was de eerste bij een nieuwe cache in Sleidinge. Er was de Campagne, en een fantastische cacher onderhield al mijn caches. We eindigden met een paar caches in Zomergem en Ursel. Tussendoor waren er natuurlijk ook veel losse caches. Het doel was om tegen het einde van het jaar 500 caches te halen, maar mijn rug stak daar een stokje voor: we sloten af op 455.

Af en toe lukte het me zelfs om sociaal te zijn, of op zijn minst iets bij te leren: een lezing op school over microbiologie, een ongelofelijk fijne avond in het S.M.A.K., een avond walgelijk slecht toneel, een lezing over ethiek, twee zangen uit de Odyssea, en Gwen die bij ons kwam in de paasvakantie. Met Gwen ging ik ook een fijne zomerse lenteavond in ‘t stad iets eten, ik ging luisteren naar Yanick over Martha Nussbaum, en we hadden gasten die zelf gasten hadden. Ik ging zelfs naar een verjaardagsfeestje, ging nog eens eten met Gwen, ging eindelijk langs bij Peter, en speelde vuurheks bij Véronique. Er was nog een verjaardagsfeestje, Annick kwam langs (en nog een hoop andere mensen tijdens mijn ligperiode) en zelfs een groepje zesdes, Nathalie en Kim, en ik vergezelde Bart naar een persconferentie. Peggy kwam eten, en ik ging eten met Sophie, en ik ging zelfs zélf op ziekenbezoek. Met Gwen ging ik nog eens ontbijten, en met Annick waande ik me in Fawlty Towers.

Larps waren er natuurlijk ook: een mini van Omen met Wolf erbij, Ankoria 15 met Kobe en Merel, Vortex met Wolf, Omen VII. Haven ging helaas niet met mijn rug, maar de Vossen waren er wel. Omen VIII lukte nog net.

En dan waren er nog de kleine(re) dingetjes die me vaak onredelijk blij maakten. Een nieuwe Fitbit, bijvoorbeeld, en het feit dat de school eindelijk een nieuwe website heeft! Een goed boek, een random ontmoeting met een boekenfreak, eekhoorntjes in de bomen naast de school, of een nieuwe zetel. Ik zong tweemaal de Johannespassie, kocht nieuwe tuinmeubels en keukenstoelen, en ons pa ging eindelijk naar een psychiater. Met succes. We kregen een nieuw katje, en ik kocht een bolderkar. We plukten bramen, ik kocht een fiets, en mijn moeders ring was eindelijk aangepast. Er was een nieuw koor, ik schafte me een Switch aan, en er viel stevige sneeuw.

Ja, 2017, je had veel goeie dingen in je, en ik heb heel veel fijne dingen gedaan. Maar mijn rug en die van Wolf overschaduwden toch zowat alles, moet ik toegeven.

Ik hoop dat ik die negatieve punten van je snel mag vergeten, en ik wens dat je de fijne momenten doorgeeft aan 2018. Dat het jou toch tenminste een klein beetje mag overtreffen… Het is genoeg geweest, 2017.

Straatgedichten

Als je erop begint te letten, is er eigenlijk ongelofelijk veel poëzie in het straatbeeld. Gent spant de kroon met zijn restanten van de poëzieroute uit een ver verleden. Maar het blijft leuk om die pareltjes te ontdekken. Maar ook overal elders duikt er poëzie op. Dit is wat ik verzamelde in 2017, en misschien ook nog wel 2016.

Blijkbaar was er in het najaar iets met gedichten in etalages in Gent. Ik heb er maar een paar gefotografeerd, eigenlijk…

Onderstaand gedicht staat aan de Zwadderkotmolen in de buurt van Oudenaarde.

IMG_3151

Dit is dan weer een overblijfsel van de poëzieroute, en is te vinden aan de voet van het Belfort in Gent.

IMG_0414

Nog eentje aan het begin van de Oude Houtlei, naast Café Labath:

IMG_9218

Dit hangt aan de kerk in Ursel:

IMG_1160

Gespot op de veerboot van Langerbrugge:

IMG_1592

Op het domein De Campagne in Drongen:

IMG_2981

Ergens in Kopenhagen. Misschien eerder spreuk dan gedicht, maar bon.

IMG_3342

Temidden van de Zomergemse velden:

IMG_1652