Binnen…

Ik had Wolf beloofd dat ik nog even met hem tot aan school ging rijden om 8.00 uur, zodat hij nog afscheid kon nemen van zijn vrienden. Plots weggaan van school en je vrienden achterlaten, het is niet niks. Ze stonden hem allemaal op te wachten, en hij had het eventjes lastig, hoorde ik achteraf.

Maar om half tien stapten we de auto in, Bart, Wolf en ik, met een grote tas met spullen, en reden dus naar De Haan. Wolf werd er definitief ingeschreven, kreeg een kamer toegewezen van de opvoedster, en en we installeerden hem. Enfin, zoveel was er niet te installeren, we hadden niet echt zoveel mee, hij vond dat het wel moest groeien.
Daarna moesten we wachten op de dokter, die écht wel op zich liet wachten. Gelukkig konden we intussen rustig in de leefgroep zitten, kregen we nog een hoop extra informatie en kreeg Wolf zijn uniform: T-shirts, een felblauwe sweater met logo – zijn favoriete blauw – en een mottige trainingsbroek.
Na een uur kwam eindelijk die dokter af, voor een kort gesprek,  en konden we Wolf gaan inschrijven in het Lyceum. Bart nam de paperassen voor zijn rekening, terwijl ik een gesprek had met de leerlingenbegeleider over de concrete werking. Het zal toch grotendeels via mij gaan, aangezien ik zelf lesgeef op het KAM.

Om half een waren we terug in de leefgroep, maar Wolf wilde liefst eerst gaan liggen, hij was kapot van de pijn, en daarna pas eten. We namen afscheid, knuffelden nog even intens, en weg was hij…

Bart en ik gingen dan maar iets eten, maar eigenlijk miste ik Wolf dan al. Het hielp ook niet dat ik hem eerder had gezegd dat het wel ging meevallen, dat ik ook op internaat had gezeten, en dat dolgraag had gedaan. Hij had daarop geantwoord: “Ja, mama, maar jij was niet graag thuis! Jij had altijd ruzie met je broer, en oma en opa maakten ook voortdurend ruzie. Ik zie mijn broertje en zusje doodgraag en we komen goed overeen, en jullie twee zijn super, waardoor ik eigenlijk ongelofelijk graag thuis ben…” Tsja…

Tegen drie uur waren Bart en ik weer thuis, na een voornamelijk stille rit. Ik ga hem missen, mijn grote zoon, ook al weet ik dat hij het daar prima zal hebben, en dat ze na verloop van tijd hem ook van zijn pijn kunnen afhelpen. Hij kan nergens beter zijn, en toch zou ik hem liever thuis hebben. Tsja, niet zo vreemd, zeker?

Kasten opvullen…

“Mama, ik heb bijna geen kleren meer, en geen enkele korte broek!”
“Wolf, zevert niet, uw kast ligt vol!”
“Euh da’s allemaal te klein…”
“Daar geloof ik geen barst van!”
Stoomt naar boven, trekt die kast open, ziet dat die vol ligt, begint stapels te pakken en Wolf te sommeren die aan te trekken.

Kwartier later: Wolf heeft nog drie lange broeken (waaronder één scoutsbroek) en vier T-shirts, de rest van zijn kast is leeg.

Moeder zucht, laadt het verzamelde kroost in de auto, rijdt naar de Ikea, eet daar, koopt nieuwe glazen, matjes en een hoop andere Ikeabrol, en gaat dan op zoek naar kleren.

Het plan was om langs de Kortrijksesteenweg in Sint-Denijs naar de C&A te gaan, maar blijkbaar heb ik me grondig vergist, en is er daar geen winkel (meer). Ik heb dat maar vastgesteld toen we eigenlijk al een heel eind op weg waren, en toen besloten we om maar door te rijden tot in Deinze en daar naar de C&A te gaan. Juist. Blijkbaar is die daar gelokaliseerd in een een klein winkelcentrum, dat standaard dicht is op maandag. Serieus zeg! Alleen de Zeb is er open, en Wolf heeft daar dan drie T-shirts van Jack&Jones gevonden.

In de rest van Deinze was ook niet zo veel winkel te vinden, zodat we er drie caches hebben gezocht en dan maar terug gereden zijn. Het plan was om dan langs de Kortrijksesteenweg nog even in de Brantano binnen te springen, maar die zijn we al tetterend blijkbaar rats voorbij gereden. Tsja…
(EDIT: die is er blijkbaar gesloten, het wordt – of is – een Aldi)

Uit pure balorigheid zijn we dan naar de C&A in de Roggestraat gereden, aan de Wondelgemstraat, en daar hebben we maar liefst 19 stuks gevonden, voor een totaal van 264 euro. Ik vind dat een schoon gemiddelde…

Wolf kreeg nog twee T-shirts, twee hele wijze hoodies van 9 euro ‘t stuk – kan toch ook geen propere productie zijn, toch? – twee lange broeken en drie korte broeken, en een vree wijs hemdje. Pui en wegelink. Kobe kon ook wel een aantal nieuwe broeken gebruiken, en kreeg prompt ook twee lange broeken en drie korte broeken, en een felrode broek voor zijn lentefeest. En Merel kreeg een set van twee nieuwe flodderkleedjes, twee shortjes en een prachtige hoed.

De kasten waren meteen weer gevuld se! Mijn pijp was wel compleet uit, maar bon, dat hebben we dan ook weer gehad.

Een korte familiebrunch…

Elk jaar opnieuw is er de familiebrunch met de familie van mijn ma. Er werd dit jaar even getwijfeld of het wel zou doorgaan, zo kort na het overlijden van Klaartje, maar bon, we zien elkaar al zo weinig…
Tegen twaalven stond ik dus in Ursel: ik was alleen gereden, Bart was al ietsje eerder vertrokken met de kinderen in zijn nieuwe auto. We wilden met twee auto’s rijden omwille van Wolf, en ik maakte van de gelegenheid gebruik om nog snel een cache op te pikken in Zomergem.

Om eerlijk te zijn: ik heb het niet zo op familiebijeenkomsten. Ik heb het sowieso al niet op bijeenkomsten, ik vind dat verschrikkelijk uitputtend, en je familie kies je dan ook nog niet zelf…
Enfin, ik zat goed en wel aan het dessert, toen Wolf liet verstaan dat het niet meer ging. Eerst ging Bart met hem naar huis rijden, maar eigenlijk was die in een interessant gesprek verwikkeld en zat ik toch niks te doen, zodat ik met Wolf naar huis gereden ben. Mijn rug vond het niet erg…

Tegen vijven waren ook Bart en de kinderen thuis, en kon er nog vrolijk gerolschaatst worden. Ha ja, de dag was in de gietende regen begonnen, maar allengs was het opgeklaard en tegen de late namiddag was het zalig buiten. Ik had zelfs nog snel een was gedaan en opgehangen.

Paastoernooi, toch heel even

‘t Was ne zodanig koude Pasen, dat we echt geen zin hadden om voor de middag nog iets te doen. Zo’n uitslaap- en nietsdoenzondag, weetjewel.

Na de middag hebben we ons nochtans opgepakt, en zijn de kinderen en ik even tot aan het rugbypaastoernooi gegaan. Ik had Wolf wel op voorhand beloofd dat we zo lang gingen blijven als hij zag zitten, en als dat maar een half uurtje was, so be it.

We hebben even naar een 7s dames België-Nederland gekeken, en zijn dan nog even gaan kijken hoe onze eigen U16 het deed tegen een andere ploeg. Hun eerste overwinning van het toernooi, zo blijkt. Daarna wandelden we terug naar de hoofdterreinen, stond ik nog even te praten met mannen van de oude garde, en toen liet Wolf weten dat het echt wel genoeg was.

Een half uurtje. Dat is wat mijn dappere veertienjarige aankan, helaas. En geloof me, hij heeft zich daarvoor echt geforceerd.

Mijn hart bloedt voor mijn zoon, echt waar.

De lepeltheorie

Via via kwam ik het onderstaande tegen, en ik weet dat het een long read is, maar het geeft wel perfect weer wat het is om een chronisch probleem te hebben.
Mijn rug komt nooit meer goed, dat besef heb ik intussen wel, en dus moet ik hiermee leren leven. Wat me daarin het meest frustreert, is mijn beperking in energie. Als ik ‘s avonds nog een koorrepetitie wil doen, weet ik dat ik in de namiddag moet liggen, en niet nog snel een was opvouwen. Dat soort dingen. Bart zegt dat het ook met ouder worden te maken heeft, en dat zal wel, maar als je plots gehalveerd wordt in je mogelijkheden, doet dat pijn.

Maar lees het onderstaande, wil je?

Ik heb de ziekte van lyme. Iets wat ik tot voorheen liever niet met andere mensen deelde omdat dat vrijwel onmogelijk is. Chronische pijnklachten kun je niet uitleggen, evenmin als het gebrek aan energie en de totale uitputting die een chronisch lyme-patiënt vaak ervaart.

Ik heb wel eens geprobeerd het uit te leggen aan sommige van mijn vrienden, maar het is te moeilijk. Je moet het ervaren om het te begrijpen, neem ik aan. En dat is het ergste aan deze ziekte.

Laatst zat ik met een goede vriend te praten. Ineens keek hij me aan met een vreemde blik, starend, zonder verder te praten. Hij vroeg me zomaar, zonder aanleiding, hoe het voelt om chronische lyme te hebben en om ziek te zijn. Ik was ontzet. Niet alleen omdat de vraag zo onverwacht kwam, maar ook omdat ik dacht dat ik alles over chronische lyme al had verteld.

Ik begon wat te raaskallen over de link met depressies, antidepressiva, fysiotherapie en chronische pijn maar hij hield aan en leek niet tevreden te zijn met mijn antwoorden. Ik was een beetje verrast, omdat hij al een paar jaar een goede vriend van me was; ik dacht dat hij al lang alles wist over de medische kant van chronische lyme. Toen keek hij me aan met een blik, die ieder mens met een chronische aandoening heel goed kent, de uitdrukking van pure nieuwsgierigheid naar iets wat iemand die gezond is echt niet kan bevatten. Hij vroeg me hoe het voelde, niet lichamelijk, maar hoe het voelde om mij te zijn, zó te zijn.

Terwijl ik probeerde te kalmeren, keek ik rond naar iets om me te helpen, maar ook om tijd te rekken om te denken. Ik probeerde de juiste woorden te vinden. Hoe beantwoord ik een vraag die ik ook nog nooit voor mezelf heb kunnen beantwoorden? Hoe leg ik tot in detail uit hoe je iedere dag wordt beïnvloed door je een aandoening? Hoe maak je de emoties duidelijk waar een chronisch lyme-patient mee worstelt, aan iemand die gezond is? Ik had het op kunnen geven, een grapje kunnen maken zoals ik normaal doe en van onderwerp kunnen veranderen met een simpel:”Ach, gaat vast wel weer over”. Maar ik herinner me dat ik dacht: “Als ik niet probeer het hem uit te leggen, hoe kan ik dan van hem verwachten dat hij het begrijpt? Als ik het niet uit kan leggen aan mijn beste vriend, hoe kan ik mijn wereld dan uitleggen aan andere mensen?” Ik moest het op zijn minst proberen.

Op dat moment werd de lepeltheorie geboren. Snel graaide ik alle lepels van de tafel – en zelfs van de andere tafels. Ik keek hem in de ogen en zei: “Alsjeblieft, je hebt nu ook chronische lyme”. Een beetje verbaasd keek hij me aan, zoals de meesten zouden doen als ze een boeketje lepels in de hand kregen. De koude metalen lepels rinkelden in mijn handen terwijl ik ze bij elkaar pakte en in zijn handen legde.

Ik legde hem uit dat het verschil tussen ziek zijn en gezond zijn is, dat een ziek mens keuzes moet maken en constant moet nadenken over dingen, terwijl de rest van de wereld dat niet hoeft. Gezonde mensen hebben de luxe van een leven zonder die keuzes, een gift die de meeste mensen als vanzelfsprekend beschouwen.

De meeste mensen beginnen hun dag met een onbeperkte hoeveelheid mogelijkheden en energie om te doen wat ze maar willen, met name jongeren. Over het algemeen hoeven ze zich geen zorgen te maken over de effecten van hun bezigheden. Dus gebruikte ik de lepels om dit duidelijk te maken. Ik wilde voor hem iets om vast te houden en dat ik weg kon nemen, omdat de meeste mensen met een chronische ziekte een gevoel van verlies ervaren door de beperkte keuzes die ze hebben en de afstand die ze van bepaalde opties móeten nemen.
Als ik de controle van het wegnemen van lepels bleef houden, dan zou hij weten hoe het voelt als iemand of iets, in dit geval chronische lyme, je leven beheerst.

Enthousiast pakte hij de lepels aan. Hij had geen idee van wat ik aan het doen was, maar is altijd in voor leuke dingen, dus ik geloofde dat hij dacht dat ik een grapje maakte, zoals ik normaal gesproken doe bij gevoelige onderwerpen. Hij had niet in de gaten hoe serieus ik zou worden.

Ik vroeg hem de lepels te tellen. Hij vroeg waarom, en ik legde uit dat als je gezond bent, je verwacht een oneindig aantal lepels te hebben. Maar als je de dag zorgvuldig moet gaan plannen, moet je precies weten met hoeveel lepels je de dag start. Het is geen garantie dat je onderweg niet nog een paar lepels verliest, maar het helpt wel om te weten waar je vanuit kunt gaan. Hij telde: 12 lepels. Hij lachte en zei dat hij er meer wilde hebben. Ik zei: “nee, er zíjn er niet méér”. Ik wist meteen dat dit spelletje zou werken toen hij teleurgesteld keek – en we waren nog niet eens begonnen! Ik zei: “Ik wil al jaren meer lepels en heb nog geen manier gevonden om er meer te krijgen, dus waarom zou jij er wel meer krijgen?” Ik vertelde hem dat hij zich er altijd bewust van moest zijn hoeveel lepels hij nog had en dat hij ze niet mocht laten vallen, omdat hij nu chronische lyme heeft en dus spaarzaam met zijn lepels om moet gaan.

Ik vroeg hem, zijn dagelijkse bezigheden te vertellen, inclusief de simpelste dingen. Terwijl hij vertelde over alle dagelijkse en leuke dingen, legde ik hem uit dat iedere bezigheid een lepel zou kosten. Toen hij meteen vertelde over het op weg gaan naar zijn werk, onderbrak ik hem. Ik zei: “NEE! Je staat niet zomaar op. Eerst doe je moeizaam je ogen open, en je komt er achter dat je te laat bent doordat je slecht geslapen hebt. Je kruipt moeizaam uit bed en je moet eerst zorgen dat je een douche neemt en iets eet voor je iets anders kunt doen, want als je niets eet kost het je direct een lepel.” Ik nam snel een lepel weg en hij realiseerde zich dat hij nog niet eens was aangekleed.

Douchen, aankleden en (in mijn geval) opmaken kost een lepel, mede door het wassen van zijn haren en het bukken om vuile handdoeken in de wasmand te gooien.
In werkelijkheid zou het hoog reiken van de armen tijdens het haren wassen en het bukken om de kattenbakjes vol kattenvoer te gooien (plus het verversen van de drinkwaterbakken) wel eens meer kunnen kosten dan 1 lepel, maar dat liet ik maar even zitten. Ik wilde hem niet meteen bang maken. Ontbijten, alle spullen voor de lunch inpakken en het naar buiten rijden van de fiets kost ook een lepel.

Ik denk dat hij begon te begrijpen dat hij in theorie nog niet eens op zijn werk was en nog maar 10 lepels overhad. Toen legde ik hem uit dat hij de rest van zijn dag precies uit moest uitstippelen, want als de lepels op zijn, zijn ze ook echt op. Soms kun je de lepels van de volgende dag lenen, maar bedenk dan hoe moeilijk die dag zal zijn als je start met nog minder lepels. Ook moest ik uitleggen dat iemand met chronische lyme altijd leeft met de dreigende gedachte dat morgen misschien de dag is dat je weer een ergere pijnaanval hebt en dus meer last van je rug, nek, of andere lichaamsdelen. Dus je wilt nooit met te weinig lepels komen te zitten, omdat je nooit weet wanneer je ze echt nodig hebt. Ik wilde hem niet ontmoedigen, maar ik moest realistisch blijven en jammer genoeg is voorbereid zijn op pijnklachten een normaal onderdeel van een normale dag voor mij.

We namen de rest van de dag door en langzaamaan leerde hij dat te laat eten weer een lepel zou kosten, evenals boodschappen doen in de lunchpauze. Teveel en te zwaar tillen en te lang op de computer werken kost zelfs twee lepels. Hij werd gedwongen keuzes te maken en op een andere manier over dingen na te denken. Aan het eind van de dag waren er nog 4 lepels over. Na het fietsen naar huis waren dit er nog 3.

Theoretisch gezien moest hij zelfs de keuze maken om maar geen zware huishoudelijke klussen te doen (zoals stofzuigen, dweilen of de wasmand tillen) zodat hij die dag nog wel kon koken.

Toen we bij het einde van zijn doe-alsof-je-lyme-hebt-dag kwamen, zei hij dat hij honger had. Ik maakte hem erop attent dat hij nog warm moest eten, maar dat hij nog maar 3 lepels over had. Als hij zou koken zou hij geen energie (lepels) meer over hebben om de wasmand te dragen of te strijken. Toen zei ik tegen hem dat ik nog niet de moeite had genomen om hem in dit spel te vertellen dat hij inmiddels ook nog eens zo moe en misselijk was door de nek en rugpijn, dat koken al niet meer aan de orde was. Hij besloot de was op te vouwen en op te ruimen en soep te maken, omdat dat een makkelijke maaltijd was. (Beiden kostten hem 1 lepel).
Ik zei tegen hem dat het pas 19.00 uur was. Je hebt de rest van de avond nog maar 1 lepels, dus kun je misschien nog iets leuks doen of wat lezen of tv kijken. Je kunt ook bij iemand op visite gaan maar je lichaam heeft rust nodig dus je kunt het niet allemaal doen.

Zelden zag ik hem emotioneel, dus toen ik zag dat hij ontdaan was, wist ik dat ik waarschijnlijk tot hem was doorgedrongen. Ik wilde niet dat mijn vriend overstuur raakte, maar tegelijkertijd was ik blij dat iemand mij eindelijk een beetje begreep. Hij vroeg: “Hoe doe je dat? Moet je dit werkelijk iedere dag zo doen?” Ik legde hem uit dat sommige dagen slechter gaan dan andere; op sommige dagen heb ik meer lepels dan op andere. Maar ik kan het nooit achter me laten en nooit vergeten, ik moet er altijd bij nadenken. En heel af en toe verdwijnt er structureel een lepel, die je nooit meer terug krijgt. Ik gaf hem een lepel die ik stiekem achter de hand had gehouden. Ik zei simpelweg: “Ik leer langzaamaan om te leven met een extra lepel in mijn zak als reserve. Je moet altijd voorbereid zijn.”

Het is moeilijk. Het allermoeilijkste dat ik moet leren is om het kalm aan te doen en niet alles te willen doen. Daar vecht ik iedere dag tegen. Ik haat het buitengesloten te worden, thuis te moeten blijven terwijl ik weg zou willen gaan, dingen niet gedaan te kunnen krijgen omdat het niet gaat. Ik wilde dat mijn omgeving de frustratie voelde. Ik wilde dat ze begreep, dat alles wat iedereen doet zo gemakkelijk gaat, maar dat het voor mij honderd kleine taken zijn in één. Ik moet aan het weer denken, aan alle plannen voor die hele dag en wat voor impact het heeft op de lepels die ik misschien moet “lenen” van de dag erna, voordat ik iets kan gaan doen. Terwijl andere mensen gewoon dingen kunnen doen, moet ik erbij stilstaan en plannen alsof ik een strategie ontwikkel voor een oorlog. Het verschil tussen ziek en gezond zijn is die levensstijl. Voor gezonde mensen is er de wonderbaarlijke vrijheid om niet hoeven te denken maar gewoon te doen. Ik mis die vrijheid. Ik mis het nooit lepels te hoeven tellen.

Nadat we allebei wat emotioneel waren en we er wat langer over doorpraatten, merkte ik dat hij verdrietig was. Misschien begreep hij het eindelijk. Misschien realiseerde hij zich dat hij nooit oprecht zou kunnen zeggen dat hij het écht helemaal begreep. Maar hij zou tenminste niet meer klagen, als ik weer eens niet met hem weg kon gaan of wanneer ik erop stond dat uitstapjes standaard gevolgd worden door een dag rust. Of wanneer ik niet vaak bij hem langs kan gaan en hij steeds bij mij moet komen. Ik probeerde hem gerust te stellen. Ik had die ene lepel nog in mijn hand en zei: “Maak je geen zorgen. Ik zie dit als een zegen. Ik ben gedwongen over alles wat ik doe na te denken. Weet je wel hoeveel lepels sommige mensen iedere dag verspillen? Ik heb geen ruimte voor verspilde tijd of verspilde lepels, ik heb er nu voor gekozen deze tijd met jou door te brengen.”

Het origineel is geschreven door Christine Miserandino. De vertaling naar het Nederlands is door stichting Stomaatje.

Herwerkte site

Soms weet ik toch niet waaraan ik het verdiend heb, al die lieve en behulpzame mensen in mijn buurt.
Vandaag had ik weer datzelfde virus te pakken op mijn site als in februari: opnieuw dezelfde foutmelding, en opnieuw alles geblokkeerd. Zucht. Nochtans heb ik toen alles geüpdatet, een soort scan erop gezet, maar helaas…
Ik stuurde dus maar opnieuw een berichtje naar Bramus met de vraag wat ik er kon aan doen. Tsja, zei hij, alles van de server gooien behalve de data, en alles opnieuw uploaden? Euh… Geen idee hoe ik daaraan moest beginnen, dus ik vroeg hem of hij me dat kon uitleggen. Daar moest hij mee lachen, en zei dat hij het sneller zelf kon doen dan het me uitleggen. Ik ging hem echt niet tegenspreken :-p

Wat later kreeg ik dan bericht dat hij alles opnieuw erop had gezet, en dat mijn site weer live stond. Ik moest wel zelf in WordPress alle plugins weer toevoegen, en ook opnieuw mijn theme installeren.

Hmm. Laat dat oude thema er nu al een paar jaar – letterlijk – opstaan, en laat ik nu al een paar keer gedacht hebben dat ik dat moest herwerken…

Ik heb me vandaag dus beziggehouden met plugins en widgets toe te voegen in het standaard thema van WordPress, een thema dat me eigenlijk ongelofelijk aanstaat, en ik heb ook een hoop van mijn favoriete foto’s als beginfoto toegevoegd. Het ziet er meteen fris en vrolijk uit, het geeft me zowaar een lentegevoel.

Met andere woorden: wie via een RSSfeed leest: toch eens binnenspringen op de site zelf ^^

Beetje druk, zei u?

Het was weer zo’n dag vandaag, eentje van de soort die mijn rug niet zo tof vindt.

Om half negen vertrok ik namelijk met drie collega’s en 66 eerstejaars met de bus naar Velzeke, voor onze jaarlijkse uitstap naar het Gallo-Romeinse museum aldaar. Hele fijne dag gehad, daar niet van, maar gewoon te veel van het goede. Ik heb me over de middag een kwartiertje languit op een bankje gelegd, maar dat is eigenlijk niet voldoende.
Tegen het einde van de uitstap keken mijn collega’s me inderdaad bezorgd aan: ik had er blijkbaar al beter uitgezien. Het verslag van die dag, met massa’s foto’s, vind je trouwens hier.

Tegen half vier waren we op school, net op tijd om snel even goeiedag te gaan zeggen binnen, en dat we allemaal veilig en wel terug waren, en naar huis te rijden. Tegen vier uur kon ik eindelijk een tiental minuten in de zetel liggen, want daarna laadde ik Merel in de auto, en reden we naar Kobes koffiestop. Was me dat een teleurstelling, zeg! Op papier stond hij aangekondigd tot half vijf, maar om kwart over vier waren ze net de laatste dingetjes aan het opruimen: het was te koud om nog veel volk te lokken, en dus waren ze maar gestopt. Meh. Ik kon nog wel voor elk een cakeje kopen, nam Kobe mee, gooide Merel thuis af, en reed door richting ‘t stad. Kobe heeft namelijk twee keren op vrijdag fagotles in de Poel. Zijn juf heeft door een zware verkoudheid en het vele hoesten een rib gebroken, en dan is toeteren geen goed idee natuurlijk. Er is een vervangjuf, maar dus in de Poel. Enfin, ik zocht samen met hem zijn lokaal, en ging zelf in alle rust koffie drinken in de Labath. Ik hoefde maar te knikken om een latte te bestellen, en ze waren zowaar verwonderd om me op een vrijdag te zien. Tsja…

Ik trakteerde mezelf op een stukje kaastaart, Kobe kreeg nog een warme chocomelk, en weg waren we weer, naar huis. Daar was er nog een kwartiertje overschot tegen dat Bart, Kobe en Merel naar Nands verjaardagsfeestje vertrokken, en ik moest nog een hoop kleren meegeven.
Ik ging eindelijk wat liggen – bevel trouwens van Wolf, zodra die mijn gezicht had gezien – checkte mijn social media, at snel een boterhammetje, en iets over zeven stonden Wolf en ik bij Jesse en Cody voor een sessie Dungeons and Dragons. Die jongens zijn echt superlief: ik kreeg meteen een clubzetel aangeboden als zitplaats, want daarin kan je perfect hangen en je rug laten rusten.

Waardige afsluiter van een tsjokvolle dag.